Skip to main content Scroll Top

Alice op het toneel van Henri Savile Clarke

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Bespreking van:
Lewis Carroll and Alice on Stage: The Savile Clarke Letters
auteur/editeur: Clare Imholtz
uitgever: Lewis Carroll Society of North America
Distributeur: University of Virginia Press Charlottesville & London, 2025, 355 p.
ISBN 9780930326180, 55,99 euro

Onder het met rode letters gestoffeerde stofomslag zit een gebonden, rood boek, met op het voorplat geprint John Tenniels Witte Konijn. Dat rode, beide eerste drukken van de Alice-boeken waren in rood uitgevoerd, komen we steeds tegen in de opmaak van dit fraaie boek. Op de schutbladen en ook op de pagina’s met de brieven: de annotaties zijn in rood gedrukt (zie afbeelding verderop, met p. 56/7), evenals de alfabetletters van de index en de paginanummers bij de lijst van illustraties.
Tegenover de titelpagina staat een prachtige foto van Phoebe Carlo als Alice.
Het boek heeft als kern 103 brieven van Charles Dodgson aan toneelschrijver, journalist en criticus Henri Savile Clarke, die een succesvolle voorstelling van de twee Alice-boeken maakte. De eerste reeks liep van eind december 1886 tot augustus 1887 in het Prince of Wales’s Theatre London gevolgd door een regiotour; de reprise van eind december 1888 tot begin februari 1889, alleen in Londen, in het Globe Theatre.

Proloog
Het boek start met een echte verrassing. Het is een postuum en hier voor het eerst gepubliceerd stuk van Carroll-fenomeen Morton N. Cohen: ‘Lewis Carroll in the Wings’ [coulissen]. ‘Proloog’ is een goed gekozen woord: het is een eerbetoon aan de ‘opdrachtgever’ van deze brieveneditie en is een stuk waarna de rest van het boek prettig voorbereid wordt: je bent warmgedraaid als het gaat om Dodgsons ‘intense en complexe relatie met het toneel’ zoals Cohen dat formuleert. Die startte 22 juni 1855 toen hij 23 was. Net bachelor of Arts, zag hij in het Princess’s Theater in Londen Shakespeares Henry VIII, en was verkocht.

Cohen onderzoekt die relatie op vier punten.
De eerste: zijn rol als theaterbezoeker. Alles wat in Oxford aan theatraals langskwam, bezocht Dodgson en hij ging met enige regelmaat naar theaters in Londen. Hij ontwikkelde een duidelijke voorkeur voor bepaalde genres, acteurs en auteurs, liefst van het conventionele, traditionele soort. Hij liet zich graag zien in de kringen van producenten, schrijvers en acteurs, waaronder kindsterren, en nam familie en vrienden mee naar voorstellingen. Opvallend, want de kerk stond sceptisch tegenover het theater.
Een van Dodgsons kernpunten: een heilige afkeer van grofheid, (seksuele) vulgariteiten of godsdienstige satire. Hij kon om redenen hiervan weglopen uit een voorstelling, of maakte zich kwaad als hij een mooie pantomime gezien had, die vervolgens verpest werd door een afsluitende harlequinade met vulgaire elementen.
De tweede: Dodgson als toneelschrijver: dat was hij duidelijk niet, en dat wist hij.
De derde: als schrijver die zijn Alice-boeken graag op het toneel zou krijgen.
Toen hij ging nadenken over de adaptatie van de twee boeken (binnen een jaar na Wonderland eigenlijk al) zocht hij daarom de hulp van professionals. Maar jarenlang kwam er niets van de grond. Wel had Dodgson de twee boeken laten registreren als drama, om in elk geval daarop het copyright te hebben.
Pas in 1886 kwam er schot in de zaak, met Henri Savile Clarke, een ervaren toneelschrijver. Die schrijft hem met het verzoek de boeken te mogen opvoeren. Dodgson antwoordt positief, maar ook meteen heel fel: er mag geen coarseness, geen grofheid/vulgariteit in voorkomen.
Het ‘droomspel’ zoals de voorstelling op het affiche genoemd werd, was een succes. 23 december 1886 (uiteraard in de kersttijd) was de première, waarna meer dan 70 voorstellingen in Londen volgden plus nog een regiotour. Dodgson zag de voorstelling pas een week na de première. Die kreeg positieve recensies (Cohen besteedt geen aandacht aan de negatieve), en de reprise twee jaar later nog betere, wel veel minder in aantal.
De Savile-Clarke-adaptatie is lang gebruikt; Imholtz zet bij haar Inleiding een affiche van 1906, voor een voorstelling uit ca. 1934.

De vierde: Dodgson als theoreticus over theater. Vele artikelen. Hoewel trouw kerkganger en conservatief was Dodgson dol op toneel. Hij zag zeker de gevaren (losse zeden, rommelig milieu) maar beschouwde toneel als een belangrijke sociale kracht, goed voor verheffing van de geest, mits goed aangewend. Hij schonk zijn ‘loon’ voor de tweede reeks aan Savile Clarke, zorgde er vaak voor dat kindacteurs naar school bleven gaan, steunde ze soms ook financieel of zorgde voor toneelopleidingsmogelijkheden. Hij was tegen de wet die kinderen onder de 10 zou gaan verbieden te mogen werken als acteur. Dat gaf ze namelijk veel plezier, maar was vaak ook belangrijk als aanvulling van het gezinsinkomen.

Inleiding
Een handige zet van Imholtz om Cohens tekst te laten functioneren als proloog, de lezer heeft er bij het lezen van de brieven voortdurend plezier van.
Imholtz was door Cohen gevraagd deze duidelijk op één persoon/onderwerp gerichte brieven, waarin bijzonder veel duidelijk wordt over Dodgsons persoonlijkheid én over de twee Alice-boeken, uit te geven en te annoteren.
Helaas zijn de brieven van Clarke niet overgeleverd, we moeten dus de inhoud daarvan een beetje afleiden uit die van Carroll. Maar Clarke reageerde heel vaak niet.

Dodgson begint, zoals gezegd, ietsjes aanvallend: geen grofheden en vulgariteiten, en daar houdt hij aan vast. Hij verdedigt met verve sommige voorkeuren, b.v. dat er slechts één boek gebruikt wordt, maar is feitelijk steeds mild en wordt gaandeweg steeds toegeeflijker. Wel is hij niet te beroerd Clarke voortdurend, ook weer bij de reprise, te bestoken met voorstellen, klachten en verbetermogelijkheden.

De twee ontmoetten elkaar pas op 29 maart als de provincietour nog moet starten. Ze bleven, ondanks hun meningsverschillen, een vriendschappelijke relatie houden.

Dodgson wilde graag zijn auteurschap (als Lewis Carroll) helder maken, en mocht in het tijdschrift The Theatre schrijven over de voorstelling. 1 april 1887 verscheen zijn inmiddels bekende stuk ‘Alice on the Stage’. Die tekst drukt Imholtz af als Appendix. Hierin schrijft Carroll vriendelijk over de voorstelling, terwijl hij duidelijk kritiek had, zoals we weten uit zijn dagboek en brieven aan vrienden, hij kreeg steeds minder zin het stuk te zien.

Ook bij de reprise had Dodgson weer allerlei bezwaren. De reprise-looptijd werd ingekort (gesloten op 9 febr. 1889), Dodgson dacht dat dit lag aan te lage bezoekersaantallen, maar dat was niet het geval. Waarschijnlijk kwam het door de bezwaren tegen de te jonge kindacteurs, en ook doordat de manager van het theater een andere voorstelling gepland had.

Dodgson zelf stelde de twee speelsters voor Alice voor. Verder was hij voorstander van het aantrekken van een paar ervaren volwassen acteurs om het niveau op te krikken. Clarke koos de componist. Bij de financiële zaken valt Dodgsons generositeit op. Hij vond dat hij zelf erg weinig kreeg (dat vond hij geen punt), maar maakte zich kwaad over het feit dat de manager van het theater heel veel en Clarke relatief heel weinig kreeg. Hij schonk hem zijn procenten van de tweede reeks, immers: hij hoefde geen kinderen te voeden.
In tegenstelling tot Cohen bespreekt Imholtz naast de vele positieve recensies ook enkele negatieve (eentje heeft het zelfs over ‘…. de mogelijkheid de kinderen te voorzien van hun eerste echte ervaring van ennui’). Enkele recensies vertellen uitvoerig over spelers, muziek, decor en kleding zodat we een hoop te weten komen. Verder hebben we het libretto, dat bij nagenoeg alle voorstellingen (een enkele keer niet, Dodgson weer pissig) te koop was.

Een speciaal hoofdstukje van de inleiding wijdt Imholtz aan de drie dochters van Clarke. Sommige opmerkingen in de brieven doen denken aan de geruchten over Dodgsons nogal kleffe omgang met zijn kindvriendinnen. Zo zanikt hij over het kussen/kusbaar zijn van de ‘kinderen’ Clarke(die dan toch al 14, 16 en 17 zijn) en is hij beledigd als een meisje een brief niet eindigt met ‘love’, maar met ‘vriendelijke groet’.

Daarna volgen Bronnen en verantwoording van de editieprincipes.
Alle brieven worden in hun geheel opgenomen. De uitgebreide annotaties leunen vooral op Dodgsons dagboeken en brieven aan vrienden en familie. Maar er zijn uiteraard ook andere bronnen, zoals het British Newspaper Archive.
De naam Lewis Carroll wordt gebruikt als het om de auteur gaat, verder heeft Imholtz het uitsluitend over Charles Dodgson.

Bewapend met de kennis van Proloog en Inleiding lezen de brieven als een zonnetje.

Letters and Annotations, p. 53-249
30-8-1886 – 30-5-1892
(met een gat tussen 5-11-87 en 28-4-88, dan gaat het verder over de reprise)

……..but the only essential condition that I should have your written gaurantee, that neither in the libretto nor in any of the stage business, shall any coarseness, or anything suggestive of coarseness be admitted.’(Dodgson, 30-8-1886)

‘There is one, & only one condition….’, zo viel Dodgson met de deur in huis in antwoord op de vraag van Savile Clarke of hij Alice op de planken mocht brengen met Dodgsons sanctionering.
Het is de start van een heel interessante briefwisseling, die begint met een van de zaken die bij Dodgson heel gevoelig lagen. Ook in deze briefwisseling. Dodgson bezoekt een voorstelling uit de reprisereeks en constateert twee buitengewoon vulgaire momenten, eentje is het wijdbeense achterovervallen van de Witte Koning. Dodgson dreigt zijn goedkeuring in te trekken, Clarke handelt meteen.

Er zijn meer terugkerende zaken die in deze brief starten.
Zo wil Dodgson dat er maar één boek gebruikt wordt. Uiteindelijk stemt hij in met beide boeken, maar ze mogen niet gemixt worden. Dat gebeurt, Wonderland gaat voor de pauze, Spiegelland erna.
Hij wil graag waar mogelijk de originele tunes van de parodieën in de Alice-boeken.

Dodgson bombardeert Clarke met aanwijzingen, voorstellen en suggesties, en als de voorstellingen lopen met nieuwe ideeën, klachten zoals over de beroerde dictie van de Koninginnen, niet-werkende scènes, niet aanwezige libretto’s. Na een paar weken van de eerste reeks wil hij zelfs dat de voorstellingen stoppen!
Hij leidt dit soort wensen en klachten graag in met een daverend understatement als: ‘….a few other matters…’.

Clarke reageert nauwelijks op al deze lijstjes met wensen en kritiek, wel vinden ze allebei de scène van de Walrus en de Timmerman slecht. Er komt een fraaie verandering: de toevoeging van drie oestergeesten. Eentje daarvan danst en zingt een hornpipe, die scène werd een groot succes.
Op 24 sept. ‘86 lees je de eerste van de vele uitnodigingen van Dodgson aan Clarke om bij hem langs te komen. Dat gebeurt nooit, wel bezocht Dodgson Clarke later als hij in Londen was.
Er zijn interessante stukken over Dodgsons voorstellen voor acteurs. Beide Alicen, Phoebe Carlo en Isa Bowman, heeft Dodgson aangedragen. Bij Bowman doet Dodgson in een paar brieven uitvoerig z’n best haar erdoor te krijgen, ongetwijfeld onder haar invloed. Voor de tweede reeks zou hij erg graag Irene Vanburgh aantrekken als Hartenkoningin en Witte Koningin. Dat lukt, maar niet om haar ook in de openingsscène te krijgen als Feeënkoningin, Clarke voegt deze figuur niet toe.
Een waar cadeau is het exposé, Dodgson neemt er echt even de tijd voor op 17 sept.’86, waarin hij schrijft over de mogelijkheid van een speciaal kindertheater. Hij theoretiseert over schrijvers, allerlei boeken die geschikt zijn, maar ook b.v. over het gebouw: liefst klein, dan ben je vaak uitverkocht en dat is goed voor het idee: dat moet je zien!
Even mooi is Dodgsons overpeinzing in een brief van 12-2-89, als de reeks sluit, over de mogelijkheid van een Alice in Wonderland élke kerst. Maar dan zoals hij hier eigenlijk ook gewild had: steeds met nieuwe elementen en frisse nieuwe songs, zodat je dus steeds opnieuw kan!

Dan zijn er brieven waarin de financiën uitvoerig aan de orde komen. Dodgson is buitengewoon ontevreden over het gedrag en de beloning van de managers, vooral ten opzichte van wat Clarke aan de voorstelling verdient.
Keer op keer probeert Dodgson een antwoord te krijgen op de vraag of er een boek kan komen met de muziek van de voorstelling (dat komt er tijdens zijn leven niet). Eveneens op of er niet foto’s en vooral: Alice-boeken verkocht kunnen worden in het Globe Theatre. Het heeft er een heel plan voor, je ziet hier even de marketing-man. Uiteindelijk gebeurt dit wel, maar zo superknullig dat het om slechts 5 exemplaren van de speciale (goedkopere) zogenoemde ‘People’s Editions’ gaat.
Bij de reprise beklaagt Dodgson zich een paar keer over het feit dat je voor het programma moet betalen.

Imholtz’ voetnoten
Imholtz annoteert zorgvuldig en ruimhartig, zonder zich te verliezen in te veel informatie. Zelfs hele onderzoeken krijgt ze in de noten samengevat. Helder zet ze verschillen uiteen zoals die tussen een pantomime en een harlequinade. Slechts een enkele keer voelt de uitvoerigheid onnodig aan, bij voorbeeld als het gaat om het achterhalen van adresgegevens van kindacteurs die als herinnering aan hun meedoen een boek van Carroll gaan krijgen. Het is ook niet nodig twee keer de uitleg van affty (affectionately) te herhalen (de noten 192, 194, 229).

Hier en daar permitteert ze zich een grap: ‘Unsurprisingly, Dodgson did not hesitate to jump in with advise.’ In noot 200 reageert ze op Dodgsons aanstellerige poging Isa als zielig voor te stellen, zo bang is die dat de reprise afgeblazen wordt doordat er geen zaal beschikbaar is. Imholtz: ‘Dodgson is Isa’s White Knight’.
Ze becommentarieert Dodsgon sowieso kritisch. Boven een brief van 7-11-87 aan (volgens Imholtz:) Kitty Clarke staat ‘Dear Child’. Imholtz annoteert ironisch ‘aged fifteen’. Op 25-12-89, beklaagt Dodgson zich over het feit dat Isa niet in de advertenties genoemd wordt. Imholtz vraagt zich af of Isa op dat moment in haar carrière al publiekstrekker zou kunnen zijn.

Appendixen
Na de brieven volgt nog een stel Appendixen, samen meer dan 100 pagina’s! Noord-Amerikanen zijn dol op de Appendix in hun wetenschappelijke literatuur. Je hóeft een toevoegsel natuurlijk niet te lezen, maar het staat vaak vol interessante feiten en zelfs theoretische grondslagen.

Appendix A: Crustacean Mutations (‘Schaaldierige Veranderingen’) gaat over de aanpassingen over de jaren van de parodie van ‘Tis the voice of the lobster’ uit hoofdstuk 10 van Wonderland. Imholtz reconstrueert deze veranderingen, een reconstructie die hier helemaal thuishoort omdat die voor een deel te danken is aan de vraag van Clarke het lied voor de voorstelling uit te breiden. Natuurlijk kun je deze Appendix overslaan, je zou kunnen denken: ‘geneuzel’, maar het is toch een meeslepend stukje geschiedenis, en ook nog es hier en daar geestig.

Appendix B, over Dodgson en Alice in het theater, heeft een klein overlapje met de Proloog. Die begon ook met de constatering dat Dodgson al heel snel de mogelijkheid van een dramatisering overwoog (die al dan niet een drama, een pantomime, een entertainment, een magic-laternuitvoering, een extravaganza of een tableau zou moeten worden). En ook over de kwestie of Dodgson zelf de dramaturg zou kunnen zijn. Maar bij de uitvoeringen ging Cohen meteen over op het contact tussen Dodgson en Savile Clarke en het resultaat daarvan. Wat op zich goed uitkomt, immers het hoofddeel van het boek gaat daarover.
In deze Appendix beschrijft Imholtz allerlei eerdere pogingen van Dodgson om Alice op het toneel te krijgen, om een componist voor de liedjes te vinden e.d. Geestig is de beschrijving, ook door anderen, van Dodgson als hij weer eens een meisje had gezien dat Alice zou kunnen spelen: overal zag hij potentiële Alices! Verder noemt ze een flink aantal adaptaties van Alice(-scènes) vòor die van Clarke en ook van daarna.
Dit is mede interessant omdat hier even de kwestie van het 19e-eeuwse copyright aan de orde komt. Een tamelijk bizarre zaak, eigenlijk. Dodgson had de twee Alice-boeken laten registreren als drama, maar dat bleek niks anders te betekenen dan dat hij op een eventuele uitvoering  van die tekst copyright had. Ieder ander die Alice adapteerde, kreeg het copyright op die eigen uitvoering. De auteur verdiende daar dus niets aan. Wel vond zo’n bewerker het interessant als Dodgson zijn uitvoering zou willen sanctioneren, wat Dodgson soms wel en soms niet deed.

Ook Appendix C (‘Savile Clarke’s Alice, Charles Dodgson and the Child Acting Controversy’) voegt echt iets toe aan de brieveneditie. Daarin komt de kwestie (ook) aan de orde, die hier mooi samengevat wordt: of kinderen onder de 10 jaar nog wel ingezet kunnen worden als theateracteurs. Er dreigde een wet hierover in stemming te komen. Dodgson en Clarke verdedigden met verve het antwoord ‘ja’, hoewel ze zeker niet blind waren voor de nadelige kanten.

Appendix D(‘Henri Savile Clarke’, zie de foto hieronder) beschrijft het leven van toneelschrijver/regisseur, journalist en criticus Clarke en zijn gezin. Dat moest natuurlijk even, Clarke is een hoofdpersonage, maar ook doordat Dodgson in de brieven spreekt over zijn relatie met de Clarke-‘kinderen’.

Appendix E zal voor de kenners een bekende tekst zijn. Het is ‘Alice on the Stage’, geschreven door Dodgson zelf onder het pseudoniem Lewis Carroll. Een tekst die op allerlei plaatsen te vinden is, maar die hier uiteraard ook helemaal op z’n plek is.
Carroll presenteert zich hierin uitdrukkelijk als de auteur van de Alice-verhalen. Hij vertelt hierin over het ontstaan van Wonderland, en reageert (uitsluitend positief) op de voorstelling.

Na de bibliografie, de bedankjes en de index volgt nog een pagina met informatie over de LSCNA; logisch, het is de uitgever van dit boek en een actief Carroll-genootschap.

Ten slotte
Alles bij elkaar: een heel geslaagd boek. Er staan bekende zaken in, maar die worden hier mooi in een verband gezet. Verder wordt de lezer dus regelmatig getrakteerd op verrassingen, zoals de Proloog, en brieven waarin Dodgson even lekker de tijd neemt iets uit te werken. Aangezien alle brieven opgenomen zijn, is het onvermijdelijk dat er wat minder interessante dingen voorbijkomen, bij voorbeeld als het om afspraken, dingetjes doorgeven en zulk triviaal gedoe gaat. Maar goed, dat hoort ook bij het contact dat hier centraal staat.

Klopt het ook dat je alleen al door deze brieven ook de kern van Dodgson/Carroll te pakken krijgt? Je komt in ieder geval een heel eind.
Je leest over zijn eindeloze energie om controle te houden, over zijn voortdurende gerichtheid alles wat vulgair, schunnig of de godsdienst schade toebrengend zou kunnen zijn aan te pakken; om de naam Dodgson hard gescheiden te houden van zijn pseudoniem; over hoe hij ‘kusbare’ meisjes, vaak geen kinderen meer, benadert (en hun ouders daarover); over zijn hobby’s en vele contacten; en zelfs ook tamelijk precies hoe zijn huis eruitziet en wat hij luncht. Je komt ook het een en ander te weten over Dodgsons omgang met boeken. Als een oplage hem niet bevalt, of er nu een hoge oplage is of niet, keurt hij die af. Hij maakt geregeld speciale bindingen van zijn boeken om die dan cadeau te geven. En we zien hem zelfs even als de puzzelman. Op14-1-87, In het slot van de brief, stopt hij een opdracht aan de kinderen-Clarke: een doublet (een door hem verzonnen puzzel): ‘Van Alice naar sleep’.
Je krijgt trouwens en passant een aardig beeld van hoe actief en druk Savile Clarke was.

Het boek heeft een paar bijzondere illustraties, onder andere van spelers. Hieronder zie je de afbeelding van een advertentie met in het centrum een tekening van Ellen Whitehead, waarvan delen ook op de rode schutbladen te zien zijn.