Skip to main content Scroll Top

Alyssa

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Ze zat in de tram op weg naar haar afspraak, toen een stel meisjes met konijnenoren instapten. Alyssa dommelde verder tot het tot haar doordrong. Konijnenoren? Mensen hebben geen konijnenoren. Ze keek eens beter en realiseerde zich dat het waarschijnlijk neporen waren, op een diadeem. Van die stomme porno-oortjes. Op de stoel naast haar lag een speelkaart. Hartenvijf. Ze staarde er even naar, en stak ‘m in haar zak.

‘We zijn laat,’ hoorde ze een van de meisjes zeggen. ‘Het vrijgezellenfeestje van Marianne begint al om vijf uur.’

Automatisch keek ze op haar horloge, een mooi maar ouderwets klokje dat ze van haar oma had gekregen. Van oma had ze ook de gewoonte geërfd om in deze tijd vol smartphones nog steeds een horloge te dragen.

Het was pas kwart voor tien, precies wat ze verwachtte. Maar hoe konden die meisjes dan denken dat ze laat waren? Als het feestje inderdaad om vijf uur begon, en een vrijgezellenfeestje verklaarde de oren, dan waren ze ruim op tijd, belachelijk vroeg zelfs. Of was het inderdaad al bijna vijf uur en stond haar horloge stil? Dan zou ze bijna haar hele dag gemist hebben. Nerveus bracht ze het uurwerk naar haar oor, maar het tikte nog steeds. Ze keek er geconcentreerd naar, en de secondewijzer hopte ook braaf van de ene plek naar de andere. Hopte? Het was verdorie geen konijn. Nu begon ze alles door elkaar te halen en het ging de laatste tijd juist zo goed.

 

#

 

Ze stapte uit bij haar halte en keek naar de lucht. Zag het er nou uit als ochtend of als middag? De kerkklok stond op half vijf. Was die stil gaan staan om half vijf ’s ochtends, of waren de meisjes echt te laat, en zij dus ook? Op een paaltje zat een kat die naar haar lachte, het stelde haar een beetje gerust.

Bij de receptie werden gelukkig geen rare vragen gesteld, dus waarschijnlijk was ze gewoon op tijd. In de wachtkamer bladerde ze gedachteloos in een tijdschrift. Daar zat alweer een speelkaart in, gewoon los, alsof hij als bladwijzer gebruikt was. Hartentien. Ze stak deze ook in haar zak. Als de dag zo doorging, had ze vanavond een heel pak kaarten.

 

#

 

‘Hoe gaat het met je medicijnen?’ vroeg de dokter toen ze aan de beurt was.
‘Niet geweldig. Ik heb niet de indruk dat ze werken,’ zei ze. Ze vertelde het verhaal over die ochtend in de tram. ‘Bovendien kom ik er enorm van aan. Ik ben in de laatste weken al tien kilo aangekomen en ik hou ook veel vocht vast, dus ik zie er vreselijk opgeblazen uit.’

‘De vorige medicijnen bevielen ook niet erg, toch?’
‘Nee, die maakten dat ik me heel klein voelde. Voornamelijk mentaal natuurlijk, alsof ik er totaal niet toe deed, maar af en toe werd het zo sterk dat ik me zelfs lichamelijk klein voelde, alsof ik ’s nachts in een gigantisch bed lag. En als ik huilde, dan leek het wel een waterval, zoveel tranen dat ik er wel in kon zwemmen. Maar misschien kwam dat omdat ik in het zwembad was … Daar waren allerlei leuke drijfbeesten, en een zwemwedstrijd, later. Het zou veel leuker zijn geweest als die beesten de wedstrijd deden, denkt u ook niet?’
‘Eeehh, vast wel, maar volgens mij kunnen we het beter over je medicijnen hebben, Alyssa.’

‘Oh ja. Ik wil best weer wat nieuws proberen, maar niet iets waar ik me gigantisch van ga voelen, of heel klein.’

 

#

 

Na haar afspraak had ze college. Dat klonk mooi, maar het was gewoon in de klas zitten op hoger niveau. Voor het onderwerp kinderpoëzie had ze een stichtelijk gedichtje uit een boek uit 1830 uit haar hoofd geleerd. Over klokkenmakers. Automatisch keek ze op haar horloge. Ja, ze was op tijd. De leraar was laat. Rusteloos keek ze het lokaal rond. Vanaf een plekje bij het raam gaf Jack haar een onplezierige grijns. Zou hij het weten? Hij kon het niet weten, dat mocht niet. Ze begon zich zorgen te maken, toen ineens de leraar binnenkwam. Ze zat hem bijna met open mond aan te kijken. Ze had hem wel vaker met een mok koffie of thee gezien, maar nog nooit met een keurig kopje en schoteltje. En al helemaal nooit met een hoge hoed op. Zou hij naar een begrafenis zijn geweest en zijn hoed niet hebben afgezet? Nee, hoge hoeden droeg je tegenwoordig niet meer naar een begrafenis. Geen van haar klasgenoten leek iets te zien. Niks laten merken dus maar. Hé, daar lag weer een speelkaart. Ze pakte ‘m op en merkte dat het er twee waren. Oh, ze was aan de beurt.

‘Mijn gedichtje komt uit een boek voor kinderen, waar hun in prentjes en korte versjes van alles over allerlei beroepen werd geleerd. Met natuurlijk een lesje over niet lui zijn erbij.


De klok door dierenhand vervaardigd

Van levend hout en kattensnaar [

 

Nee, zo ging het niet. Sorry.


De klok door dierenhand vervaardigd

Even nog …

De klok door dierenhand vervaardigd

Van levend hout en kattensnaar

spreekt telkens weer de mensen tegen

Per dag en zelfs per cursusjaar

 

Hij zegt ons vaak het uur van slapen

Het uur waarin men voeren moet

Het uur waarin de kat wil spelen

En wanneer de kat een dutje doet

 

Treedt, kind’ren! vrij uw katten nader

Een kat is altijd bij de tijd

Maar maakt dat in uw beste jaren

De klok een eigen leven leidt

Ik weet het niet meer, het lukt niet …’
Met tranen in haar ogen ging ze weer zitten. Ze had zo haar best gedaan om iets goeds te vinden.

 

#

 

Na de les sloeg Sylvie een arm om haar heen.
‘Het is niet zo erg, meid. Je hebt toch mooi voorgedragen.’
‘Maar zo gíng het versje niet. Het ging wel over klokken, maar juist dat die altijd kloppen. En het ging al helemaal niet over katten!’ Hoe die katten er ineens in waren gekomen, was haar helemaal een raadsel.

‘Kom, ga je mee wat drinken? Bij de Britten is het nu tea time maar ik zeg ‘it’s five o’clock somewhere.’’
‘Ik mag geen alcohol bij mijn medicijnen. En theetijd is later, rond zes uur.’ Dat klonk veel te pedant, hoorde ze zelf.
‘Dan neem jij toch een lekker Brits kopje thee.’ Gelukkig klonk Sylvie gewoon aardig.

Dat kan wel, dacht Alyssa. Een kopje thee kan eigenlijk altijd. Dan is het dus ook de hele dag theetijd.

 

#

 

Ze vonden makkelijk een tafeltje in hun favoriete kroeg. Alyssa werd wat vreemd aangekeken toen ze om thee vroeg, maar kreeg het wel. Helaas in een grove porseleinen kop. Een echt horecading, of zoals ze ze vroeger in vakantiehuisjes zag. Onder het kopje lag weer een speelkaart, ze dacht er al bijna niet meer bij na, toen ze ‘m in haar zak stopte.
‘Jammer toch dat ze hier die thee in van die lompe koppen serveren. Het kopje van meneer Hoedenmaker was veel mooier vandaag.’
‘Welk kopje? Hij had een gewone lelijke mok met het hogeschoollogo.’ Lara keek haar verbaasd aan.

‘Oh, dan heb ik zeker zitten dromen,’ zei Alyssa haastig. Shit, hier had ze niet over willen praten. Misschien had ze die hoed ook wel gedroomd, die klopte ook wel bij zijn naam.

‘Je had hem anders mooi te pakken, met dat versje,’ zei Edie.

‘Dat deed ik niet expres!’ Alyssa voelde de tranen weer in haar ogen springen. ‘Ik had zo mijn best gedaan een heel oud versje te vinden, en het was zo’n mooi voorbeeld van saaie stichtelijkheid …’
‘Nou, ik vond het hilarisch. Hoe kom je erop, klokken die hun eigen leven leiden. Heb je daarom altijd een horloge om?’ Edith klonk niet alsof ze het echt leuk vond, dacht Alyssa. Ze klonk een beetje vals.

‘En die kat erin, je bent ook een echt gek kattenvrouwtje.’ Nu klonk ze beslist onaardig. Zou het gedichtje raar zijn geworden omdat de tijd al de hele dag raar deed? Die meisjes met konijnenoortjes in de tram dachten dat ze te laat waren … Of kwam het gewoon omdat zij zelf raar was? Ze keek op haar horloge. Nee, dat kon niet! Het kon niet ineens al half negen ’s avonds zijn.

‘Hoe laat hebben jullie het?’ vroeg ze. Alle meisjes grepen hun telefoon om te kijken.

‘Half vijf,’ zei Sylvie. Gelukkig, dan liep misschien haar horloge vreemd.

‘Nee, vijf uur,’ vond Edie. Alyssa schrok. Had iedereen ineens een andere tijd?

‘Hoe komen jullie daarbij? Het is al half zes geweest,’ zei Lara.

Alyssa keek verward en zenuwachtig rond. Ze had nu geen idee meer hoe laat het was.
‘Ik g-g-ga maar eens naar huis,’ mompelde ze. Toen ze het café uitliep hoorde ze nog een van de meisjes ‘het was maar een geintje’ roepen, maar het drong niet meer tot haar door.

 

#

 

Gestrest stond ze bij de tramhalte te wachten, maar de tram kwam precies op tijd. Als de klok bij de halte tenminste goed stond. Die had het even over half vijf. Dan zou Sylvie gelijk gehad hebben. Ze keek op haar horloge en dat stond nu weer gelijk met de halteklok. Een beetje rustiger bleef ze naar buiten zitten kijken. Ze glimlachte toen ze in een piepklein stadstuintje schitterende rode en witte rozen zag, en een hele kudde knalroze tuinflamingo’s. Het vloekte vreselijk, maar ze werd er wel vrolijk van. Helemaal toen de flamingo’s uit de tuin kwamen en gezellig een eindje met de tram mee renden. Ze fleurde er helemaal van op. Toen ze uitstapte, merkte ze dat ze allemaal verdwenen waren. Dat was het moment dat ze zich realiseerde dat tuinflamingo’s ook helemaal niet kunnen rennen.

 

#

 

In de tuin van de studentenflats zat een stel studenten aan een waterpijp te lurken.

‘Hai Alyssa,’ zei Bruno, haar buurman. ‘Ook een trekje?’

‘Wat roken jullie?’ vroeg ze voorzichtig.

‘Wiet, natuurlijk,’ zei een van de andere jongens.

‘Nee dank je, dat kan ik maar beter niet doen. Dat mixt niet zo goed met mijn medicijnen.’

‘Oh?’ Hij keek haar belangstellend aan.

‘Die pillen doen zo al raar genoeg. Van de laatste voelde ik me vreselijk groot worden.’

‘Hahaha, lekker wel, high worden van meds op recept.’

Alle jongens lachten, maar het klonk niet gemeen. Niet alsof ze haar uitlachten.

‘Stel je voor dat je echt heel groot werd, en over de hele stad kon uitkijken,’ zei Bruno.

Ze bleef even staan en grapte met de groep mee, maar op een gegeven moment werd ze toch wat licht in haar hoofd van de geur, dus ging ze naar haar flat.

 

#

 

Ze had gegeten en stond met haar kat Chelsey in haar armen naar buiten te kijken. Ze kon vanuit haar flat net een speeltuintje zien en ze had een kind horen huilen, dus ging ze even kijken. Een vrouw met een baby op haar arm troostte het kind. Ze beet op haar lip. Die baby had ze vandaag beter niet kunnen zien. Een jaar geleden had haar toenmalige vriend haar gedwongen abortus te ondergaan. Ze was inmiddels, na veel therapie, in staat kleine kinderen te zien. Gelukkig wel, anders zou het op haar stage erg moeilijk worden. Maar baby’s, dat was soms nog te veel. Zeker als de dag al lastig was. Maar gelukkig had ze Chelsey.

Ze wilde de kat een dikke knuffel geven en keek naar beneden, maar in haar armen was Chelsey veranderd in een baby. Ze gilde en bijna liet ze de baby vallen. In plaats daarvan sloten haar armen er steviger omheen.
‘Mrauff!’ De baby was weer een kat, en sloeg stevig haar nagels in Alyssa’s borst. Van schrik liet ze haar alsnog vallen. Gelukkig komen katten wel op hun pootjes terecht. Chelsey rende naar de hoge vitrinekast, klom erbovenop en lachte.

‘Pspsps, kom dan Chels? Ik bedoelde het niet zo …’
Ze bleef waar ze was, en bleef lachen.

‘Alsjeblieft? Ik heb je nodig!’

De kat bleef lachen en Alyssa plofte op een stoel neer, liet haar hoofd in haar handen zakken en huilde. Alle tranen van de hele dag.

 

#

 

De volgende dag moest ze naar de rechtbank. Ze was een tijd geleden getuige geweest van een overval op een banketbakker, toen ze daar was om wat lekkers te halen, en nu moest ze getuigen. Ze had zich goed voorbereid en zich op advies van haar psycholoog zo netjes mogelijk aangekleed. Blauwe broek, met haar lichtblauwe jasje. Blauw maakte dat je er opener en betrouwbaarder uitzag in de rechtbank. Witte blouse, en witte schoenen. Ze had haar getuigenverklaring opgeschreven, zodat er niet zou gebeuren wat er de dag daarvoor gebeurde met het gedichtje. Ze was er klaar voor. Chelsey lachte niet meer, maar wilde nog niet geknuffeld worden. Misschien maar beter ook, anders kwam ze vol kattenhaar te zitten en zou ze net het gekke kattenvrouwtje lijken, zoals Edie haar noemde.

In de rechtbank was ze nog lang niet aan de beurt, dus had ze tijd om rond te kijken. Ze zag de griffier aantekeningen maken en een journalist een tekening maken van de verdachte. Die man bij de deur was natuurlijk de bode. Ze had zich uit-en-ter-na ingelezen, om niks vreemds tegen te komen dat haar zenuwachtig zou maken.

Toen werd ze naar voren geroepen. De advocaat van de banketbakker stelde voor dat ze haar verklaring voor zou lezen, en dat er daarna vragen gesteld konden worden. Ze was net begonnen met lezen, toen de advocaat van de verdachte, van Jack, opstond en bezwaar aantekende. Hij had dus inderdaad iets geweten.

‘Mevrouw de rechter, ik heb gegronde redenen om aan te nemen dat deze jongedame geen goede getuige is.’

De rechter trok hoog haar wenkbrauwen op, maar gebaarde toch dat de advocaat verder kon praten.

‘Deze jongedame loopt al jaar en dag bij een psychiater en slikt medicijnen. Ze hallucineert en is volkomen onbetrouwbaar.’

Alyssa schrok. Dit was allemaal echt waar. Ze was inderdaad niet goed bij haar hoofd. Meestal had ze wel door dat dingen echt niet waar waren, maar … In de verte hoorde ze de advocaat van de banketbakker wat zeggen. Ze wilde in elkaar duiken, klein worden. Ze sloeg haar armen om zichzelf heen en stopte haar handen in haar zakken. Wat voelde ze daar? Oh, dat waren die speelkaarten die ze steeds overal vond. Onderweg naar hier had ze nog een Hartenkoning op de stoep gevonden. Haar gedachten dwaalden verder af, ze dissocieerde. Waar deden die kaarten haar toch aan denken? Oh, aan Alice in Wonderland natuurlijk! Daar kwamen ook alsmaar speelkaarten in voor. Alleen daar leefden de kaarten. Was ze maar in Wonderland, dat was makkelijker dan in deze wereld … Wacht eens, Alice belandde ook in een rechtszaak. En zij durfde meer en meer te zeggen naarmate ze groter werd. Zij, Alyssa, kon zichzelf natuurlijk niet echt groter maken, zoals Alice, maar ze kon zich wel groter en dapperder voelen.

Ze haalde haar handen uit haar zakken en liet ze rustig op de getuigenbank leunen. Ze haalde een paar keer heel diep adem en ging zo recht mogelijk staan. Groot moest ze zijn. En dapper. Zingen moest je dan, of fluiten, zei die ene oude film. Maar dat kon niet in de rechtbank. Maar ze kon wel in haar hoofd zingen natuurlijk. En natuurlijk kon ze zich juist dát liedje niet voor de geest halen. Het eerste dat bij haar opkwam, kwam ook uit Alice in Wonderland. ‘Painting the roses red, don’t tell the queen what you have seen, or say that’s what we’ve said …’ In haar hoofd luisterde ze naar het liedje, maar ze begon ook weer te horen wat er om haar heen gebeurde. En ze moest hier juist wél zeggen wat ze gezien had, en wat er gezegd was.

‘Ze heeft een verklaring van haar arts dat ze volkomen in staat is hier vandaag te getuigen,’ hoorde ze de advocaat van de bakker zeggen. Gelukkig, ze was niet lang in gedachten geweest. Hij liep naar de rechter toe en overhandigde een papier. Zij keek even en zei: ‘Dit is in orde.’

‘Alyssa,’ zei de advocaat, ‘je vertelde dat je de verdachte niet alleen aan zijn houding herkende, maar ook aan iets anders.’

‘Ja, dat klopt. Hij zei iets dat hij op de Pabo, in de klas, ook vaak zegt.’

‘Kan je dat hier herhalen?’
Voor de zekerheid keek ze op haar blaadje. Ja, het stond er nog zoals ze zich herinnerde.

‘Jack zei: “Als iedereen zich alleen maar met zichzelf zou bemoeien, zou de wereld een stuk sneller draaien.” Het komt uit Alice in Wonderland. Hij zegt het heel vaak, ook tijdens groepsprojecten. Ik denk dat hij gelijk heeft, maar ook ongelijk. Alles zou inderdaad een stuk sneller gaan, maar er zou ook geen recht gesproken worden.’

De rest van de zaak ging in een roes aan haar voorbij. Ze hoorde nog dat haar klasgenoot veroordeeld werd tot een boete en een taakstraf.

 

In de tram terug vond ze weer een speelkaart. Hartenkoningin. Ze glimlachte, dat was bijzonder toepasselijk. De koningin lachte terug, en gaf haar een knipoogje. De volgende dag werd er namens de banketbakker een grote bos rode en witte rozen bezorgd.