Een update over Lize’s mogelijke vertaler

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

In mijn essay Lize, de eerste Nederlandse Alice, uit de facsimile Lize’s Avonturen in het Wonderland  is een gedeelte gewijd aan een onderzoek naar een mogelijke vertaler. Ik ben daarbij gestart met het standaardwerk Lust en Leering met als ondertitel Geschiedenis van het Nederlandse Kinderboek in de negentiende eeuw (2001), geschreven door het echtpaar P.J. Buijnsters en L. Buijnsters-Smets. In dat boek staat op pagina 257 dat Lize door een onbekende uit het Engels bewerkt is met de opmerking tussen haakjes (Mark Prager Lindo?). Ik heb nog kort voor de publicatie van het essay (begin 2021) telefonisch contact gehad met de emeritus hoogleraar en boekhistoricus, maar hij kon zich niet meer herinneren waarom hij Prager (1819-1877) als mogelijke vertaler/bewerker had genoemd.

In mijn essay betwijfel ik of Mark Prager Lindo aangemerkt kan worden als de eerste Nederlandse vertaler/bewerker van Alice. Het enige belangrijke argument voor mij is het feit dat hij aan het eind van zijn leven de (kinder)ziekte  mazelen had opgelopen en daardoor wellicht niet in staat was geweest het boek helemaal te vertalen. Mijn tweede optie was Pragers beste vriend/collega Lodewijk Mulder, die misschien het laatste stukje in Lize had afgeraffeld en de derde optie was J.J.A. Goeverneur (1809-1889). Op de achterkant van de originele Lize staat namelijk paginagroot een advertentie dat bij de uitgever van Lize (Blomhert & Timmerman te Nijmegen) ook twee sprookjes van J.J.A. Goeverneur uitgegeven zijn. Het zou dus vanwege die samenhang mogelijk kunnen zijn dat de vertaling is gemaakt door Goeverneur. Maar, zo schreef ik in dat essay, ik kon verder geen nadere verbindingen tussen Lize en Goeverneur vinden. Na het symposium te Zalbommel werd ik door Niels Bokhove erop geattendeerd dat in het tijdschrift Filter van jaargang 2013 een artikel van 11 pagina’s over J.J.A. Goeverneur was verschenen. Dit artikel van Jan Van Coillie, ‘De erfenis van een vertalende duizendpoot’, geeft een beschrijving van de qua productiviteit grootste kinderboekenschrijver uit de negentiende eeuw. Het werk van Goeverneur verscheen bij meer dan vijftig verschillende uitgevers en vertalingen waren volgens Goeverneur een noodzaak voor hem om te overleven. Het was wel in die tijd heel gebruikelijk om vertalingen onder eigen naam te publiceren. Ook in dit artikel komt niet naar voren dat Goeverneur ooit de onbekende vertaler/bewerker is geweest van Alice’s adventures in Wonderland. Toch zijn er wel aanwijzingen uit het artikel te halen dat Goeverneur een veel sterkere kandidaat als mogelijke vertaler/bewerker was dan Prager. Dat baseer ik dan uit twee opmerkingen uit voorgaand artikel:

Gezien zijn veelschrijverij en zijn schrijven als broodwinning wordt wel geïnsinueerd dat hij gebruik gemaakt zou hebben van ghostwriters. En in het proefschrift  Een eeuw  kinderpoezie (1926) van Louise Wirth noemt de schrijfster Goeverneur de belangrijkste kinderdichter van zijn tijd, maar wijst zij ook op de slordige en slechte vertalingen in zijn werk. Ook anderen gaan daarin mee.

Een ghostwriter, schaduwauteur of spookschrijver is een auteur die op verzoek iets voor een ander schrijft en hoeft niet als auteur vermeld te worden. De combinatie van ghostwriter en het ontbreken van een eindredacteur wijzen in de richting van Goeverneur als mogelijke vertaler/bewerker al dan niet in opdracht. Ook de tweede opmerking over Goeverneur past in het beeld van de vertaling van Lize, immers slordige en slechte (woord)vertalingen zijn ruimschoots in Lize te bespeuren. Zie daarvoor ook het essay van Casper Schuckink Kool in de facsimile Lize’s Avonturen in het Wonderland.

Maar nog steeds is niets concreet gevonden ten aanzien van een mogelijke vertaler van Lize. De zoektocht gaat onverdroten voort. Wellicht zijn er aanknopingspunten te vinden bij de uitgeverij Blomhert & Timmerman, hoewel die maar kort heeft bestaan.