‘De vraag is wie de baas is – punt uit.’ De taalfilosofie van Humpty Dumpty.

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Dit artikel is een bewerking van een lezing tijdens de Through the Looking-Glass Sesquicentenary Conference, York University, 4-5 november 2021.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ill. Jennifer H. Robinson

ill. Fernando Vicente

Inleiding

In Through the Looking-Glass and What Alice Found There verrast Humpty Dumpty Alice met een aantal uitspraken over taal en meer in het bijzonder over de betekenis van woorden. Humpty Dumpty’s uitspraken worden vaak geciteerd in debatten over taal. Je zou dus kunnen zeggen dat ze hem de nodige roem hebben verschaft. Helaas voor hem overheersen negatieve kwalificaties: zo wordt hij bijvoorbeeld pedant en autoritair genoemd en een karikatuur van de filologen uit die tijd[1].
Het is echter wat kort door de bocht om al zijn uitspraken over één kam te scheren en als nonsens terzijde te schuiven. In dit artikel wil ik aandacht vragen voor één van zijn uitspraken en wel degene die vermoedelijk ook het meest geciteerd wordt. Het gaat om het volgende citaat[2].

‘When I use a word, it means just what I choose it to mean – neither more nor less.’
‘The question is,’ said Alice, ‘whether you can make words mean so many different things.’
‘The question is,’ said Humpty Dumpty, ‘which is to be master – that’s all.’

Ik geef hier ook de Nederlandse vertaling van Nicolaas Matsier[3]:

‘Als ik een woord gebruik,’ zei Wiggel Waggel op nogal honende toon, ‘betekent het gewoon wat ik verkies dat het betekent – niet meer en niet minder.’
‘De vraag is,’ zei Alice, ‘of u dat kunt, woorden zoveel verschillende betekenissen geven.’
‘De vraag is,’ zei Wiggel Waggel, ‘wie de baas is – punt uit.’

Om duidelijk te maken dat hij wis en waarachtig de baas is, voegt Humpty Dumpty er even later nog aan toe: “When I make a word do a lot of work […], I always pay it extra.” Ofwel: “Wanneer ik een woord zo hard laat werken, […] betaal ik het altijd extra.”
Ik heb dit fragment gekozen omdat het een opvallende gelijkenis vertoont met een uitspraak die Lewis Carroll een aantal jaren later zelf over taal heeft gedaan: “Elke schrijver van een boek is volledig bevoegd om elke betekenis die hij maar wil te geven aan elk woord of elke zin die hij van plan is te gebruiken.” [4]

In dit artikel wil ik het hierboven vermelde citaat van Humpty Dumpty bezien in de context van de studie van taal in het Victoriaanse Engeland en een indruk geven van het gebruik van Humpty Dumpty’s uitspraak in de taalfilosofie na Carrolls tijd[5].

Voorgeschiedenis[6]

Sinds Plato’s dialoog Cratylus uit de 4e eeuw voor Christus hebben filosofen zich het hoofd gebogen over de vraag hoe woorden zich verhouden tot de werkelijkheid. Hoe krijgen woorden hun betekenis? En in welke mate hebben mensen controle over de betekenis van taal? Daarbij stond vaak de keuze centraal tussen naturalisme en conventionalisme. Zijn woorden labels met een inherente betekenis als een spiegelbeeld van begrippen die al vóór de taal bestonden? Dit is de naturalistische opvatting. Of krijgt taal zijn betekenis door conventies die bij het gebruik van taal worden geïntroduceerd?
In de late oudheid en de middeleeuwen was de opvatting van Aristoteles dominant.  Die komt in het kort op het volgende neer. Alhoewel de namen van dingen verschillen van taal tot taal, verwijzen ze naar begrippen in onze geest die universeel zijn voor alle talen en die eerder bestonden dan de taal.
Als deze opvatting juist is, dan is de analyse van taal de beste bron voor volledige kennis over de werkelijkheid. In de 17e eeuw kwam deze opvatting dan ook serieus ter discussie te staan door de opkomst van de experimentele wetenschap: er bleken namelijk dingen te bestaan die in geen enkele taal een naam hadden. Filosofen als Bacon, Locke, Leibniz en Vico waren het erover eens dat talen geen nomenclatuur zijn, geen transcripties van universeel gelijke en vooraf gedefinieerde begrippen; in feite vormt iedere taal zijn eigen patronen. Deze opvatting over taal leidde tot een toenemende belangstelling voor de geschiedenis van verschillende talen en ook voor de onderlinge vergelijking tussen de verschillende talen.
In Frankrijk nam echter het gezag van Aristoteles toe, met name door de invloed van Descartes. En in zijn kielzog overheerste bij de rationalisten de opvatting dat alle talen, alhoewel ze verschillen in hun vocabulaire, een gemeenschappelijke basis-structuur hebben die de universele kenmerken van het menselijk denken weerspiegelt. Dit zien we bijvoorbeeld terug bij de grammatica van Port Royal uit 1660. De pogingen van Bacon en de anderen om een nieuwe theorie te ontwerpen als vervanging van de theorie van Aristoteles, kregen daardoor geen vervolg. En mede omdat de belangstelling van filosofen voor de vraagstukken van taal en betekenis sterk afnam, bleef Aristoteles’ opvatting over taal overheersend.
Maar de belangstelling voor de vergelijking van talen bleef, evenals de historische belangstelling van Vico en deze combinatie leidde tot bijzondere aandacht voor de oorsprong van taal. Taalkundige studies concentreerden zich nu op archaïsche, dode talen om de moedertalen Indo-Germaans en Indo-Europees te reconstrueren. Het Oosten werd tevens gezien als de schatkamer van primitieve menselijke wijsheid en mythologische speculaties werden in dit kader niet geschuwd.
Onder de noemer ‘filologie’ werd een groot aantal vakken gecombineerd: etymologie en historische en vergelijkende taalstudies, met dwarsverbanden naar filosofische en sociologische vraagstukken[7]. Voor syntaxis en semantiek was in deze aanpak echter geen belangstelling: ook hiervoor viel men terug op Aristoteles.

In Engeland was intussen Herders romantische filologie (1772) populair: taal als de stem van het volk, een opvatting die goed aansloot bij de belangstelling voor nationale identiteit[8]. 1786 was een bijzonder jaar in Engeland vanwege het verschijnen van twee bijzonder invloedrijke boeken die overigens fors van elkaar verschilden.
Het eerste was Diversions of Purley van John Horne Tooke. Horne Tooke was niet geïnteresseerd in de oorsprong van taal en ook niet in de vraag of taal conventionalistisch of naturalistisch is. Volgens hem delen alle talen een gemeenschappelijke onderliggende structuur, bestaande uit een klein aantal namen die corresponderen met eenvoudige indrukken in de menselijke geest. Alle andere woorden zijn zgn. afkortingen, die het product zijn van een historisch proces dat zich afspeelt buiten de invloed van mensen. Het taalsysteem is volmaakt, ons begrip van de aard van de taal is echter gebrekkig. Volgens Horne Tooke weten de meeste sprekers voor veel van de woorden die ze gebruiken, niet eens wat ze betekenen; ze zijn in de war gebracht door met name filosofen. Horne Tooke baseerde zijn theorie op een aantal a priori principes en ondersteunde deze door een speculatieve etymologische analyse van meer dan 2000 woorden.
Het tweede boek uit 1786 was The Sanscrit Language van Sir William Jones. Jones koppelde de studie van taal los van de studie van de geest en bestudeerde de geschiedenis van oude talen op een wijze die ook naar onze standaarden empirisch is. Hij postuleerde de gemeenschappelijke afkomst van Sanskriet, Latijn en Grieks en zijn werk gaf een impuls voor de ontwikkeling van de vergelijkende taalwetenschap in de 19e eeuw waarin werd benadrukt dat talen zich ontwikkelen volgens abstracte morfologische regels, buiten de menselijke invloed. Zijn werk werd echter vooral opgepakt in Duitsland en Denemarken. Vanuit Engeland werd relatief weinig bijgedragen aan de ‘nieuwe filologie’ zoals deze werd genoemd. Dit hing samen met het feit dat deze op gespannen voet stond met de opvatting van Engels als wereldtaal en lingua communis van de Victoriaanse beschaving.

Oxford in de 19e eeuw

In het midden van de 19e eeuw bevond de filologie in Oxford zich op een kruispunt.
Aan de ene kant bevond zich de traditionele Engelse benadering, een mengeling van de romantische filologie van Herder en de speculatieve etymologie van Horne Tooke. Aan de andere kant was er de nieuwe filologie, die gebaseerd was op het werk van Jones. Dit was de sfeer waarin Friedrich Max Müller Oxford aantrof, toen hij er in 1850 vanuit Duitsland aankwam. In 1854 werd hij benoemd tot hoogleraar in de moderne Europese talen en in 1868 tot hoogleraar in de vergelijkende filologie. Overigens heeft Lewis Carroll hem diverse malen ontmoet. In Carrolls dagboeken lezen we dat ze een aantal keren beiden aanwezig waren bij hetzelfde diner en ook dat Carroll Müller en zijn familie heeft gefotografeerd. Deze foto’s zijn helaas nooit teruggevonden.

Müller werd populair doordat hij diverse ontwikkelingen wist te combineren: Horne Tooke, de nieuwe filologie, het romantisch idealisme van Herder en ook het orthodox geloof. Ondanks zijn populariteit was zijn reputatie controversieel; in het beste geval werd hij een popularizer genoemd, of “een voetnoot bij de geschiedenis van de taalwetenschap”. Maar ook een kwalificatie als “een van de grootste humbugs van de eeuw” viel hem ten deel[9].

In het algemeen was de opvatting in het Victoriaanse Engeland dat taal een autonoom verschijnsel is dat zich onafhankelijk van menselijke sprekers ontwikkelt. Taal werd vaak beschreven met behulp van metaforen en in het bijzonder organische metaforen, zoals een boom of een bijenkorf: iets dat uit zichzelf groeit. Maar aan de basis van deze opvatting lag nog steeds Aristoteles’ visie op taal, die nauw verbonden was met zijn logica die in de 19e eeuw nog de dominante logische theorie was. Aristoteles’ logica bracht ook een vorm van essentialisme met zich mee, omdat bij Aristoteles namen van objecten een beschrijving zijn van de essentie van die objecten. Dit essentialisme werd overigens vooral door Duitse filosofen (Fichte, Hegel) verder uitgebouwd. Mede door het werk van J.S. Mill, De Morgan en Boole was de invloed daarvan op de Engelse filosofie en logica beperkt.

Humpty Dumpty en Lewis Carroll

Dit was dus de context waarin Lewis Carroll Humpty Dumpty zijn uitspraak in de mond legde: “Als ik een woord gebruik, betekent het gewoon wat ik verkies dat het betekent – niet meer en niet minder.” En zoals we hebben gezien, is er een sterke gelijkenis van Humpty Dumpty’s woorden met één van Carrolls eigen uitspraken. Alhoewel we in Carrolls werk geen intern consistente taalfilosofie aantreffen, kunnen we, behalve het reeds genoemde, nog enkele andere uitspraken van hem vinden die een indruk geven van zijn gedachten.

Ik zal de lijn volgen dat iedere schrijver met een zin mag bedoelen wat
hij wil, mits hij dat tevoren toelicht[10].

.. geen enkel woord heeft een betekenis die er onafscheidelijk aan is
verbonden; een woord betekent wat de spreker ermee bedoelt, en wat
de toehoorder ervan begrijpt, en dat is alles[11].

Hier springen twee verschillen tussen Lewis Carroll en Humpty Dumpty in het oog. In het eerste citaat formuleert Carroll de voorwaarde dat de spreker de verklaring van de betekenis van een woord vooraf laat gaan aan de uitspraak waarin het woord met de betreffende betekenis voorkomt. Die voorwaarde zien we niet bij Humpty Dumpty. Sterker nog, in Through the Looking-Glass geeft hij zijn verklaring achteraf, wanneer Alice ernaar vraagt. Overigens is dit niet noodzakelijkerwijs een principiële keuze: de omkering van de volgorde van woord en betekenis-verklaring kan ook een van de vele omkeringen zijn die we in aantreffen in Through the Looking-Glass[12].
In het tweede citaat introduceert Carroll de toehoorder als een relevante factor voor het bepalen van de betekenis van een woord. Deze nuance treffen we zeker niet aan bij Humpty Dumpty.

De Alice-boeken bevatten op diverse plaatsen ook een indirect commentaar op de visie op taal zoals we die aantreffen bij Müller en breder in het Victoriaanse Engeland. Carroll drijft de spot met het verschijnsel ‘autonome taal’ met enkele scènes waarin de taal zelf de macht lijkt over te nemen van de spreker of schrijver. Dit is bijvoorbeeld het geval in Alice’s Adventures in Wonderland, wanneer Alice’s pogingen om algemeen bekende gedichten te citeren verwarde resultaten opleveren. En in de scène in Through the Looking-Glass waarin de pen van de Witte Koning in zijn aantekenboek schrijft, zonder dat de Koning daar invloed op kan uitoefenen. Ook drijft Carroll de spot met essentialisme, als de Duif in Alice’s Adventures in Wonderland concludeert dat Alice een slang is, omdat ze beschikt over enkele kenmerken die de Duif als wezenlijk voor een slang beschouwt. Overigens bevat Carrolls logica, ondanks de Aristotelische basis, nergens de term ‘essence’, noch in zijn beschrijving van het proces van classificeren, noch elders.

Naast de gesignaleerde verschillen, is er ook een opmerkelijke overeenkomst tussen Humpty Dumpty’s en Carrolls uitspraken over de betekenis van taal. De belangrijkste overeenkomst is dat de uitspraken van beiden conventionalistisch zijn: woorden krijgen hun betekenis op basis van conventies die door de gebruikers van taal worden geïntroduceerd. Dit in tegenstelling tot de naturalistische opvatting die in het Victoriaanse Engeland dankzij de Aristotelische traditie overheersend was. En het lijdt ook geen enkele twijfel dat in de opvatting van Humpty Dumpty én van Carroll zelf taal geen autonoom verschijnsel buiten menselijke invloed is.
We kunnen daarom concluderen dat de opvattingen van Humpty Dumpty en Carroll aanzienlijk afwijken van de algemene opvatting in het Victoriaanse Engeland en zeker ook in Oxford.

De uitspraak van Humpty Dumpty, “Als ik een woord gebruik, betekent het gewoon wat ik verkies dat het betekent – niet meer en niet minder”, wordt vaak geciteerd in discussies over de betekenis van taal. Daarbij wordt meestal beargumenteerd dat dit voor een spreker een absurd standpunt is. Maar in de context van Oxford in de 19e eeuw was de uitspraak allerminst absurd, omdat hij een tegenstelling formuleerde met de toen algemene opvatting dat woorden een eigen, intrinsieke betekenis hadden waarop de spreker geen invloed kon hebben.
In het licht van die tegenstelling, kunnen we daarom beter niet de zojuist geciteerde absolute uitspraak van Humpty Dumpty als uitgangspunt nemen, wanneer we zijn standpunt als referentiepunt willen gebruiken in discussies over taal. We kunnen dan beter de aandacht vestigen op zijn daaropvolgende vraag: “Wie is de baas?” Ofwel: heeft de spreker enige macht over de betekenis van woorden? En als de spreker niet de baas is, wie of wat dan wel? Dit is een nuttige en relevante vraag in de analyse van elke taaltheorie. Lewis Carroll gaf zelf een antwoord op deze vraag in de context van de taalstudie in zijn tijd: de spreker is de baas, “mits hij dat tevoren toelicht”.

Ik wil de relevantie van Humpty Dumpty’s vraag nu kort illustreren met een aantal meer recente voorbeelden in de literatuur over de betekenis van taal. Ik heb voorbeelden gekozen waarbij Humpty Dumpty’s standpunt ook daadwerkelijk de revue passeert.

Humpty Dumpty en taalfilosofie

De Saussure: structuralisme
Aan het begin van de 20e eeuw ontwikkelde de Zwitser Ferdinand de Saussure een taaltheorie die ‘structuralisme’ wordt genoemd. Hij maakte onderscheid tussen langue en parole. Langue is het abstracte taalsysteem, de organisatiestructuur voor zowel spreken als denken. Parole is het gebruik van de regels van het systeem voor communicatie.
Langue, de taalstructuur, creëert zelf zijn tekens en de relatie tussen die tekens. Zij bestaat als één geheel, onafhankelijk van de bedoelingen van de gebruikers ervan, en de samenstellende delen bestaan niet onafhankelijk van elkaar. Individuen of de gemeenschap hebben dus geen macht over het systeem en hun individuele keuzes moeten binnen de regels blijven. Het systeem geeft sprekers dus niet de mogelijkheid om de baas te worden over de betekenis van woorden.
Silvia Rivero confronteert de opvattingen van de Saussure met de uitlatingen van Humpty Dumpty; ze karakteriseert Humpty Dumpty’s claim om de regels naar eigen willekeur te veranderen als een mogelijkheid die in langue is uitgesloten en ziet er een aanleiding in tot de “chaos van filosofie van nonsens” [13].

Wittgenstein: taalspelen
Ludwig Wittgenstein werkte in zijn jonge jaren samen met Bertrand Russell aan een systeem voor een formele taal die in hun ogen geschikt zou zijn om de werkelijkheid te beschrijven. Zij gingen daarbij uit van een isomorfe relatie tussen taal, denken en werkelijkheid: “De volzin is een beeld van de werkelijkheid. De volzin is een model van de werkelijkheid zoals wij haar denken”, lezen we in de Tractatus Logico-Philosophicus uit 1921[14].
Later veranderde Wittgenstein aanzienlijk van opvatting over taal en concentreerde hij zicht op het gebruik van taal, waarmee hij de basis legde voor wat de ‘filosofie van de gewone taal’ wordt genoemd. In deze opvatting die we vinden in de Philosophical Investigations uit 1953, benadrukte hij de sociale functie van taal: gebruik van taal is onderdeel van de activiteiten van een gemeenschap en woorden krijgen hun betekenis door de wijze waarop ze in die gemeenschap worden gebruikt. Wittgenstein hanteerde de naam ‘taalspelen’ voor de combinatie van taal en de activiteit waarin deze taal is verweven. Als we woorden los van de situaties gebruiken waarin ze thuishoren, ontstaat verwarring: “Filosofische problemen ontstaan als taal vrijaf heeft[15]. Kortom, Wittgenstein ontkent de mogelijkheid voor de spreker om de baas te zijn over betekenis: het taalspel van de gemeenschap is de baas.
George Pitcher noemt Humpty Dumpty dan ook “een van de meest Wittgensteinse – of beter gezegd ‘anti-Wittgensteinse’ figuren in het werk van Lewis Carroll” [16].
Amy Kind ziet in Humpty Dumpty’s uitspraak een duidelijk voorbeeld van “taal die vrijaf heeft”. Volgens Wittgenstein kun je alleen in een taal en dus in een taalspel betekenis aan woorden geven en Kind concludeert dan ook Humpty Dumpty de rol die het begrip ‘betekenen’ (to mean) heeft in het taalspel, verkeerd begrijpt; de functie van ‘betekenen’ is een andere dan die van ‘bedoelen’ of ‘bedenken’ [17].

Paul Grice: Implicaturen
Andere interessante voorbeelden kunnen we vinden als we naar de pragmatiek kijken. In 1938 voegde Charles Morris pragmatiek toe aan het onderscheid tussen syntaxis en semantiek. Waar semantiek zich bezighoudt met de betekenis van een zin, gaat pragmatiek over de betekenis die uitgaat van de spreker/schrijver: de zin in combinatie met zijn context.
In de jaren 60 van de vorige eeuw formuleerde Paul Grice zijn theorie van implicaturen[18]. Het gaat daarbij om de bedoeling die een spreker met een zin heeft; deze is niet noodzakelijk gelijk aan de betekenis van de zin. De betekenis van de spreker volgt niet logisch uit de betekenis van de zin, maar is wel duidelijk voor een goed geïnformeerde, competente toehoorder. Dat wil zeggen, als de spreker zich houdt aan een aantal regels voor de conversatie die ‘maxims’ worden genoemd. Onder deze maxims vallen bijvoorbeeld relevantie, compactheid en de regel dat de spreker niets zegt waarvan hij weet dat het onjuist is.
In deze opvatting kan de spreker zijn eigen betekenis hebben met een zin en binnen een aantal beperkingen is de spreker de baas[19]. Wanneer Patrick Hanks Grice bekritiseert, legt hij dan ook een link met Humpty Dumpty: “Een extreme versie van dit standpunt is al geruime tijd vóór Grice door Lewis Carroll gehekeld in de persoon van Humpty Dumpty.” [20]

Taal en machtsrelaties
In de pragmatiek komen we ook analyses tegen van de betekenis van taaluitingen in termen van macht tussen spreker en toehoorder. Er zijn ook diverse publicaties die het taalgebruik in de Alice-boeken analyseren in termen van machtsrelaties en het laat zich raden dat Humpty Dumpty er daarbij niet goed vanaf komt.
Robin Lakoff, bijvoorbeeld, stelt dat gezag en taal elkaar creëren en versterken. Zij die macht hebben, hebben ook macht om te beslissen over de betekenis van woorden en het geven van definities wordt daarbij beschouwd als een machtsmiddel[21]. Volgens Lakoff maakt Humpty Dumpty de relatie tussen taal en macht expliciet. Zij karakteriseert Humpty Dumpty’s standpunt met betrekking tot taal als arrogant en elitair en interpreteert de vraag van Humpty Dumpty (“Wie is de baas?”) ook breder dan een keuze tussen de spreker en de woorden zelf. De vraag gaat volgens Lakoff ook over de relatie spreker – toehoorder en past daarmee in haar visie op de Alice-boeken als een beschouwing over het gebruik en misbruik van macht.[22]

Conclusie

Humpty Dumpty verkondigt een conventionalistische betekenistheorie, evenals Lewis Carroll zelf, al is deze laatste genuanceerder. Hun beider opvatting is dat taaluitingen hun betekenis ontlenen aan conventies die door het gebruik worden geïntroduceerd. Dit wijkt duidelijk af van de overheersende opvatting over de betekenis van taal in het Victoriaanse Engeland, waarin taaluitingen hun eigen intrinsieke betekenis hebben, onafhankelijk van de spreker en het gebruik.
Hunpty Dumpty wordt vaak geciteerd in uiteenzettingen en debatten over taalfilosofie en meestal wordt zijn standpunt over de betekenis van taal gezien als een valkuil die moet worden vermeden. De opvatting van Humpty Dumpty dat hij de woorden die hij gebruikt elke betekenis kan meegeven die hij maar wil, kan in algemene zin met goede redenen ongenuanceerd worden genoemd of worden bestreden. Maar zijn vraag “Wie is de baas?” was hoogst relevant in vergelijking met de op dat moment overheersende opvatting over de betekenis van taal.
Maar als de spreker de baas niet is, wie of wat is dat dan wel? Deze vraag kan ook bij andere betekenistheorieën zinvol worden gesteld en is dan een nuttig hulpmiddel voor de analyse en onderlinge vergelijking van deze theorieën.

 

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld Priestly 1921, p.264 en Williams 2012, p.662.

[2] Through the Looking-Glass and What Alice Found There, hoofdstuk 6.

[3] Carroll 2016, p.247.

[4] Geciteerd in Bartley 1977, p.232. Vertaling Bas Savenije.

[5] Toelichting m.b.t. de term ‘taalfilosofie’: daar waar de taalwetenschap empirisch onderzoek doet naar taal en aspecten van taal, houdt de taalfilosofie zich bezig filosofische vragen die samenhangen met taal en in het bijzonder de vraag waaraan uitingen van taal hun betekenis ontlenen. Het onderwerp van taalfilosofie is dus de taal zelf. De wijsbegeerte van de taalwetenschap, daarentegen, heeft de wetenschapsbeoefening van de taalwetenschap als onderwerp. Taalfilosofie is complementair t.o.v. de taalwetenschap en een scherpe afbakening is niet te geven.

[6] Deze paragraaf is in belangrijke mate gebaseerd op De Mauro 1967 (hoofdstuk II en III) en Aarsleff 1967.

[7] Zie Weaver 2015, p.333.

[8] Zie Dowling 1986, hoofdstuk 2.

[9] Zie Williams 2012, p.652.

[10] Uit een brief aan Edith Rix uit 1885, geciteerd in Collingwood 1898, p.242. Vertaling Bas Savenije.

[11] Geciteerd in Collingwood (ed.) 1899, p.136. Vertaling Bas Savenije.

[12] Zie ook Hancher 1981, p.50.

[13] Rivero 2010, p.22.

[14] Wittgenstein 1986, p.43.

[15] Wittgenstein 1992, p.36. Oorspronkelijke tekst: “Denn die philosophischen Probleme entstehen, wenn die Sprache feiert.” (Philosophische Untersuchungen, No. 38).

[16] Pitcher 1965, p.603. “One of the most deeply Wittgensteinian – or perhaps `I should day ‘Anti-Wittgensteinian’-characters in all of Lewis Carroll is Humpty Dumpty”.

[17] Kind 1990 p.38.

[18] Grice 1975.

[19] Zie ook Hancher 1981.

[20] Hanks 2013, p.90: “An extreme version of this position had already been satirized long before Grice’s lifetime by Lewis Carroll in the person of Humpty Dumpty.”

[21] Zie bijvoorbeeld Lakoff 1993 en Hidalgo-Downing 2000.

[22] Lakoff 1993, p.384: “Also we can see the Alices as […] a commentary on power, its uses and abuses”.

 

 

 

 

ill. John Vernon Lord

Literatuur

Aarsleff, Hans, 1967, The Study of Language in England, 1780 – 1860, Princeton University Press.
Bartley, William Warren III (ed.), 1977, Lewis Carroll’s Symbolic Logic, New York: C.N. Potter.
Carroll, Lewis, 2016, De Avonturen van Alice. De Avonturen van Alice in Wonderland en Achter de Spiegel en wat Alice daar aantrof (vertaald en van een nawoord voorzien door Nicolaas Matsier), Amsterdam: Boekerij b.v.
Collingwood, Stuart Dodgson, 1898, The Life and Letters of Lewis Carroll, London: Fisher Unwin. Reprinted in 1967, New York: Century Co.
Collingwood, Stuart Dodgson (ed.), 1899, The Lewis Carroll Picture Book, London: Collins’ Clear-Type Press.
De Mauro, Tullio, 1967, Ludwig Wittgenstein. His Place in the Development of Semantics, Dordrecht – Holland: D. Reidel Publishing Company.
Dowling, Linda, 1986, Language and Decadence in the Victorian Fin de Siècle, Princeton University Press.
Grice, Paul, 1975, ‘Logic and Conversation’, in Grice 1989, pp. 22-41.
Grice, Paul, 1989, Studies in the Way of Words, Harvard University Press.
Hancher, Michael, 1981, ‘Humpty Dumpty and Verbal Meaning’, The Journal of Aesthetics and Art Criticism, Vol. 40, No. 1, pp.49-58.
Hanks, Patrick, 2013, Lexical Analysis: Norms and Exploitations, Cambridge Massachusetts, MIT Press.
Hidalgo-Downing, Laura, 2000, ‘Alice in Pragmaticland: Reference, Deixis and the Delimitation of Text Worlds in Lewis Carroll’s Alice books’,  Círculo de lingüística aplicada a la comunicación, No. 2, https://dialnet.unirioja.es/servlet/articulo?codigo=276230.
Kind, Amy L., 1990, ‘Wittgenstein, Lewis Carroll and the Philosophical Puzzlement of Language’, Episteme, Vol. 1, pp.33-42.
Lakoff, Robin Tolmach, 1993, ‘Lewis Carroll: Subversive Pragmatist’, Pragmatics, Vol. 3, No. 4, pp.367-385.
Phillips, Robert, 1971, Aspects of Alice. Lewis Carroll’s Dreamchild as seen through the Critics’ Looking-Glasses, New York: The Vanguard Press Inc.
Pitcher, George, 1965, ‘Wittgenstein, Nonsense, and Lewis Carroll’, The Massachusetts Review, Vol. 6, No. 3, pp.591-611.
Priestly, J.B., 1971, ‘A Note on Humpty Dumpty’, in Phillips (ed.) 1971, pp.262-265.
Rivero, Silvia, 2010, ‘Representations in Linguistics and Literature: An Analysis of Ferdinand de Saussure’s and Lewis Carroll’s Construction of the Object Language’, Invenio, Vol. 13, No. 24, pp.13-26.
Weaver, Sarah, 2015, ‘Philology and the Metaphors of Language’, Literature Compass, Vol. 12, No. 7, pp.333-343.
Williams, James A., 2012, ‘Lewis Carroll and the Private Life of Words’, The Review of English Studies, New Series, Vol. 64, No. 266, pp.651-671.
Wittgenstein, Ludwig, 1986, Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Wittgenstein, Ludwig, 1992, Filosofische Onderzoekingen. Vertaling Maarten Derksen en Sybe Terwee, Amsterdam/Meppel: Boom.

 

ill. Erica Awano