
Boekbespreking van:
Alice in Verwonderland. Een droomreis door de filosofie
Auteur: Roger-Pol Droit
Vertaling uit het Frans: Toon Dohmen
Uitgever: Ten Have
467 pag., € 23,99
ISBN 978 90 259 1389 2
Oorspronkelijke Franse titel: Alice au pays des idées. Comment vivre?
Een boek dat op de achterkant wordt aangeprezen als een combinatie van de toegankelijkheid van De wereld van Sofie en de absurdistische logica van Lewis Carroll kan ik natuurlijk niet laten liggen. Op de cover lees ik: “Alice piekert over de toekomst van de planeet, over de mensheid, en over haar eigen leven. Op zoek naar houvast in een tijd vol verwarring en dreiging, tuimelt ze in een konijnenhol: het begin van een wonderlijke reis door de ideeëngeschiedenis […] Onderweg ontdekt Alice dat denken geen luxe is, maar noodzaak.” De auteur is de Franse filosoof Roger-Pol Droit die ook bekend is als columnist van Le Monde.
Hieronder zal ik drie aspecten van het boek bespreken. Eerst geef ik een kort overzicht van de inhoud, vervolgens bekijk ik in hoeverre er een relatie is met Alice in Wonderland, en ten slotte ga ik in op de waarde van het boek als historisch overzicht van de filosofie.
De inhoud
Het boek beoogt een overzicht te geven van de geschiedenis van de filosofie. De hoofdpersoon, Alice, voelt zich onzeker en maakt zich zorgen over de toekomst van de planeet. Ze vraagt zich af of de mensheid zal overleven en wat ze met haar eigen leven moet. Concreet zou ze graag een levensles op haar arm laten tatoeëren die voor haar als een voortdurende leidraad zou kunnen fungeren.
Haar naam is Alice omdat haar moeder een liefhebber is van de Alice-boeken. “Jij bent mijn Alice, mijn eigen wonder”. Vaak liep Alice, toen ze klein was, met haar moeder in de tuin om te kijken of er een konijnenhol was. Nu doet Alice dat weer, en warempel: weliswaar geen Wit Konijn maar wel een groot gat waar ze in valt, langzaam en diep, om ten slotte te landen op een stapel dorre bladeren. Daarmee begint haar reis door de tijd en de wereld.
Eerst ontmoet ze haar toekomstige metgezellen: twee kleine roze muizen, tweelingzusjes met de namen ‘Gekke Muis’ en ‘Slimme Muis’. De muizen leggen haar uit dat ze in Verwonderland is. “Wat gebeurt daar zoal?” wil Alice weten. ALLES, dus, en dat alles draait om de ideeën in je eigen hoofd en in dat van anderen, in boeken, kranten en gesprekken. Al die ideeën zijn te vinden in Verwonderland en het is belangrijk ze te onderzoeken. Daarom wordt Verwonderland ook wel Ideeënland genoemd. Er komen meer metgezellen: een kangoeroe die toegang heeft tot alle informatiebronnen en in de loop van het verhaal een rondspringende wikipedia blijkt. En Fee Ja-Maar aan wie Alice zo nodig hulp kan vragen; haar taak is om mensen eraan te herinneren dat alles twee kanten heeft. De muizen benadrukken dat Verwonderland een vrij land is, je mag denken wat je wilt op voorwaarde dat je je gedachten kunt onderbouwen.
De rondleiding begint met een bezoek aan een Witte Koningin die in een paleis woont dat wordt bevolkt door vertalers, bibliothecarissen en archivarissen en waar de tijd lijkt stil te staan. Het bevindt zich midden in Verwonderland en van daaruit kun je je richtingen kunt kiezen. Bestaat Verwonderland echt? “Goede vraag, Alice! Sommigen zullen zeggen dat het land echt bestaat, buiten ons hoofd, net als andere landen. Maar anderen zullen volhouden dat dit land alleen maar in ons hoofd bestaat, in onze gedachten.”
De reis gaat door de Oudheid (Grieken, Romeinen), de oosterse filosofie, het humanisme, rationalisme, de verlichting en de moderne tijd. Alice ontmoet de grootheden uit de geschiedenis van de filosofie die ze steeds ondervraagt, met in haar achterhoofd de wens om de ultieme quote voor de tatoeage te vinden.
Alice verplaatst zich op velerlei manieren door ruimte en tijd: ze wordt meegevoerd door een modderstroom, ze valt in slaap en wordt wakker op een andere plek en ze stapt in een tijdscapsule of op een vliegend tapijt. Met het vliegend tapijt verplaatst ze zich bijvoorbeeld van Avicenna (jaar 1000, in de buurt van Bagdad) naar Montaigne (jaar 1585, in Frankrijk). Wanneer je je als lezer zo’n reis door ruimte en/of tijd probeert voor te stellen, word je geconfronteerd met allerlei praktische problemen, maar de auteur ziet daar voor het overgrote deel van af. Muizen en kangoeroes kunnen praten (in dezelfde taal als Alice), tapijten kunnen vliegen, enzovoorts, maar de vraag hoe Alice met de filosofen kan communiceren krijgt wel aandacht: daartoe beschikt ze over een vertaal-app. Alice beschikt ook over apps voor informatie en zo is ook ineens de vraag naar wifi relevant. De selectie van de in het boek geadresseerde praktische kwesties is op zijn zachtst gezegd wat willekeurig.
De ontknoping is weinig verrassend. Krijgt Alice haar vraag naar de ultieme quote beantwoord? Nee, want één levensles kan nooit volstaan. “Het leven onttrekt zich voortdurend aan zulke wijsheden.” In de boekbespreking in Filosofie Magazine stelt Michel Dijkstra de voor de hand liggende vraag of daar nu een vierhonderd pagina’s lange tocht voor nodig is.
Aan het eind van het boek vraagt de moeder aan Alice of ze lekker heeft geslapen, maar Alice kan zich niet voorstellen dat ze alles heeft gedroomd. En dan komt bij de post een pakje van haar opa met zijn nieuwe boek: Alice in Verwonderland.
De relatie met Alice in Wonderland
Vanuit een Carrolliaanse invalshoek valt uiteraard onmiddellijk de titel op: “Alice in Verwonderland”. De link met Carrolls titel is in het Nederlands explicieter dan in het Frans: “Alice au pays des idées”. Het verhaal doet oppervlakkig bezien inderdaad aan Wonderland denken: de hoofdpersoon heet Alice en het begint – zij het zonder wit konijn – met een val in een konijnenhol. Vervolgens komt Alice in een aantal verrassende situaties terecht waarbij ze haar onbekende wezens ontmoet. In de loop van het verhaal wordt Alice steeds zelfstandiger.
Maar de wezens die ze tegenkomt, zijn – afgezien van haar metgezellen – dit keer allemaal mensen en ze zijn ook helemaal niet zo vreemd. Ze kramen ook geen onzin uit. Alice begrijpt ze niet altijd, maar dan krijgt ze keurig uitleg. In de eerste fase van de reis legt de fee aan Alice uit waar het om gaat: “Je zoekt naar een manier om je staande te houden in de wereld van vandaag de dag. Je bent bezorgd en angstig, en je kunt niet wachten tot je alles weet. Wij willen je helpen te begrijpen hoe deze wereld die je angst aanjaagt is ontstaan. Door met eigen ogen te zien waar deze wereld vandaan komt, zul je beter in staat zijn antwoorden te vinden.” Met andere woorden: de ‘echte’ wereld is onbegrijpelijk en Verwonderland helpt om daar wegwijs in te worden: Alice probeert kennis te vergaren door een goede gesprekspartner te zijn. Bij Carroll is het andersom: Wonderland is onbegrijpelijk en Alice probeert met gezond verstand overeind te blijven bij alle nonsens.
De metgezellen van Alice zijn wel enigszins vreemd: de muizen, de kangoeroe, Fee Ja-Maar en de Witte Koningin, maar die zijn niet vervelend of bedreigend: integendeel, ze proberen Alice alleen maar te helpen om de filosofen te begrijpen. Er is weinig gelijkenis met figuren uit Carrolls Wonderland. Van enige afstand zou je wellicht in de muizentweeling de Tweedle-twins menen te herkennen: beiden zijn tweelingen en ze hebben vaak ruzie. Maar de Tweedle-twins hebben alleen maar schijnbaar ruzie, ze zijn het eigenlijk gewoon eens, terwijl de muizen (Gekke Muis en Slimme Muis) echt van mening verschillen. En als de muizen vervelend zijn moeten ze van de fee bij “de Saycheesekat” gaan logeren: hier herkennen we Carrolls Cheshire Cat, maar die speelt in het verhaal geen enkele rol. Verder is het aantal scenes dat aan Carroll doet denken, beperkt. Ik noem de meest opvallende.
Als Alice na het bezoek bij Kant terugkomt bij de Witte Koningin, lijkt alles kleiner geworden, maar de Koningin zegt: “Er is hier helemaal niets veranderd. Het komt door jou, Alice, jij bent flink gegroeid sinds we elkaar voor het laatst hebben gezien.”
Een enkele keer zien we een woordspeling, zoals in de volgende muizendialoog: “Waar zijn we?” “HIER natuurlijk.” […] “Ergens anders ben je goed van het padje.”
In India verandert de kangoeroe in een man met een olifantenkop, Ganesha. Onder zijn poten heeft hij een muis, want Ganesha ”verplaatst zich te muis, wat het samengaan symboliseert van het heel grote en het heel kleine.”
Als de fee voorstelt naar de tuin van Epicurus te gaan, zegt een van de muizen: “De tuin van welke Rus? Een tuin vol berken en bieten? Met een beekje van zure room?”
Bij de Ganges is Alice in gedachten verzonken: “Alles vloeit al snel in elkaar over. Wat is waar? Wat is een illusie? Alles wordt maar raarder en raarderder, denkt Alice.”
Tijdens het gesprek met Boeddha dringt de vergelijking met Carrolls nonsens zich enkele keren op, maar hier is het de vraag of dat ook de bedoeling is van de auteur. Zo zegt Boeddha: “In werkelijkheid heb ik helemaal geen naam. Geen enkele. Ik heet niks, ik ben niemand. […] Juist omdat ik niemand ben, kan ik je helpen.” Waarop Alice reageert met: “Sorry, maar ik kan niks met zulke raadseltjes.” Het wordt er vervolgens niet beter op: “Het spijt me, lieve Alice, maar je bestaat niet! Je hebt ook nooit bestaan. Je dénkt dat je bestaat, maar dat is toch echt iets anders.”
En dan is er de vermenging van droom en werkelijkheid. Bij Boeddha denkt Alice dat ze droomt. “Wat doet dat ertoe? Droom of werkelijkheid […], het is allemaal één pot nat”, zegt de Gekke Muis. Aan het eind wordt de indruk gewekt dat Alice het hele verhaal gedroomd heeft. Maar Alice gelooft niet in een droom, mede vanwege haar dagboekaantekeningen en het pakketje van opa.
Ten slotte is er ook sprake van de vermenging van verhaal en werkelijkheid. Zo vraagt de kangoeroe aan de muizen: “Jullie weten dat we in een boek rondlopen?” Hij suggereert vervolgens “dat de[zoekgeraakte] Alice zich zou kunnen bevinden op enkele pagina’s die de auteur is kwijtgeraakt” en besluit dan een brief aan de auteur te schrijven. De auteur schrijft zelf ter afsluiting ook enkele dagboek-passages, waarin Alice bij hem aanbelt en hij zich vervolgens richt tot de “lieve hoofdpersoon die uit dit boek is gestapt.”
Samenvattend: beide hoofdpersonen heten Alice maar verder is de gelijkenis zeer oppervlakkig. De in de flaptekst vermelde “absurdistische logica van Carroll” is slechts sporadisch herkenbaar.
Ideeëngeschiedenis
De Franse titel bevat de woorden “pays des idées”, land van ideeën. Daardoor doet het boek qua ambitie denken aan The History of Ideas van David Runciman: een beschrijving van de ontwikkeling van politieke, filosofische en ethische inzichten door de tijden heen met aandacht voor de invloed van historische gebeurtenissen. Maar de uitermate hoge frequentie waarmee de term ‘idee’ in het boek voorkomt, roept bij mij toch de vraag op wat de auteur eronder verstaat. Ik citeer: ”Ze zijn de afspiegeling in onze hersenen van de levensomstandigheden in de samenleving waarvan we deel uitmaken.” En ze kunnen waar en onwaar zijn: “Slechte ideeën, dat zijn onware ideeën. Goede ideeën, die zijn waar” en “Je moet altijd kunnen toelichten waarom je denkt dat je ideeën juist zijn”. Maar wat we onder ‘waarheid’ moeten verstaan, wordt niet uitgelegd.
Wat voor soort ideeën komen we zoal tegen?
“Ideeën van abstracte begrippen liefde, leven en dood, goed en slecht, plichtsbesef, schuld en onschuld.” En “de eeuwige ideeën van Plato”, niet alleen over abstracte begrippen “het Goede, het Schone, het Rechtvaardige” maar ook “het idee van het bed. Het ideale model dat nooit verandert.” Ook kennis bestaat uit ideeën: “Het gaat mij [Socrates] erom mijn gesprekspartners te verlossen van verkeerde ideeën. Want er is niets ergers dan rondlopen met verkeerde kennis”.
We zien ideeën als politieke en maatschappelijke opvattingen: “Ik [de kangoeroe] zeg ook niet dat nationaalsocialisme en het communisme er dezelfde ideeën op nahielden.” En “je besluit immers tot actie over te gaan op grond van wat je denkt. Bepaalde ideeën over de natuur, de mensheid en geluk hebben geleid tot het ontstaan van de industrie, de overconsumptie, de uitputting van de fossiele energiebronnen.” Ideeën als persoonlijke indrukken: “Je hebt een idee van alles: van iemand op wie je verliefd bent, van geluk, van spoken.” En, last but not least, “het idee van God”.
Geen wonder dat Alice hier geen brood van kan bakken. Ik moest onwillekeurig denken aan de filosoof Wittgenstein die ooit zei dat de meeste filosofische problemen zijn gebaseerd op vergissingen in het spreken of schrijven over de wereld. Maar Wittgenstein komt in Verwonderland niet voor.
Nu is een samenvatting van de geschiedenis van de filosofie onmogelijk zonder selectie. De Franse titel van het boek geeft een indicatie van het selectiecriterium: “Comment vivre?” Hoe te leven? Vanuit dat oogpunt is het bijvoorbeeld begrijpelijk dat de taalfilosofie buiten beschouwing blijft. Opvallend en prijzenswaardig is dat een apart hoofdstuk over oosterse filosofie is opgenomen waarin Boeddha, Confucius en Lao Zi aan het woord zijn.
Curieus is het zonder meer ontbreken van Britse filosofen. We lezen wel ergens dat de 18e eeuw wordt bepaald door de Fransen, de 19e eeuw door de Duitsers en dat daarna de Engelsen komen, maar in dit boek komen ze niet. We moeten het doen met een alinea over het pragmatisme met de Amerikanen Peirce, James en Dewey. Het rationalisme wordt besproken aan de hand van Descartes en Spinoza, maar de tegenstelling met het empirisme van Hume blijft onvermeld en daarmee ook de lijn van Hume naar het logisch positivisme en de Wiener Kreis, hetgeen vreemd is gelet op het accent dat daar werd gelegd op verifieerbare uitspraken. Zeiden de muizen niet dat je je ideeën moet kunnen onderbouwen? Bij de Verlichting wordt ruim aandacht gegeven aan Voltaire en Rousseau, maar weer niet aan Locke die beide Fransen sterk beïnvloed heeft.
Een overzicht in één boekwerk gaat natuurlijk ten koste van nuances; Michel Dijkstra concludeert in Filosofie Magazine dan ook dat het filosofische precisie mist. Maar het boek bevat ook fouten. Dijkstra levert uitgebreid kritiek op de weergave van “het Chinese gedeelte van Verwonderland”. Ik viel vooral over een passage over Spinoza. Terecht wordt geconstateerd dat Spinoza God en Natuur aan elkaar gelijk stelt. Maar de kangoeroe concludeert hieruit dat je de natuur als een onderdeel van God moet zien. Niet dus: ze zijn identiek; blijkbaar kan de kangoeroe geen afstand nemen van een transcendent godsbegrip.
Ten slotte
Al lezend vroeg ik me af wat de doelgroep is van dit boek. En daarmee samenhangend, welke leeftijd Alice in het boek heeft. Beide vragen laten zich lastig beantwoorden. Ik schat de leeftijd van Alice op 16. Verwarrend is dat ze een uitspraak als “Hé, Muizen, zijn jullie hier ook?” moeiteloos afwisselt met relatief complexe zinnen: “Als ik kijk naar geloofssystemen maar evengoed naar filosofische stelsels, spirituele en ethische overtuigingen, dan lijken die over het geheel genomen uiting te geven aan een verlangen naar vrede, liefde en goedheid.”
Al met al concludeer ik dat Alice in Verwonderland een matig geslaagde poging is tot een overzicht van de filosofie, voor welke doelgroep dan ook. Het is in elk geval minder toegankelijk dan De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, al wil de achterflaptekst ons anders doen geloven. De vergelijking met Alice in Wonderland doet geforceerd aan, hetgeen nog wordt versterkt door de Nederlandse vertaling van de titel. Daarin gaat niet alleen de link met ‘ideeëngeschiedenis’ verloren maar wordt ook ten onrechte de nadruk gelegd op een veronderstelde gelijkenis.
Ik hoop dat lezers van het boek worden gestimuleerd om zich wat meer verantwoord te verdiepen in een van de genoemde filosofen. De kans dat ze zich na lezing niet kunnen bedwingen om in het werk van Lewis Carroll te duiken, acht ik helaas te verwaarlozen.

