Lewis Carrolls bemoeienis met universitaire kwesties

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Volgens Carel Peeters (2013, p.162) zou Lewis Carroll, als hij honderd jaar later zou zijn geboren, een columnist zijn geweest. Hij bemoeide zich graag met van alles en had ook overal een mening over. Met name wanneer hij een gebrek aan logica of aan rechtvaardigheid constateerde, klom hij in pen. Hij bestreek daarbij een veelheid aan onderwerpen: vivisectie, verkiezingen, spelregels van tennis, eeuwige verdoemenis, maar vooral ook aangelegenheden van Christ Church. Hij speelde een actieve rol in het universitaire leven, had uitgesproken opvattingen over lokale kwesties en publiceerde zijn mening vaak in een poging beslissingen te beïnvloeden. De vorm van zijn reacties varieerde nogal: hij ventileerde zijn standpunt via gedichten, verhalen, toneelstukjes, wiskundige verhandelingen en essays.
Carrolls pamfletten, boekjes, ingezonden brieven en vergelijkbare publicaties zijn door de Lewis Carroll Society of North America verzameld in een zesdelige serie The Pamphlets of Lewis Carroll.

In de vorige editie van Phlizz (juli 2022) heb ik een impressie gegeven van Carrolls geschriften over architectuur. In dit artikel ga ik in op enkele stukken over de universitaire gang van zaken in Oxford. Het betreft de volgende publicaties, die alle zijn opgenomen in Wakeling (1993):

1864 Examination Statute (pamflet); The New Examination Statute (open brief)
1865 American Telegrams (pamflet)
1861 Endowment of the Greek Professorship (pamflet)
1865 The New Method of Evaluation as Applied to p (pamflet)
1876 The Professorship of Comparative Philology (3 pamfletten)

De eerste twee publicaties gaan over een nieuwe examenregeling van de universiteit. De derde over de inrichting van het bestuur van Christ Church en de overige over hoogleraarssalarissen. Ze zijn alle ofwel anoniem ofwel onder de naam ‘C.L. Dodgson’ gepubliceerd. Voor de context baseer ik me vooral op Wakeling (1993) en Cohen (2015). Daar waar een Nederlandse vertaling is opgenomen, is die van mijn hand.
Voor een goed begrip van de stukken is enige kennis over de Universiteit Oxford en Christ Church gewenst.

De Universiteit Oxford
Er is geen officiële oprichtingsdatum bekend van de Universiteit Oxford, maar aangetoond is dat er in 1096 onderwijs plaats vond. De universiteit is ontstaan door het geleidelijk samengaan van een aantal onafhankelijke instellingen, oorspronkelijk waren dat Halls en sinds de 13e eeuw Colleges.
In 1636 legde William Laud, chancellor van de Universiteit en aartsbisschop van Canterbury, de statuten van de Universiteit vast. Voor een aanzienlijk deel zouden deze tot het midden van de 19e eeuw het bestuur van de universiteit blijven bepalen. Er was een nauwe relatie met de Church of England; tot ver in de 19e eeuw was lidmaatschap van de kerk een noodzakelijke voorwaarde voor het behalen voor een graad.
Ook tegenwoordig vormen de (nu 39) Colleges als zelfstandige organisaties de basis van de universiteit en zijn ze verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van het onderwijs. Daarnaast zijn er 6 (private) Halls van verschillende kerkelijke denominaties.
Om tot de universitaire gemeenschap te behoren, moeten alle studenten en vrijwel de gehele academische staf lid van een College of Hall zijn. Traditioneel woonden de studenten ook in een College of Hall; tegenwoordig verblijven ze ook daarbuiten. Colleges zorgen tevens voor restauratieve voorzieningen en sociaal-culturele en recreatieve activiteiten. De Universiteit Oxford heeft geen centrale campus. Er is wel een centrale bibliotheek (The Bodleian Library) maar de Colleges hebben ook eigen bibliotheken.
De leden van de staf van een College worden als ‘fellow’ aangeduid. Leden van het onderwijzend personeel worden ook wel ‘don’ genoemd.
In 1879 werden een Hall en een College voor de eerste vrouwelijke undergraduates geopend, die in 1920 werden erkend als onderdeel van de universiteit.

Formeel is de Chancellor de ‘hoogste in rang’ bij de universiteit, maar in feite is dit een representatieve, politieke functie. De daadwerkelijke leiding berust bij de Vice-chancellor die wordt ondersteund door vijf Pro-vice-chancellors met specifieke verantwoordelijkheden.
Het hoogste bestuursorgaan is de Congregation, het parlement van de universiteit bestaande uit alle leden van de academische en administratieve staf (nu ruim 5000 leden). De Congregation is eindverantwoordelijk voor de regelgeving en neemt besluiten over voorstellen van de University Council (Universiteitsraad). De Universiteitsraad is het beleidsvormende orgaan, bestaande uit 25 – 28 leden: de Vice-chancellor, diverse leidinggevende functionarissen van de universiteit, 14 gekozen leden van de Congregation en vier externe leden, plus waarnemers vanuit de studentenbond.
Daarnaast is er de Convocation, verantwoordelijk voor de disciplinaire regels en de verkiezing van functionarissen. De Convocation omvat alle afgestudeerden van Oxford en (voormalige leden) van de Congregation.
Er zijn twee gekozen University Proctors: zij zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de regels en de afhandeling van klachten. Sinds 2022 zijn het interne ombudsmannen.

Christ Church

Christ Church is één van de grootste en rijkste Colleges in Oxford, opgericht in 1546 als onderdeel van de reorganisatie van de Church of England. Het is uniek als combinatie van een academische instelling en een kathedraal (de zetel van de bisschop van Oxford). De leiding van het College berust bij de dean. Deze term laat zich eigenlijk lastig vertalen omdat de persoon in kwestie zowel dean (‘deken’) van de kathedraal is als dean (‘decaan’) van het College. Omdat in dit artikel meermalen de dubbelfunctie een rol speelt, zal ik hier de Engelse term ‘dean’ hanteren. Hij vormt het bestuur van het College samen met de chapter, het ‘kapittel’, bestaande uit acht canons (‘kanunniken’). Uit hun midden worden voor de dagelijkse gang van zaken een senior- en junior-censor gekozen.
Christ Church is het enige College dat traditioneel niet bestuurd wordt door zijn fellows. De leden van de staf worden ook niet ‘fellow’ genoemd maar ‘Student’ (niet te verwarren met undergraduates; in het vervolg van dit artikel zal ik spreken over ‘undergraduates’ en ‘studenten’, waarbij met ‘studenten’ de met fellows vergelijkbare Students worden bedoeld). Sinds de hervorming in 1867 zijn de studenten wel betrokken bij het bestuur.

Examination Statute (februari 1864), The New Examination Statute (maart 1864)

Begin 1864 werd een nieuwe universitaire examenregeling voorgesteld die studenten de mogelijkheid zou geven om het vak Klassieke talen te laten vallen na de examens aan het eind van het eerste jaar (Moderations) wanneer men wilde afstuderen in de natuurwetenschappen of wiskunde. Carroll was hier mordicus tegen omdat hij het beschouwde als een belediging voor zowel de klassieken als wiskunde. Om uiting te geven aan zijn weerzin publiceerde hij op 2 februari 1864 het pamflet Examination Statute. Het pamflet werd anoniem uitgebracht, maar uit Carrolls dagboekaantekeningen blijkt dat het met zekerheid van hem afkomstig was. Het bestaat uit 13 coupletten op rijm over 19 stemgerechtigde leden van de Congregatie (“might, could, would, or should have voted”), alfabetisch geordend. De namen worden niet volledig vermeld, maar kunnen worden afgeleid uit de wel vermelde eerste letter en het aantal puntjes voor de letters van de naam. Carrolls vriend Vere Bayne bewaarde zijn exemplaar van het pamflet en had daarin zelf de namen ingevuld.
Ik geef enkele voorbeelden.

Over Rev. Benjamin Jowett, hoogleraar Grieks:
“J is for ……, who lectures in Attic (die Oud Grieks onderwijst).”
Over Rev. Henry George Liddell, de dean:
“L is for …….,, relentless reformer (meedogenloos hervormer)!”
Over Dr. George Rolleston, hoogleraar anatomie en fysiologie:
“R is for ………, who lives for dissecting (die leeft om te ontleden).”

Nadat de nieuwe examenregeling in eerste instantie was verworpen, werd hij uiteindelijk toch aangenomen, waarna Carroll een open brief stuurde naar de Vice-Chancellor van de universiteit. Deze brief werd gepubliceerd in de Morning Post van 4 maart 1864 (The New Examination Statute). In de brief bood hij zijn ontslag aan als examinator wiskunde. Hij zag in de nieuwe regeling een waardevermindering van een graad in natuurwetenschappen of wiskunde en gaf aan dat hij daar geen aandeel in wilde hebben. Ook sprak hij de hoop uit wijzigingen die nog zouden volgen, Oxford niet verder van een klassieke opleiding zouden vervreemden.

American Telegrams (februari 1865)

 In 1854 en 1856 hadden Parliamentary Acts een eind gemaakt aan een aantal middeleeuwse regelingen in de Britse universiteiten. Hiermee werden de universiteiten opengesteld voor niet-leden van de Anglicaanse kerk en ook voor de middenklasse en werd meer vrijheid in het curriculum geïntroduceerd. De afzonderlijke Colleges zouden vervolgens hun interne statuten in lijn met deze veranderingen moeten aanpassen.
Zoals hierboven vermeld, berustte het bestuur van Christ Church bij de dean en het kapittel. Hiertegen bestond al geruime tijd weerstand bij het onderwijzend personeel, maar pas in 1857 werd het studenten toegestaan om deel te nemen aan de discussies.
De studenten wilden meer, namelijk een positie die vergelijkbaar was met die van fellows elders en toegelaten worden tot de Corporation. De discussies hierover gingen door in de jaren 1860. Carroll nam actief deel aan deze discussies hierover en schreef in dit kader zijn pamflet American Telegrams.
Dit pamflet was geïnspireerd op de Amerikaanse Burgeroorlog die op dat moment op zijn eind liep. Carroll gaf het de vorm van een telegram met vredesvoorwaarden van de Confederalisten (in dit geval de studenten) aan de Federalisten of de Unie (in dit geval de dean en het kapittel).
Het toeval wilde dat er zowel in de Amerikaanse oorlog als in Christ Church een belangrijke speler was met de naam ‘Grant’: generaal Ulysses S. Grant was de leider van de troepen van de Federalisten in de Burgeroorlog en Henry Grant was de butler van Christ Church. In Carrolls pamflet kwam een aantal grieven van de studenten aan de orde en één daarvan was de uitbuiting van studenten en undergraduates door de butler. Basale levensmiddelen moesten bij Grant worden gekocht en zijn prijzen waren aanzienlijk hoger dan buiten het College. Vlak na het uitkomen van American Telegrams stuurden 108 undergraduates een petitie naar de dean met klachten over de prijzen voor met name brood en boter, de ‘Bread and Butter Row’.
De financiën van Christ Church werden beheerd door de kanunniken. Zij zorgden goed voor zichzelf en de mogelijkheid daartoe creëerden ze o.a. door de stipendia voor de studenten laag te houden. Ook deze onrechtvaardigheid kwam tot uiting in het pamflet.

Hieronder geef ik (in vertaling) enkele van de belangrijke uitgangspunten van de studenten weer (Wakeling 1993, pp.14-15).

Dat de bijna dictatoriale macht, in handen van generaal Grant, grotendeels zal worden beknot, zo niet volledig tenietgedaan. Naar verluidt staat de President zelf [daarmee werd dean Liddell bedoeld, BS] zo volledig onder zijn invloed, dat hij alleen maar in naam vrijheid van handelen heeft: een situatie die, het kan niet genoeg worden benadrukt, nadrukkelijk niet anders dan in hoge mate schadelijk kan zijn voor de Unie [d.w.z. de universiteit, BS]
[…]
Dat de schatkist onder het gezamenlijk beheer van Confederalisten en Federalisten zal worden geplaatst: de Confederalisten benadrukken dat hun partij “ondervertegenwoordigd is in het huidige bestuur” en dat met name de Secretaris “een schandvlek zou zijn” in elk denkbaar bestuurssysteem.” [Carroll gebruikt hier de formulering ‘would be a blot’, verwijzend naar Mr. Alfred D. Blott, de vice-penningmeester, BS]
Dat de troepen die op dit moment grondgebied van de Confederalisten bezetten, worden teruggetrokken. “We kunnen geen vredesvoorwaarden bespreken,” zeggen de Confederalisten, “met een gewapende vijand. Het is een natie onwaardig om op deze wijze de wet voorgeschreven te krijgen door het gebulder van canons (sic)” [‘canon’ betekent zowel ‘kanon’ als ‘kanunnik’, BS].

In februari 1865 stuurden de studenten een resolutie naar de dean die vervolgens overlegde met een delegatie van studenten, echter zonder succes. De studenten dreigden zich tot het hogere gezag te wenden, waarna de kanunniken arbitrage voorstelden. Dat kwam er echter niet van, omdat de partijen geen overeenstemming konden bereiken over de vraag waarover arbitrage zou moeten plaatsvinden.
Carroll speelde een belangrijke rol in het vervolg van deze langlopende actie ter vergroting van de invloed van de studenten. In een vergadering in januari 1866 verwoordde hij het studentenstandpunt – met inbegrip van steun voor de arbitrage. De arbitragecommissie die toen werd ingesteld, bestond uit vijf leden met het nodige aanzien en één van hen was aartsbisschop Longley, een familievriend van de Dodgsons. Carroll maakte hiervan gebruik door een aantal suggesties voor de arbitrage naar de aartsbisschop te sturen. Het resultaat was opmerkelijk: de uitspraak van de arbitragecommissie sloot vrijwel geheel aan bij de wensen van de studenten. Na de nodige concessies over en weer werd uiteindelijk een nieuwe regeling overeengekomen die na acceptatie door het parlement en koninklijke goedkeuring in augustus 1867 werd ingevoerd.

Endowment of the Greek Professorship (november 1861)

Alhoewel dit pamflet anoniem gepubliceerd is, lijdt het geen twijfel dat het van de hand van Carroll is. Het gaat over het salaris van Benjamin Jowett, die in 1855 tot Regius professor Grieks aan Christ Church was benoemd. Jowett geniet nog steeds bekendheid vanwege zijn vertaling van de dialogen van Plato, maar was ook theoloog. Een Regius Professor is een universiteitshoogleraar, aangesteld op basis van een koninklijke benoeming. De ‘normale’ hoogleraren werden benoemd door de dean en het kapittel en waren geestelijken van de Anglicaanse kerk. Voor de Regius professor was dat geen vereiste, maar dat had wel gevolgen voor de salariëring. De hoogleraren die door de dean waren benoemd kregen ruim £ 1000 per jaar, maar het salaris van de ‘leken-hoogleraren’ was nog gebaseerd op een besluit uit de 16e eeuw en bedroeg £ 40 per jaar. Dean en kanunniken weigerden echter het salaris van Jowett te verhogen; dit hing samen met enkele theologische opvattingen van Jowett die door sommigen (waaronder Carroll) als ketters werden beschouwd.
Op 20 november 1861 schreef Carroll in zijn dagboek dat hij, toen het onderwerp in de Congregation aan de orde kwam, had bepleit de discussie over het salaris los te zien van Jowetts theologische opvattingen. De volgende dag verscheen een circulaire “The Endowment of the Greek Professorship”, ondertekend door D.P.C. Daarin werd voorgesteld een eigen, afzonderlijk hoogleraarschap Grieks in het leven te roepen en de hoogleraar Latijn (John Conington) de plaats van Regius professor te geven. Dit was aanleiding voor Carroll om (zonder vermelding van zijn naam) zijn pamflet Endowment of the Greek Professorship te schrijven voor de Convocation.

Het is serieus van inhoud, ondanks de woordspelingen die erin verwerkt zitten. Carroll sprak zich in het pamflet uit tegen de salarisverhoging (al is niet helemaal duidelijk waarom) en verzette zich ook tegen een afzonderlijk hoogleraarschap zonder kerkelijke binding; hij deed echter luchtig over de vervanging van Jowett door Conington omdat daardoor een lastige kwestie uit de wereld zou zijn geholpen.
De situatie werd echter niet gewijzigd: Jowett bleef Regius professor met een laag salaris.

 

Benjamin Jowett, in 1876, door Leslie Ward

 

The New Method of Evaluation as Applied to pi (maart 1865)

In november 1864 kwam Jowetts salaris opnieuw aan de orde. Aanleiding was dit keer een brief in de Times waarin werd gewezen op het verschil tussen de honorering van de dean en het kapittel van Christ Church enerzijds en de vier leken-hoogleraren (waaronder Jowett) anderzijds. Nu gingen ook de studenten zich ermee bemoeien, omdat ze deze controverse meenden te kunnen gebruiken in de lopende discussie over hun eigen status. In een poging om de onrust onder de studenten te bezweren besloten dean en kapittel in februari 1865 om het salaris van Jowett te verhogen van £ 40 naar £ 500 pond per jaar en de verhoging te compenseren met een verlaging van hun eigen honorering.

Thomas Prout, de belangrijkste woordvoerder van de studenten, greep dit aan om vergelijkbare wijzigingen voor te stellen voor de onderbetaalde niet-wetenschappelijke staf. Carroll bezocht ook nu de vergaderingen van de studenten regelmatig, maar hij was nog steeds tegenstander van een verhoging van Jowetts salaris.
In maart 1865 publiceerde hij een pamflet The New Method of Evaluation as Applied to p, dat hij verspreidde binnen Christ Church. Het bevatte een parodie op het proces dat had geleid tot de verhoging van Jowetts salaris, in de vorm van een quasi-wiskundige uiteenzetting van diverse varianten voor de berekening van dat salaris, dat hij aanduidde als ‘p’: “Het probleem is de bepaling van een waarde voor p, die evenredig is met W” (waarbij ‘W’ staat voor het verrichte werk).
Het pamflet begon met de volgende toelichting (Wakeling 1993, p.20):

In vroege verhandelingen over dit onderwerp vindt men 40.000000 als waarde voor p. Latere auteurs vermoedden dat het decimaalteken bij toeval is verschoven, en dat de eigenlijke waarde 400.00000 was. Maar omdat de details van het proces dat tot dit resultaat leidde, verloren zijn gegaan, was er tot op heden geen voortgang geboekt op dit onderwerp, alhoewel diverse ingenieuze methoden werden uitgeprobeerd voor de oplossing van het probleem.

Het pamflet beschreef vervolgens met behulp van quasi-wiskundige termen en formules deze methoden, vier in getal. Eén daarvan betrof de eliminatie van J (Jowett): “Geruime tijd is al opgemerkt dat de belangrijkste belemmering voor de evaluatie van p, de aanwezigheid van J is” en “daarom is voorgesteld om J te elimineren”; dit bleek echter niet werkbaar “omdat J daardoor onbepaald werd.” Een andere methode was genoemd naar Arthur Penrhyn Stanley, fellow van het University College en een vriend van Jowett, die had voorgesteld om Jowetts salaris te verhogen. Carrolls variant van dit voorstel leidde echter tot een negatief resultaat; al was volgens Carroll de hoop gerechtvaardigd dat het in de toekomst met nieuwe wiskundige inzichten wel tot succes zou kunnen leiden. De conclusie in het pamflet was dat alle vier methoden onbruikbaar waren gebleken en Carroll voegde daarom een nieuwe, moderne methode toe die elders succesvol zou zijn geweest, “Evaluatie onder druk”. Deze methode bestond uit de substitutie van G (Grieks) voor P (Professor) en het uitoefenen van druk. De methode leidde tot een minimumwaarde voor p, maar dit werd slechts gezien als een eerste benadering. Herhaling van het proces onder voortdurende verhoging van de druk leidde tot het resultaat p = 500.00000. Carroll concludeerde als volgt (Wakeling 1993, p.25):

Dit resultaat verschilt aanmerkelijk van de verwachte waarde, namelijk 400.00000: er kan echter geen twijfel over bestaan dat het proces correct is uitgevoerd, en dat de geleerde gemeenschap gelukgewenst mag worden met de finale afwikkeling van dit bijzonder moeilijke probleem.

Dit pamflet heeft Carroll ook opgenomen in zijn bundel Notes by an Oxford Chiel.

The Professorship of Comparative Philology (februari 1876)

In 1876 stelde de Vice-Chancellor van de universiteit voor om Friedrich Max Müller, hoogleraar Vergelijkende Filologie en een vriend van dean Liddell, te ontheffen van zijn academische plichten om hem in staat te stellen zich te concentreren op zijn studie Oude Indiase literatuur. Hij zou de helft van zijn salaris als pensioen ontvangen en er zou een plaatsvervanger worden benoemd voor de andere helft van Müllers salaris.
Carroll was het er niet mee eens; hij zag het als een ongewenst precedent dat een nieuwe hoogleraar zou worden benoemd onder de noemer van plaatsvervanger voor de helft van het salaris maar wel met alle plichten. Hij publiceerde in een drietal korte notities, met als titel The Professorship of Comparative Philology, een strak logisch betoog waarin hij stelde dat het oneerlijk was om het salaris van iemand die een professor verving, te halveren: de post van hoogleraar zou het salaris moeten bepalen ongeacht wie de post bekleedde.
Maar hij kreeg zijn zin niet; het voorstel van de Vice-Chancellor werd geaccepteerd door de Convocation. Hoewel Carroll in het geheel niets tegen Müller persoonlijk had (hij was een vriend van de familie), kon de filoloog het niet vergeten en heeft hij het Carroll ook niet vergeven. Dit bleek bijvoorbeeld toen Müller jaren later het volgende over dean Liddell schreef (Cohen 2015, p.390):

Zelfs in de Universiteit waren er mensen die het niet konden verdragen dat hij hoog boven hen uit stak, […] niet alleen in gestalte, maar ook in karakter en positie. Nare dingen werden gezegd en geschreven, maar iedereen wist in welke smidse deze pijlen waren gesmeed.

dean Liddell ca. 1870

Dodgson door Mary Evans

Afsluiting

Ik sluit af met enkele algemene opmerkingen over de besproken pamfletten.
In deze en in andere, hier niet besproken pamfletten over universitaire aangelegenheden wordt duidelijk dat Carroll actief deelnam aan debatten over universitaire politiek. Hij leverde zelfs een aanzienlijke bijdrage aan de totstandkoming van de bestuurlijke vernieuwing van Christ Church, onder meer door handig gebruik te maken van een persoonlijke connectie.

Carroll schreef zijn pamfletten zonder aanzien des persoons, waarbij hij vaak direct inging tegen dean Liddell. Hij stond duidelijk voor zijn principes, bijvoorbeeld toen hij zich terugtrok als examinator omdat hij tegen de verlaging van de exameneisen was. Opvallend is dat hij zaken en personen goed wist te scheiden. Het duidelijkst is dat bij de ‘kwestie Müller’. Bij Jowett bepleitte hij om de discussie over het salaris te scheiden van de kritiek op diens theologische opvattingen. Het blijft echter wel onduidelijk waarom hij dan wél tegen de verhoging van het toch wel bijzonder lage salaris was.
Ten slotte kan worden opgemerkt dat in deze pamfletten, die anoniem of onder de naam Dodgson zijn gepubliceerd, zowel zijn wiskundige achtergrond als zijn literaire kwaliteiten duidelijk herkenbaar zijn.

 

Literatuur

  • Cohen, Morton, 2015, Lewis Carroll. A Biography, Macmillan.
  • Dodgson, Charles Lutwidge, 1874, Notes by an Oxford Chiel, Oxford, James Parker & Co.
  • Peeters, Carel, 2013, Het wonderland van Lewis Carroll, Amsterdam: Uitgeverij De Harmonie.
  • Wakeling, Edward (red.), 1993, The Pamphlets of Lewis Carroll, Volume I: The Oxford Pamphlets, Leaflets, and Circulars of Charles Lutwidge Dodgson, Charlottesville: University Press of Virginia (for the Lewis Carroll Society of North America).