Skip to main content Scroll Top

De Snark is waarop gejaagd wordt *

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

The Hunting of the Snark verscheen vandaag, op 1 april, precies anderhalve eeuw geleden en dat onwezenlijke wezen duikt nog steeds overal op en niet alleen in Phlizz! Voor Casper Schuckink Kool was de Snark een hálve eeuw geleden mede aanleiding het Lewis Carroll Genootschap op te richten. In 1986 was dat genootschap buiten bewustzijn geraakt maar in 2016 reanimeerde Bas Savenije het nog net op tijd; enkele leden van toen werden vrienden van nu. Eén van hen, Frits van der Waa, stuurde een ‘groepsconceptvertaling’ (uit 1976/7) van The Hunting ter archivering naar Bas en deze vroeg mij daar iets mee te doen voor het aprilnummer van Phlizz en aldus geschiedde.

Het tijdschrift van het LCG toen

““Wauwelwok” draagt datum noch nummer, heeft geen vaste redaktie en kent geen abonnementen” … zo begon het tijdschrift van het Lewis Carroll Genootschap en je moest lid worden om het te mogen ontvangen. Dat eerste nummer verscheen in oktober 1977. Casper Schuckink Kool, al jaren geboeid door Lewis Carroll, had ‘gewoon’ een advertentie in Vrij Nederland gezet en de tekst luidde ongeveer: “Bellman zoekt bemanning voor jacht op de Snark. Bent u, net als ik, gefascineerd door het werk en de persoon van Charles L. Dodgson alias Lewis Carroll, auteur van onder meer Alice in Wonderland, neemt u dan contact op met …“ (Zie: Phlizz 2024).
Van dat eerste nummer – er zouden nog vier volgen – bestond de redactie naast Casper zelf uit Rolf van de Kamer, Ton Willemse, Steef de Bruijn en Leslie Klieb. The Hunting of the Snark was nog niet in het Nederlands vertaald. Casper probeerde al eerder een vertaling te maken “die recht zou doen aan het origineel” en er werd al snel besloten met een aantal enthousiaste leden de strijd met de jachtaan te gaan: Casper, Frits van der Waa en Harm Jan van Dam. Steef de Bruijn, Leslie Klieb en Mary Boxen droegen ook eraan bij maar de vertaling is nooit in druk verschenen. Dat had naast de bijna onmogelijke taak en de persoonlijke verschillen in de benadering nog een heel belangrijke andere oorzaak: in 1977 verschenen zomaar wél twee Nederlandse vertalingen! Van Erdwin Spits, De Jacht op de Trek en van Evert Geradts De Jacht op de Strok.
In Wauwelwok (1) staat een prachtig artikel, getiteld: “Wat nu? Twee Boojums?”, van Steef de Bruijn over de Trek en de Strok met naast lovende woorden toch als conclusie dat de ultieme vertaling nog moet komen. Het groepje ploeterde voort (stel ik me voor).

Het materiaal

Frits vertelt dat hij niet meer weet wie wat heeft gedaan maar ook dat hij ziet dat het meer is dan hij verwachtte en hij herkent van hemzelf een groot deel van ‘fit the fifth’ en dat het door Mary Boxen is aangevuld. Er is ook nog een iets andere versie van diverse strofen uit de eerste helft … kortom een groepsproject waarvan niet meer precies te achterhalen valt wie welke delen vertaalde. Ik constateer wel dat het eigenlijk ‘compleet’ is.
Frits schrijft: ”Ik stuurde Bas het materiaal inderdaad met de bedoeling het op te nemen in het LCG-archief, met in het achterhoofd de levenslange wens van Casper om ooit eens tot een ‘ideale’ vertaling te komen. Deze wens was immers destijds de voornaamste beweegreden om met geestverwanten in contact te komen en daarmee ook de kiem van het LCG.” Hij noemt de vertaling met een mooi woord “onvoldragen”.
Frits maakte toen ook al bij elke “Fit” een illustratie voor een eigen, handgeschreven versie om cadeau te doen aan zijn grootvader.

voorplat

 

 

 

 

eerste pagina

In overleg met Frits zijn de illustraties hier afgedrukt. Bij elke ‘Fit’ één. Over vier ervan was hij aanvankelijk nog wel tevreden, drie vond hij maar “zo zo”. De prent die hoort bij de vierde ‘Fit’, de bever die ongeïnteresseerd doorgaat met kantklossen, laat hij bij nader inzien ook met rust. Wel heeft hij ze allemaal nu na vijftig jaar even een beetje ‘opgefrist’.
Om een globale indruk te krijgen zet ik onder de illustraties het daarbij behorende originele kwatrijn van Carroll, dan die van de ‘Caspergroep’ en vervolgens die van Spits en Geradts, immers uit dezelfde tijd. Voor een vertaling van “Fit” is kennelijk in de groep nog niets afgesproken, ook staat er soms geen titel, vaak wel en zelfs een keer in kapitalen; dat heb ik maar overgenomen, het laat de “onvoldragenheid” mooi zien.
Als je het verhaal niet goed genoeg kent, lees dan in Phlizz van januari het artikel van Henkes; hij vertelt precies hoe wonderlijk het avontuur in elkaar steekt en je hebt dan in elk geval de grote lijn te pakken.
De illustraties van Henry Holiday zijn overbekend en een vertaling met andere illustraties geeft altijd meer ‘extra’. Frits heeft slechts twee maal voor dezelfde scène gekozen: ‘de droom van de bakker’ en ‘de droom van de advocaat’.
U leest dus acht keer vier ‘dezelfde’ kwatrijntjes …

1.The Landing

“JUST the place for a Snark!” the Bellman cried,
As he landed his crew with care;
Supporting each man on the top of the tide
By a finger entwined in his hair.

I De ontscheping

“Hier schuilt vast een Snark!” riep de Belman luid
en bracht z’n Bemanning aan land.
Elk droeg hij aan z’n haar het water uit
door de branding die bruiste op het strand.

Eerste toeval – De Landing

“Net een plek voor een Trek!” riep de Belleman blij,
En bracht zijn bemanning aan land;
Elk droeg hij over de top van het tij
Met hun haar in zijn hoedende hand.

Dreun Nummer Een – De Landing

“Prima plek voor een Strok!” riep de Wachter uit,
En ontscheepte er zonder gevaar.
Hij hief elke man boven de golven uit
Met een vinger, verstrikt in zijn haar.

 

Fit the Second – The Bellman’s Speech

He served out some grog with a liberal hand,
And bade them sit down on the beach:
And they could not but own that their captain looked grand,
As he stood and delivered his speech.

II De toespraak van de Belman

Gul van hand deelde hij oorlammen rond
en vroeg: Zet u neer op het strand.
Ze gaven hem na, zoals hij daar stond,
was hun kaptein echt een heer van stand.

Tweede toeval – Belleman’s betoog

Hij schonk hen wat grog, met zeer gulle hand,
En zij gaven toe, dat hij groots sprak,
Toen hij hen bad: “Zet u neer op het strand”,
Zelf staan bleef en van wal stak.

Dreun Nummer Twee – De toespraak van de wachter

Hij schonk allen grog, keek niet op een glas
En noodde hen: “Zet U toch neer!”,
En een ieder was trots dat het hun Schipper was
Die hen toesprak. Het boeide hen zeer.

Fit the Third  –  The Baker’s Tale

“I engage with the Snark – every night after dark –
In a dreamy delirious fight:
I serve it with greens in those shadowy scenes,
And I use it for striking a light;

(Geen nummer of titel)

Ik houd elke nacht met de Snark die mij wacht
een uitzinnig spiegelgevecht;
ik serveer zijn ontbijt in die schimmige strijd
en gebruik zijn vuur, als gezegd.

Derde toeval – Het Verhaal van de Bakker

Ik meet mijn kracht met de Trek, elke nacht
Een ijlhoofdig droomgezicht:
’k Geef hem groente en fruit, veeg schaduwen uit,
En hij helpt mij met het licht.

Dreun Nummer Drie – Het verhaal van de Wever

De Strok meet mijn kracht in het holst van de nacht –
Ik vecht ermee, koortsig en nat;
Ik dien ’t op met wat groen in zo’n zwart visioen,
Ik beschouw het als licht op mijn pad.

Fit the Fourth – The Hunting

The Boots and the Broker were sharpening a spade –
Each working the grindstone in turn;
But the Beaver went on making lace, and displayed
No interest in the concern;

Fit 4 – De Jacht (Snarkvertaling Fit 4)

De Beursman sleep met de bediende een schop –
Ze draaiden om beurten de steen.
Maar de Bever keek niet van het kantklossen op
Naar al het gedoe om hem heen.

Vierde toeval  –  De Jacht

Bediende en Boekhouder slijpen een schop,
Ze draaien om beurten de steen;
Maar de Bever kijkt niet van haar kantklossen op,
Naar al dat gedoe om haar heen.

Dreun Nummer Vier – De jacht

De Winkelier en de Waard slepen samen een schop
En zwoegden om beurten aan de steen;
Maar de Woelmuis kantkloste, en hield niet op,
Ook niet met dat gedoe om zich heen.

Fit the Fifth  –  The Beaver’s Lesson

But the valley grew narrow and narrower still,
And the evening got darker and colder,
Till (merely from nervousness, not from goodwill)
They marched along shoulder to shoulder.

5e episode (Fit the fifth – DE BEVERLES)

Nauw en nog nauwer werd daar het dal
En de avond werd kouder en kouder.
En opeens (hoewel dat slechts van de zenuwen kwam)
Liepen ze schouder aan schouder.

Vijfde Toeval – Bever’s lessen

Maar het dal werd smal en smaller nog,
En de avond werd zwarter en kouder,
En zij liepen (van zenuwen en zelfbedrog)
Plotseling schouder aan schouder.

Dreun Nummer Vijf – De les aan de woelmuis

Maar al smaller en smaller werd toen ’t ravijn,
En donkerder werd ’t, en kouder;
En uit nervositeit, (niet om samen te zijn)
Marcheerden ze schouder aan schouder.

Fit the Sixth – The Barrister’s Dream

So the Snark found the verdict, although, as it owned,
It was spent with the toils of the day:
When it said the word ‘GUILTY!’ the Jury all groaned,
And some of them fainted away.

Hoofdstuk 6

De Snark volbracht / deed ook / deze opdracht geduldig;
Hoewel er loon naar zijn werken moest zijn,
Was de uitkomst voor hem echter duidelijk: SCHULDIG,
Hierna viel de Jury in katzwijm.

Zesde toeval – De droom van het balielid

Dus deed hij een uitspraak, hoewel, gaf hij toe,
Doodmoe van een dag lang in touw:
Toen hij “SCHULDIG” zei, kreunde ieder “Nou moe”,
En sommigen vielen ook flauw.

Dreun Nummer Zes – De droom van de wetsgeleerde

En zo klonk aan ’t eind van een slopende dag –
Dat vond iedereen, zelfs de Strok –
Door de zaal het woord “SCHULDIG!”, en dat was een slag,
Want de Jury viel half van haar stok.

Fit the Seventh – The Banker’s Fate

But while he was seeking with thimbles and care,
A Bandersnatch swiftly drew nigh
And grabbed at the Banker, who shrieked in despair,
For he knew it was useless to fly.

Hoofdstuk 7. Het lot van de Bankier

Maar terwijl hij zo zocht, met vergrootglas en maatstaf,
kwam een Gruwelgrijp snel naderbij
en greep de Bankier, die een angstige gil gaf
want vluchten dat was er niet bij.

Zevende toeval  –  Het lot van de bankier

Al sporend met vingerhoed en zeep
Kwam een Barbeleet borbelend in zijn vlucht;
Greep naar de Bankier, die al gillend begreep,
Dat redding niet lag in de vlucht.

Dreun Nummer Zeven – Het lot van de woekeraar

Maar toen hij met zorg en een vingerhoed liep
Kwam een Barbeleet fluks naderbij
En greep naar de Woekeraar, die radeloos riep;
Want vluchten was zinloos, zag hij.

Fit the Eight – The Vanishing

Erect and sublime, for one moment of time.
In the next, that wild figure they saw
(As if stung by a spasm) plunge into a chasm,
While they waited and listened in awe.

Hoofdstuk 8 – De Verdwijning

Rechtop stond hij daar, trots, het ene moment,
In het volgende kon men hem zien
– als gebeten door een venijnig serpent –
eraf storten. Gehoord werd nadien:

Achtste Toeval – Het Verdwijnen

Kaarsrecht, hoog en verheven, stond hij daar zo, even,
Maar dat vreemde lid van de bemanning,
Is plots als gestoken een kloof ingedoken:
Zij spitsten hun oren in spanning.

Dreun Nummer Acht – Verdwenen

Fier rechtop stond hij daar, een paar tellen maar.
Want daarna zag men hoe die figuur
(of een adder hem beet) dook in een spleet;
En zij wachtten – het leek wel een uur.

It has fórty-two sýllabs, an éxcellent vérse…

 Tweeënveertig lettergrepen en (in de uitspraak) eigenlijk ook zoveel versvoeten, veertien keer de anapest: vier in de eerste en derde regel, drie in de tweede en vierde. Ik geloof dat het zo’n kleine twintig keer (van de 141) Carroll lukte zo’n kwatrijn in zijn Snark te krijgen maar ik heb dat niet precies proberen na te gaan omdat het af en toe wel enigszins arbitrair is. In de vertalingen is dat alleen al vreselijk moeilijk omdat je dan eigenlijk uitsluitend manlijk rijm moet gebruiken. In Wauwelwok I schrijft De Bruijn dat Geradts dat geprobeerd heeft maar het is hem niet helemaal gelukt. Van de 141 kwatrijnen zijn er 18 die twee regels vrouwelijk rijm hebben; toch een hele prestatie!
Het staat elke vertaler natuurlijk vrij te doen wat hij of zij wenst; ik ben voor zoveel mogelijk vormbehoud in alle aspecten en die ‘veertien anapesten’ is eigenlijk een fundamentele eis.
Nog moeilijker of ingewikkelder misschien, is dat Carroll wanneer hij afwijkt van het abab-rijmschema dan in de niet rijmende regels, de eerste en derde, een binnenrijm toepast: het vijfde couplet van The Vanishing (hierboven) is daar een voorbeeld van en alle vertalers proberen dat steeds na te volgen, Van Weerden bijvoorbeeld:

Rechtop en verheven zag men hem nog even
Tot plots iets zwartigs verscheen,
En hij als door een wesp gestoken, geheel ingedoken,
Tot ontsteltenis van een ieder, verdween.

Van de LCG-groep uit de “5e episode”:

Opeens verscheurde een gil, piepend en schril,
De lucht, en ze wisten, daar is het gevaar:
De Bever werd bleek, waar je maar keek,
En zelfs de Beenhouwer voelde zich raar.

U ziet hoe lastig het is.

Het laatste kwatrijn, nummer 141 (toevallig?), is natuurlijk een volmaakte; ik heb zes vertalingen op een rijtje gezet. Oordeelt u zelf. (Overigens aardig te zien dat alleen Geradts en Ruizenaar de cursivering van het koppelwerkwoord in de laatste regel – terecht – overnemen.)

Carroll 1876:
In the midst of the word he was trying to say,
In the midst of his laughter and glee,
He had softly and suddenly vanished away –

For the Snark was a Boojum, you see.

LCG 1976:
Halverwege het woord dat zo eng had geschenen,
Halverwege de pret en ’t misbaar
Was hij plotseling van de aardbol verdwenen
Want de Snark was een Boozum, vandaar.

Spits 1977:
Halverwege dat woord dat maar half was verschenen,
Halverwege gelach om een grapje,
Was hij plotseling zachtjes verdwenen,
Want de Trek was een Boejem, dat snap je.

Geradts 1977:
Middenin ’t woord dat men half had verstaan,
Middenin zijn uitbundig festijn,
Was hij zachtjes en plotseling henen gegaan –
Want de Strok bleek een Boojum te zijn.

Ruizenaar 2001:
Halverwege het woord dat hij probeerde uit te spreken,
Temidden van zijn gelach en delirische ongein,
Verdween hij plots zachtjes zonder taal of teken,
Want, kijk, de Snark bleek een Boojum te zijn.

Van Weerden 2013:
In het midden van het woord (hoor wat ik zeg),
In het midden van zijn lach en het refrein
Vaagde hij zachtjes en plotseling weg,
Want de Snark bleek een Boojum te zijn.

Huiswerk

Op het symposium in 2022 deelde Casper een ‘huiswerkopdracht’ uit. Het vijfde kwatrijn van de vierde ‘Fit’:

‘I said it in Hebrew – I said it in Dutch –
I said it in German and Greek:
But I wholly forgot (and it vexes me much)
That English is what you speak!’

Iedereen mocht een vertaling naar hem mailen en dan zou hij daarover in 2023 een verhaal houden en wellicht ‘de beste’ aanwijzen … een soort vertaalwedstrijd dus, zoals ik het toen begreep.
In augustus stuurde ik hem een versie van mijn zoon Jur en één van mezelf maar kreeg geen reactie en pas nadat ik een echte brief naar zijn woonadres stuurde, reageerde hij dat hij “momenteel andere prioriteiten had”. Op het symposium in ’23 is er niet meer over gesproken. Welke vrienden hebben het ‘huiswerk’ ook gemaakt?
Onze vertalingen wijken af van het abab-schema maar hebben wel in de derde regel het binnenrijm en ook metrisch voldoen ze niet aan mijn eigen criterium … maar ‘ze lopen wel lekker’! Bovendien heeft mijn zoon er in de geest van LC nog een extra aardigheidje in gestopt.

“Ik zei ’t in Gronings – ik zei ’t in Fries
Probeerde ook Limburgs en Frans;
Maar ik vergat helemaal (waar ik vrees’lijk van baal)
Jullie spreken ja* Nederlands!”                                                * Groningisme: immers, toch etc.

Versie van Jur:
“Ik mikte op Mokums – ik babbelde Zeeuws –
ik knauwde zelfs Gronings en Drents;
maar ik dacht nooit één tel (en dat verbaasde me wel):
jullie spreken gewoon ABN!”

Voor de aardigheid hieronder de bladzijde uit de klapper van Casper met twee maal het coupletje uit de groepsvertaling. Frits vertelde dat Casper van elk kwatrijn alle versies op een aparte bladzijde in een klapper had bewaard en dat die map nog in de nalatenschap aanwezig is! Ook dat zijn zoon Boris vast wel bereid zou zijn daarvan een paar foto’s te sturen; Boris stuurde van de voorkant en van elke pagina een foto! De map is nog uit 1970 toen Casper in de gemeenteraad van Den Haag zat als vertegenwoordiger van de Kabouterpartij!

de jonge Casper

Ten slotte

Er valt natuurlijk veel meer te vertellen over de groep jonge enthousiastelingen die zich in de tweede helft van de jaren zeventig over de Snark boog en de keuzes die ze maakten. Zullen er ook na de vertaling van Henkes nieuwe jagers verschijnen? Vast wel. Misschien kan alles wat bijna vijftig jaar geleden is gemaakt en nooit in druk is verschenen hun een rijke basis verstrekken en wat zou het mooi zijn wanneer de illustraties van Frits daarvoor gebruikt werden!

Met veel dank aan Frits van der Waa voor zijn initiatief, zijn correcties en aanvullingen. Bovenal natuurlijk voor het ter beschikking stellen en opfrissen van zijn illustraties! Ook veel dank aan Boris Schuckink Kool voor ál die foto’s!

*En postuum dank aan Erdwin Spits voor de titel van dit artikel.

Leens, februari 2026