Skip to main content Scroll Top

Alice voor jongere kinderen

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Op 26 september waren Jeska Verstegen en ik te gast op het jaarlijkse symposium van het Lewis Carroll Genootschap. We werden daar geïnterviewd over Alice tuimelt in Wonderland, de bewerking die ik van Alice maakte voor iedereen vanaf zeven jaar en ouder (6+ voorlezen) en over de illustraties die Jeska daarbij maakte. Het werd een vrolijk uurtje, waarin er van alles voorbijkwam, maar tot mijn verbazing kwamen er vrijwel geen vragen uit de zaal. Later vroeg ik mij af hoe dat heeft kunnen gebeuren, en de enige reden die ik ervoor kon bedenken, is dat het merendeel van de aanwezigen het boek kennelijk niet had gelezen. Wonderlijk, voor leden van dit genootschap, maar was de reden daarvoor misschien geweest dat mijn bewerking er een is waar ook jongere kinderen van kunnen genieten, en dat volwassenen dan denken ‘voor kinderen, dus niks voor mij’? Het antwoord daarop weet ik niet, maar omdat ik tijdens het interview weinig heb kwijt gekund over mijn vertaalkeuzes, en ik pas achteraf bedacht dat ik daar zelf iets over had kunnen zeggen, vind ik het leuk om daar in dit medium alsnog wat woorden aan te wijden.

Want wat een klus is het om een boek als Alice, dat bol staat van de taalgrappen en verwijzingen om te zetten in een andere taal, waarin je moet zien te proberen om om daarvoor in het Nederlands vergelijkbare taalgrappen te vinden die het ook ‘lekker doen’.

Neem alleen al de woorden history and geography, waar Carroll mystery and seopgraphy van maakte. Wat doe je daar in het Nederlands mee, zodat het én geestig is én overduidelijk refereert aan geschiedenis en aardrijkskunde? Toen ik aan deze hertaling/bewerking begon, haalde ik alle vertalingen in huis die er tot dan toe verschenen waren, en in deze specifieke vertaalkwestie kwam ik vertalingen tegen als mysterie en zeeografie, geheimenis en paardrijkunde, geschiedvoorniks en waterrijkskunde, vergetenis en aanwijskunde. De ene keuze vond ik sterker dan de andere, maar wat ging ik er zelf mee doen? Ik wilde sowieso woorden verzinnen die voor kinderen ook meteen hout sneden. Uiteindelijk kwam ik op misschiedenis en aandrijfkunde (het laatste ook omdat het immers over lessen op de zeeschool ging). Ik geef eerlijk toe dat ik gejubeld heb toen die vondsten mijn hoofd binnen zeilden.

Zo barstte het van de taalgrapjes die ik ook voor een jonger publiek aantrekkelijk wilde zien te vertalen. Want wat maak je van reeling and writhing (reading and writing), en wat hadden anderen daar al mee gedaan? Ik kwam onder andere wezen en blijven tegen, leven en rijpen, vrezen en drijven. Maar ook lui zijn en schreeuwen, wat dan wel te maken had met de woorden reeling and writhing, maar waar in het Nederlands de taalgrap dan weer mee verdwijnt. Wat ik ervan heb gemaakt: racen en drijven. Drijven was al eens gebruikt, maar heeft een link met aandrijfkunde. en is een mooie tegenstelling van racen.

Hiermee heb ik nog maar twee hoofdbrekens beschreven, en heb ik het nog niet gehad over de taalgrappen die Carroll maakte met betrekking tot rekenen, waarin hij bijvoorbeeld addition verruilde voor ambition, substraction voor distraction en division voor derision.
Ik dus weer naar de bestaande vertalingen waarin ik o.a. opsnijden, afbekken en stelen tegenkwam, en opzwellen, afbekken en helen.
Na veel gesoebat koos ik zelf voor iets heel anders, zeker ook met jonge kinderen in gedachten, die ik met betrekking tot rekenen een speelse taligheid gunde. Ik besloot dat de dieren deze vakken kregen: goedrekenen, foutrekenen, omrekenen, afrekenen, aanrekenen en inrekenen.

Door naar Latin and Greek, door Carroll verbasterd in Laughing and Grief. Mijn voorgangers hadden van Latijn en Grieks bijvoorbeeld Grieps en Chagrijn gemaakt, Potjeslatijn en Griep of Venijn en Grieps. Nu was ik aan de beurt. Weer een weekend lang zitten dubben, tot ik dit bedacht:

‘En ik heb het nooit geleerd,’ zei de griffioen, ‘geen tijd voor. Ik kreeg wel les in oude talen, van een bejaarde zandkrab. Hij gaf de vakken Fries en Kwatrijn.’
Van Fries had Alice weleens gehoord, en een kwatrijn was een vierregelig vers, wist ze.

Uitleg van mijn kant: Fries is ook een oude taal en leuk voor Friese kinderen, Kwatrijn is een al vierregelige versvorm dat al eeuwen bestaat en die ik ook in mijn hertaling heb gebruikt. De meeste (voorlezende) volwassen zullen de link met Grieks en Latijn er meteen in herkennen.

Nog twee dingen: de Cheshire kat en het staartvers. Ik heb van beide gelukkig geen slapeloze nachten gehad, maar het heeft wel even geduurd voordat ik iets verzon.

De Cheshire kat houdt je steeds voor het lapje door om de haverklap te verschijnen en te verdwijnen, dus bedacht ik Lapjeskat. Ik heb een aantal van de eerdere vertalers wel met hun vondsten geeërd door dit ermee te doen:

‘Hoe heet uw kat en waarom grijnst hij zo?’
‘Ach, hoe dat beest allemaal al niet is genoemd,’ verzuchtte de hertogin.
‘Tsjesjur kat (‘wat je heel anders schrijft dan hoe je het zegt,’ zei de hertogin erachteraan), Kolderkat, Grijnskat, Lachjeskat, Grapkat, Gniffelkat, noem maar op. Terwijl hij gewoon Lapjeskat heet.’
Alice bekeek het beest eens goed. Hij zag er niet uit als een lapjeskat, je zou eerder denken dat hij een vacht met een schaakbordpatroon had aangetrokken (als dat al kon, dacht Alice).
‘Waarom heet hij zo?’ vroeg ze dus.
De hertogin keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Omdat-ie je altijd voor het lapje houdt, natuurlijk, of weet je niet wat dat betekent?’
‘Tuurlijk wel, dat betekent iemand foppen, in de maling nemen, voor de gek houden. Maar hoe houdt hij je dan voor het lapje?’
De hertogin keek haar aan alsof ze de allerdomste vraag ooit had gesteld. ‘Door te verschijnen en te verdwijnen wanneer-ie daar maar zin in heeft, en dat vindt-ie zelf kennelijk reuze grappig.’

Tot slot iets over het beroemde staartvers, dat in boeken meestal ook in staartvorm wordt afgebeeld. Een tekst waar voor jongere kinderen weinig chocola van te maken valt, vind ik (voor mij als volwassene overigens ook niet), maar gelukkig stond in de Alice annotated het allereerste vers dat Carroll ooit had geschreven (dat uiteindelijk niet in het boek terechtgekomen is):

We lived beneath the mat,
Warm and snug and fat,
But one woe, and that
Was the Cat! To our joys a clog,
In our eyes a fog,
On your hearts a log,

Was the Dog!
When the Cat’s away,
Then the mice will play,
But alas! one day,
(So they say)

 Came the Dog and Cat,
hunting for a Rat,
Crushed the mice all flat,
Each one as he sat,
Underneath the mat,
Warm and snug and fat,
Think of that!

 Een lekker versje, maar voor de vaart die ik in dat hoofdstuk beoogde, wat aan de lange kant. Ik heb er een sterk ingekorte versie variant van gemaakt, waarin de sfeer toch behouden bleef

Drie muizen woonden achter een muur,
een kat maakte hun het leven zuur.
Geen muis ging het hol uit en op pad, als hij thuis was, die nare kat.

 Er was ook een hond, die was oké,
die ving geen muizen, dus dat viel mee.
Totdat die hond een rat nazat, en – pats! – doodsloeg op de keukenmat.

 Je snapt natuurlijk dat…

Daarna gaat het verhaal over Alice verder.

Tijdens het interview kwam overigens de vraag waarom ik ‘De kat van ome Willem’ in het boek had gestopt. Ik had daar wel antwoord op, maar eenmaal thuis realiseerde ik me pas het antwoord dat ik had móéten geven: het oorspronkelijke vers gaat over een zekere Willem, dus dat paste prima. Ten tweede heb ik alleen het eerste couplet gebruikt en daarvan alleen nog maar de eerste twee regels, de rest heb ik verzonnen, en gaat in feite over het fenomeen tijd dat in Alice een wonderlijke rol speelt:

‘De kat van ome Willem is op reis geweest.
Waar reisde hij dan heen?
Hij was zeven weken naar een heel raar land geweest,
of was de reis maar zeven dagen, of vijf of zes of één…?
Of was het geen echte reis, maar een droom van tien seconden?
Nou, die kat kon vertellen wat-ie wou,
maar niemand wist of ze hem geloven konden.’

Hoewel ik nog tig vertaal- en hertaalkeuzes zou willen noemen, houd ik jullie niet langer op. Ik heb met enorm veel liefde en enthousiasme mijn tanden in dit wonderlijke verhaal gezet om het toegankelijker te maken voor een jonger publiek, goed rekening houdend met een lekker voorleesritme – niet alleen voor kinderen die zelf nog niet kunnen lezen, maar ook voor de kinderen die dat al wel kunnen. Gezien de enthousiaste reacties van leerkrachten en grootouders ben ik daarin geslaagd, zeker ook mede te dankan aan de werkelijk magische illsutraties van Jeska.

Wie weet heb ik je door dit stuk nieuwsgierig(er) gemaakt, en rest mij te zeggen dat deze uitgave alleen al door de illustries van Jeska een juweel is om in je boekenkast te hebben staan, ook als je al lang en breed volwassen bent, zodat je er nog eens doorheen kunt bladeren. Met of zonder een kopje thee erbij.