Skip to main content Scroll Top

Carrolls anderhalve eeuw oude Snark wordt ‘sneer’

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Lewis Carroll, De Klopjacht op de sneer,
Vertaald door Robbert-Jan Henkes,
Met de originele illustraties van Henry Holiday, ingekleurd door Floris Tilanus,
Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2026.
ISBN 9789028264236
17,50 euro

De sneer leest als een speer!
Het is fantastisch dat er een negende (Klopjacht, p. 49) vertaling in het Nederlands van The Snark is verschenen en dat alle liefhebbers van ‘Alice’ die misschien begonnen in ‘The Hunting’ en het boekje na één of twee ‘fits’ teleurgesteld terzijde legden nu deze vertaling (maar misschien moet ik zeggen: bewerking) in één adem met een grote grijns of af en toe met een frons zullen uitlezen. Natuurlijk is het ook heerlijk het bizarre verhaal helemaal opnieuw tot je te nemen in Henkes’ taal.

In Phlizz van januari dit jaar vertelde de vertaler dat het woord snark al bestond voordat Carroll het gebruikte. Ook dat de portmanteau-idee (snail- of snake-shark) een “rationalisatie achteraf” (Klopjacht, p. 50) zou zijn geweest. Ik heb eigenlijk altijd voetstoots aangenomen dat het als één van de vele door Carroll bedachte kofferwoorden gezien moest worden.

In de moderne (school)woordenboeken Engels komt ‘snark’ niet voor evenmin als het werkwoord ‘to snark’. Volgens Henkes bestaat het werkwoord al wel in de tweede helft van de negentiende eeuw met onder meer de betekenis aanmerkingen maken en bekritiseren  en blijkt ‘sneer’ dus een mooie vertaling van ‘snark’! Overigens constateerde Ruizenaar al in 2001 dat hetzelfde woord ‘snark’ in het Westfries Woordenboek staat (p: 20, noot 6b). En, in het Engels bestaat ‘sneer’ ook en heeft het bijna dezelfde betekenis. Mooi is dat eveneens… maar misschien in zekere zin wat jammer want ‘sneer’ is voor iedereen een bekénd woord in tegenstelling tot ‘snark’ … voor mij is het vanaf nu in eerste instantie gewoon een ‘schimpscheut’ ! Iets verder ‘doorvoelend’ en de titel wordt De Klopjacht op onaardig zijn … een stapje verder: op het kwetsen, het kwaad en dat past weer aardig in de lange rij ‘verklaringen’ van het nonsensgedicht. Tja, als je de duivel tegenkomt is ‘t gebeurd met je!
Op de tweede bladzij van het nawoord motiveert Henkes dat hij koos voor klopjacht in plaats van jacht “om het ritme van de Engelse titel te behouden, dat overigens verschilt van de 583 regels van het gedicht”. Ik zou hier kiezen voor maat. Ritme is bovendien subjectief. Maat is redelijk objectief: de regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. In het origineel (veelal) de anapest en Henkes heeft dat metrum ook veel gebruikt. Trouwens, welk “gedicht” bedoelt hij eigenlijk? Carrolls Snark heeft 141 kwatrijnen en dus 564 versregels. De regels van Henkes heb ik niet geteld want hij heeft af en toe geen strofen en vaak verspringen de versregels trapsgewijs! Wat is dan een regel? Op bladzij 62 staat bovendien dat de Snark en de sneer allebei 583 regels hebben en ook evenveel woorden: 4462. Is dit een grapje? Moeten we alles natellen of is het “Oeps”?

De ondertitel: ‘Fits’ zijn ‘Krampen’ geworden
An Agony in Eight Fits (Carroll),  Een worsteling in acht dreunen (Geradts), Een zieltogen in acht toevallen (Spits), A Delirium In Eight Crises (Pourveur), Een doodsstrijd in 8 stuiptrekkingen (Ruizenaar), Een agonie in acht schokken (Kuijper),Van Weerden geeft geen ondertitel en van Schuurman en Vandenakker heb ik de teksten niet, maar Een stuip in acht krampen (Henkes) is dus al wel nummer negen in het Nederlands! Wordt de tekst uit ‘76/’77 van het Lewis Carroll Genootschap nummer tien? De ondertitel daarvan is nu (nog) dezelfde als die van Erdwin Spits … toeval?
De hoofdstukken krijgen ook een krampnúmmer: Kramp enig en zo voort tot en met, natuurlijk: Kramp achtig … ja, vind ik ook. Henkes waarschijnlijk ook en dan is het weer een grapje.
Het nawoord heeft als subtitel Een nastoot in negen horten. Elke Kramp krijgt een toelichting met veel rake opmerkingen, humoristische uitweidingen en vaak in ‘sneerstijlverzen’ (heel positief bedoeld) … hij dicht gewoon door! Heel bijzonder is zijn Kramp zeveneneenhalf, geschreven naar aanleiding van de drie bemanningsleden die amper een rol spelen in het verhaal, geschreven door ene J.A. Lindon die ‘terecht’ deze aanvulling bedacht; leuk! (Zie ook Gardner, p. 123). De negende hort bestaat uit de twee regels op blz. 62, hierboven genoemd, met de aantallen strofen, regels en woorden van Carroll en Henkes.
Een nahort in negen stoten, Een kramp in acht stuipen, ik raak de kluts een beetje kwijt, maar de ondertitel is Een stuip in acht krampen en dat staat pas op bladzijde 5; waarom niet eerder? Mijn voorkeur voor een subtitel gaat trouwens beslist uit naar een waarvan het eerste woord aangeeft dat het een tijdje duurt zoals worsteling, doodsstrijd of zieltogen ondanks dat de bakker “… suddenly vanished away”. Hij streed immers al zo lang. Die ‘stoten en horten’ is overigens wel weer een prachtige vondst.

Vertalen wat er niet staat
Robbert-Jan Henkes schreef het boekje Vertalen wat er niet staat waarin hij uitlegt wat vertalen eigenlijk moet zijn: recht doen aan het origineel! Maar wat vertelt het origineel? Er blijken en blijven altijd interpretatieverschillen.
Eigenlijk ‘vertalen’ we de hele dag want iedereen krijgt andere betekenissen, beelden en gevoelens bij elke waarneming! Open deuren … tja. En er is zoveel meer dan de woorden alleen: lees de tekst eens hardop of laat het gedicht voorlezen! Ook een open deur. “Lees maar, er staat niet wat er staat”, schreef Nijhoff in Awater.
De knipoog van Pourveur naar de kryptische woorden van de Hertogin uit Alice (p. 81 in de vertaling van Henkes) in zijn toneelbewerking van de Snark is een mooie illustratie: “Lees wat u graag had willen veinzen te lezen. Of indien u het wenst, eenvoudiger gesteld: verbeeldt u niet dat u iets anders leest dan wat anderen erin veinzen te lezen of dat wat u had kunnen lezen verschillend zou zijn van wat u anders had geveinsd.” Alles is immers altijd anders voor de ander!

Illustreren is ook een vorm van vertalen en laten zien wat er niet staat. Er zijn talloze voorbeelden te geven van ‘bewuste en misschien onbewuste vrijheden’ van illustratoren. Geradts tekent een bakker (de Wever) zonder bakkebaarden maar wel met een tamelijk normale bos haar zoals af te leiden is uit de tékst van Carroll: “The Baker with care combed his whiskers and hair,”. Ook Holiday’s illustratie (zie verderop) wijkt trouwens af van die tekst (zie Gardner, noot 35, p. 70). De bakker van Steadman lijkt een lange baard en idem snor te hebben en zijn haar, voor zover zichtbaar, behoeft geen kam, laat staan dat hij daaraan van het schip aan wal gebracht zou kunnen worden door de belleman.
Mahendra Singh heeft in zijn ‘stripsnark’ een enorm aantal vrijheden! Bij hem is in de bakker Dodgson duidelijk te herkennen. Dali, Margritte, Twain en vele anderen figureren er en je ziet Freud zomaar ergens op een stoeltje zitten; het behoeft geen betoog dat deze verbeelding/vertaling niet uit het origineel afkomstig is.

Gerardts

Steadman

Singh

Henkes laat in zijn taal af en toe de remmen ook los en maakt bijvoorbeeld van één kwatrijntje een strofe van 12 regels! Het betreft het vijfde kwatrijn van de vierde ‘fit’, The Hunting, waarin de bakker vertelt dat hij al meteen bij de landing in vier talen probeerde te vertellen wat hij weet van de Snark. Enkele vertalers maken van vier talen vijf; Henkes 26! Daar zijn ook verzonnen talen bij. De laatste twee verzen:

“het Jeremieers en het Janks, het Jammers en Jengels,
– maar helaas, en dat spijt me, dus niet in het Engels.”

Is dit héérlijk of snéérlijk of óver de tóp …? Je krijgt de neiging “dactiel-anapestisch” (p.54) door te galopperen en je voelt het plezier waarmee de Snark herschapen is, al is hier wel heel veel wat er niet staat.
Er zijn veel meer van die passages waarbij Henkes zich moeilijk kan of wil beperken. Nog een voorbeeld, over de bakker die naast zijn 42 koffers ook zijn naam vergeten is. In twee kwatrijntjes wordt door Carroll verteld welke namen hij van de bemanning krijgt … Henkes heeft er 17 regels voor nodig want hij bedenkt er precies 50! Eerlijk gezegd vind ik de opsomming minder sprankelend en eigenlijk veel te lang maar spannend blijft het toch want voor mij onbekende woorden blijken bijvoorbeeld een beest (Barbiroessa) te zijn of een zeemansterm (Walslurp). Veel zijn ook afkomstig uit de keuken, betreffen bakken en braden zoals Frituursma, Potje-is-Gaar, Stil-in-de-Koelkast en Ruikt-Aangebrand. Dinges is heel voor de hand liggend en komt terug als Dingetje-Dee in Kramp achtig als hij, de bakker, verdwijnt. Carroll heeft daar Thingumbob, een woord waarvan men aanvankelijk meende dat het door Carroll bedacht was. Zouden er door Henkes bedachte woorden in onze woordenboeken komen? Zijn die er misschien al?
Er zijn meer van die uitbreidingen zoals de ‘ornithologische’ informatie over de vogel JubJub van de beenhouwer in Kramp vijvig. De schreeuw van Henkes’ JubJub is “scherper, zerper en knerpender” dan die van vele andere vogels, uit de mythologie van oude culturen of gewoon van de vogel BisBisBis (met drie maal B!) ‘waar iedereen zo Bang voor is’ van ons aller Annie M.G. Schmidt. Bijna aan het eind van Fit the Fifth staan nog vier kwatrijnen met meer info over de JubJub. Daar volgt Henkes het origineel op de voet maar de versregels die alle (enigszins geforceerd) rijmen op uur zet hij achter elkaar met uitzondering van de laatste twee die met mooi binnenrijm -net als Carroll veel toepast- op uit eindigen:

“Fruit hem en kruid hem met scheepsbeschuit,
maar maak als je kookt niet het minste geluid.”

Vertalen wat er niet staat … er is in anderhalve eeuw een boekenkast vol over de Snark geschreven en al heb je alleen maar Gardner gelezen of enkele vertalingen dan beïnvloedt dat jou uiteraard en er komt misschien steeds meer van wat er niet letterlijk staat in je vertaling. In hoeverre al die ideeën over de Snark bij Henkes een rol speelden is natuurlijk niet na te gaan en dat hoeft ook niet. Het is maar schijn dat de “sneergeest” alleen de vertaler te pakken heeft en met hem “wegpfeerdend” teugelloos op hol slaat want in volle galop rijdt de lezer mee, volop on-zingevend genietend! Plezier in het lezen, plezier in het zijn: betekenaren zonder betekenissen?
‘Wat er niet stond en nu wel’ doet recht aan het origineel en tast bovendien geenszins de autonomie aan van  Carrolls gedicht en je zou het graag zonder alle bekende “voorwoord- en inleidbagage” (noot p. 54) eens onbevangen opnieuw willen lezen, ook deze vertaling, maar ja.

Jabberwocky
Even een uitstapje. In het eerste hoofdstuk van Through the Looking-Glass leest Alice in spiegelschrift het beroemde gedicht Jabberwocky en hoewel ze het niet meteen begrijpt, constateert ze wel dat iemand iets heeft gedood. De Jabberwock is verslagen door een jongetje met een ‘vorpal’ zwaardje! Het gedicht bevat een groot aantal door Carroll bedachte woorden waarvan er acht in The Hunting staan. In de Jabberwocky-volgorde: mimsy, outgrabe, Jubjub, frumious, Bandersnatch, uffish, galumphing en beamish. In Henkes’ vertaling van TtLG zijn dit geworden: mimsisch, bedreegst, Jubjub, fruumse, Bandersnaay, uffs, teruggepfeerd en “my beamish boy” wordt “jonge held”. Ik weet het niet helemaal zeker maar ik heb slechts twee ervan kunnen terugvinden in De Klopjacht: de JubJub en de bandersnaai. Inderdaad, de eerste twee en de tweede géén hoofdletter en de i was een y. (Over hoofdletters is hij overigens heel duidelijk in zijn epiloog “Een nastoot in negen horten” (p. 50): “Zonder hoofdletters (…) aangezien kapitalisatie in dit soort gevallen een Engelse en niet direct Nederlandse conventie is.”) Waarom de vertaler de zes andere woorden niet gebruikt heeft (als dat inderdaad zo is), geen idee.

Nog een uitstapje binnen dit uitstapje: In de Aantekeningen bij zijn vertaling van Wonderland en Spiegelland schrijft Henkes: “Jabberwroke – ongetwijfeld, na het Onzevader, het bekendste nonsensgedicht ter wereld.” Waarom deze in mijn ogen overbodige-onnodige wellicht kwetsende sneer naar gelovige mensen voor wie het Onzevader erg belangrijk is.

 “Vorm of Vent”
In de jaren zestig van de vorige eeuw speelde de discussie sterk over of en in hoeverre je bij het interpreteren van teksten (en kunst in het algemeen) het leven van de auteur moest betrekken of juist alleen maar moest uitgaan van het op zichzelf staande kunstwerk. Tja, Carroll draagt het verhaal op aan Gertrude Chataway in een moeilijk te vertalen ‘dubbel acrostichon’. Dit meisje heeft verder niets te maken met de Snark. Carrolls voorwoord echter wel. Helemaal in stijl leidt hij de lezer het nonsensverhaal in. Kwaad kan het niet dit weg te laten maar naar de reden mag men raden: het gedicht kon beter zonder, zegt de vertaler (p. 54). Maar onderstreept het de gedachte dat we in zijn ogen het gedicht optimaal autonoom moeten ervaren? Zullen er lezers zijn die nog nooit van Carroll hoorden? Ja, ik vroeg het me wel vaker af: wie zijn de lezers van vertalingen van zulke beroemde auteurs eigenlijk? Lazen zij niet allen al het origineel? Het was niet in het ‘Jengels’ geschreven, toch? Ik vind het heerlijk, een Snark met ‘een Gardner’ ernaast.

Perspectief
Wie schrijft er eigenlijk, wie vertélt het verhaal:

“De jacht op het wezen
(de klopjacht bij mij)
zit allereerst stikkensvol spanning,
vandaar dat ik
puzzelend,
proevend en testend,
na wikken en wegen,
tot slot
niet voor zij koos maar wij,
want met wij hoor je onverwacht
                         bij de bemanning:
wij is een afspraak, suspensie van ongeloof,
listig,
doortrapt,
een complot.”  (Vierde “hort” van de “nastoot”, p.53)

En in de laatste Kramp  het plotselinge verdwijnen van “ons Dingetje Dee” (p.46):

Tot hij op slag in de afgrond verdween,
als geraakt door een soort dubieus fenomeen,
en wij stonden ademloos, wij stonden sprakeloos,
stonden genageld, bevroren als steen.

In de eerste “hort” van de “nastoot” dicht de vertaler dus door: “Wij, de bemanning, de jagers-vertalers, wij waren met negen, / zijnde: (…)” en dan volgt de opsomming van allen die dit ‘vertaal-jacht-avontuur’ aangingen. Fijn, hoe Henkes hier heel kort de vertaalgeschiedenis speels dichtend weergeeft en dus met ‘WIJ’ ieder erbij betrekt. Het ‘wij-perspectief’ vind ik wat lastig in De droom van de baliepleiter in Kramp zessig. Toch zijn we hier ook als lezers allemaal bij en net als in een ik-roman is de kans groot dat je je als lezer (min of meer) identificeert met de ‘wij’ in alle acht krampen van de Klopjacht.

The sudden Vanishing
En, het is u waarschijnlijk net opgevallen in het kwatrijntje hierboven dat zelfs het inspringen van de tweede en vierde versregel conform het origineel is … evenals Carrolls vaak gebruikte binnenrijm. Je maakt als lezer met de maat als basis er ritmisch makkelijk muziek mee. Het is geen kwatrijn van 42 lettergrepen wat in het origineel een twintigtal keren voorkomt zoals het allerlaatste met de perfecte anapest en het meest door Carroll gebruikte schema abab:

In the midst of the word he was trying to say,
In the midst of his laughter and glee,
He had softly and suddenly vanished away –
For the Snark was a Boojum, you see.

Het laatste kwatrijn van Henkes heeft ook was cursief en ook hier laat hij de tweede en vierde regel inspringen; Carroll doet dat aldoor. Wat Henkes’ ‘inspringcriteria’ zijn, geen idee. Ook geen 42 lettergrepen maar wel een prachtige anapest, een sterke alliteratie en de vele lange ee’s om de streek van de BOJEM te onderstrepen.

We zochten hem in het ravijn nog een week
er was niets van hem over, geen stofje, geen steek,
hij was langzaam verdwenen, gesneefd, afgeleefd….
Want de sneer was een BOJEM – zo bleek.

Geen van de “jagers-vertalers” (die ik las) laat de bakker “langzaam” verdwijnen; waarom hier wel?Bovendien in het hierboven ook geciteerde kwatrijn verdwijnt de bakker “op slag”!
In de laatste regel wordt de sneer nog genoemd evenals bij Carroll de Snark. Jammer dat de sneer niet in de allereerste versregel staat: “JUST a place for a Snark! (…)”. Henkes noemt hem (“hij”) pas in de derde regel.

Het boekje
Op de voorkant van het paperbackje staan -mooi met de geringe bolling van het zeil mee- de namen van auteur en van de vertaler en daartussen de titel De klopjacht op de sneer. Die sneer komt er wel wat bekaaid af vergeleken met de boekomslag van het origineel. Daar staat in de grootst mogelijke kapitalen: SNARK. En, geen auteursnaam maar wèl de initialen van Henry Holiday. Dat komt doordat de afbeelding op de paperback kaderloos (en nog wat extra afgesneden) is overgenomen van de eerste uitgave. De initialen linksonder verdwenen dus evenals het bovenste deel van de schippersmuts van de belleman. Ook zijn de reefknuttels weg en enkele sterren verdwenen; storend voor wie dat weet en meteen ziet! Achterop staat wie ‘voor voorop verantwoordelijk’ was … maar wat je eerst ziet is dat Holiday opeens Harry heet. Net zoiets als Carroll met één r of één l wat je dikwijls tegenkomt … zoiets mag niet gebeuren. Ook staat meestal de ondertitel ook op de titelpagina … Maar er is meer waar het boekje van sneert. Het papier is zo dun dat je de illustraties aan ommezijde ziet, zelfs als er geen licht van die kant komt. Heel erg storend is dat de lege leegte van het ‘Absolute’ nu met letters is gevuld. De zeekaart was toch blanco! Ik vind dit Van Oorschot onwaardig en hoop dat de genummerde, luxe editie deze mankementen niet heeft.

Over Floris Tilanus’ kleuren, net als in Wonderland en Spiegelland, niets dan lof! Kleuren zijn trouwens ook betekenaren; bovendien hebben we het werkwoord “inkleuren” in de figuurlijke betekenis! Het is dus ook Tilanus’ ‘vertaling’ in dubbele zin.

Holiday’s  bakker

Maar er is nog veel meer moois
Dat er een spelende taalvirtuoos aan het werk was, is wel duidelijk. Dat hij bovendien het origineel in zekere zin verrijkt, ook. Lang geleden, op school, leerden we over ‘translatio, imitatio en aemulatio’ … over hoe de klassieken in onze ‘u-weet-wel-welke-eeuw’ herschapen, herboren werden waarmee naast historische wetenswaardigheden ook nieuwe ‘schone letteren’ in onze taal, in onze cultuur werden doorgegeven en opgenomen. Met deze bewerking, en dat mag je eigenlijk wel zeggen, zijn we rijker geworden. Ik moet dan ook eerlijk bekennen dat het leesplezier van de De klopjacht veel groter was dan de eerste lezing van de Hunting. Aanvankelijk nogal sceptisch door de eigenzinnige overdadigheid af en toe werd ik meer en meer meegenomen in De klopjacht (die trouwens geen ‘echte’ klopjacht is in de oorspronkelijke betekenis). Ik ontkwam niet aan het besef dat onzin zin impliceert en dat bracht me naar ‘zijn’ en ‘niet zijn’. Daarover is natuurlijk heel veel geschreven en of The Hunting of the Snark en De klopjacht in het denken daarover bewust bedoeld bijdragen, doet er niet toe; het gebeurt! Henkes heeft er nog een schep bovenop gedaan.

Toch spreekt in mij ondanks alle positieve woorden over deze bewerking nog steeds een klein stemmetje dat die 141 kwatrijnen weer ‘gewoon’ 141 nieuwe sprankelende kwatrijnen hadden moeten worden. Ja, een Shakespeare-sonnet moet in het Nederlands toch ook weer een Shakespeare-sonnet worden?

En, Henkes kan het prachtig:

De reis was exotisch, chaotisch, veelkantig,
de schrijver neurotisch, astrantig, parmantig,
de tekst tongue-in-cheeky, zelfbewust en ironisch
gratuit jabberwocks soms, clown- c.q. klonisch.

Tot slot
Er blijft veel te vertellen over; er liggen nog briefjes met aantekeningen en het boekje, een ‘werk-exemplaar’, bevat ook nog opmerkingen (in potlood). Het gaat dan over kleinigheden zoals dat in de eerste 17 bladzijden het woord “exact” negen keer gebruikt wordt. Ik vind dat niet alleen een lelijk woord maar soms vind ik “exactly” wel terug bij Carroll. Of het gebruik van kapitalen: “HEEL” in het eerste couplet van Kramp vierig; ik wilde gaan kijken of er een relatie is (ook) met cursivering bij Carroll. Ook overwoog ik de vraag te stellen of dat rijtje talen dat de bakker spreekt niet met Néderlands zou moeten eindigen en nu vraag ik dat dus toch. Steeds wilde ik nog iets zeggen over het ‘Carroll-getal’ 42, vooral in relatie tot de 14 versvoeten van het ‘Carroll-kwatrijn’ en een kleine uitbreiding geven van de indrukwekkende rij betekenissen of associaties die Ruizenaar op een rijtje zette, maar dat kan later nog wel eens. Of over het ambachtelijk van het vertaalwerk: “en ik timmer en zaag, / ik stut en ik schraag, / ik steun en ik schoor, / ik schroef en ik boor, /(…)/ ik lijm en ik schuur, / plamuur me het zuur / en vijl me halfgaar, maar dan is het klaar, / en hoeft het niet meer / en ziedaar.” Wat is het Laputa-project, wie was Raymond Roussel of de vogel Tenyu. Overdaad schaadt, zegt Henkes zelf, en waarom gebruikt hij het woord “moed” of “moedig” 9 keer in Kramp zevenig? Van die dingetjes,

Henkes telde de woorden, de regels, de strofen … hij, op zijn eigen wijze, vertelde, vertaalde ze van Carroll. Tellen is vertellen, rekenen is taal, grammatica is logica, is wiskunde, is Carroll. Meten is weten, maar ‘The map is not the territory’, inderdaad een blanco kaart! We weten niks: sneerlijk!

In NRC van 15 augustus schreef Bas Heijne naar aanleiding van de vele beschouwingen over de film The Odyssey: “Keer op keer moest ik lezen of de keuzes van de Brits-Amerikaanse regisseur wel verantwoord waren, of de vrijheden die hij zich permitteerde wel oké waren of juist totaal niet. En wat de oude Grieken er wel niet van gevonden zouden hebben.” (…)
“Vrijwel alle commentaren op The Odyssey bewegen zich binnen dat stramien. Klopt het, deugt het, mag het? Dat is een vrij achterlijke, en ook luie, opvatting over wat kunst is. Een kunstwerk is geen geschiedenisles. Of een cursus maatschappijleer. En al helemaal geen tribunaal.”

Wat zou Lewis Carroll van De klopjacht op de sneer vinden?

 Genoemde boeken:

Lewis Carroll, THE HUNTING OF THE SNARK, an Agony in Eight Fits., With nine illustrations by Henry Holiday, Macmillan and Co, London, 1876.
—, The Hunting of the Snark, An Agony in Eight Fits, 1876.
in: The Annotated Snark, edited by Martin Gardner and the original illustrations by Henry Holiday, Penguin, 1974 (1962).
—, The Hunting of the Snark, An Agony in Eight Fits, Illustrated with innumerable lines by Ralph Steadman, Michael Dempsey, London, 1975.
—, De Jacht op de Trek, vertaald door Erdwin Spits, verlucht door Inge Vogel, Uitgeverij J. Couvreur, Den Haag, 1977.
—, De Jacht op de Strok, Een worsteling in acht dreunen, Eerste Editie, vertaald en geïllustreerd door Evert Geradts, Drukwerk, Amsterdam, 1977.
—, The Hunting of the Snark, (A Delirium In Eight Crises), van Paul Pourveur naar Lewis Carroll, Dedalus, Antwerpen, 1987.
—, De Jacht op de Snark / The Hunting of the Snark, Een doodsstrijd in 8 stuiptrekkingen, Met de originele Engelse tekst vertaald en van annotaties voorzien door Henri Ruizenaar, Geïllustreerd door Jan te Wierik, Oldenzaal, 2001.
—, The Hunting of the Snark / De Jacht op de Slaai, An Agony in Eight Fits / Een agonie in acht schokken, Vertaald door Jan Kuijper, Met de originele illustraties van Henri Holiday, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2007.
—, The Hunting of the Snark, An Agony in Eights Fits, Illustrated by Mahandra Singh, Melville House, Brooklyn/New York, 2010.
—, De Jacht op de Snark, vertaald en geïllustreerd door Tom van Weerden, Uitgeverij Vliedorp, Houwerzijl, 2013.
—, Alice in Wonderland & Alice in Spiegelland, vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Robbert-Jan Henkes, met de illustraties van John Tenniel, ingekleurd door Floris Tilanus, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2024.

Deze tekst is op 9 september naar de redactie van Phlizz gestuurd. Na 26 september, de dag waarop Robbert-Jan Henkes op het symposium van het Lewis Carroll Genootschap over zijn Klopjacht gaat vertellen, is er niets meer aan de tekst veranderd.

Leens, 7 september 2026