Skip to main content Scroll Top

Geen briefgeheim

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Het was een merkwaardige aankondiging geweest, zelfs naar Wonderlandse maatstaven. Op een ochtend hing er aan de konijnenpijp een vel papier waarop in grote letters geschreven stond:

GEZOCHT: POSTBODE. MOET KUNNEN LOPEN. BRIEVEN BEZORGEN. NIET AL TE VERBAASD KIJKEN.

Alice had het briefje gelezen, haar hoofd schuin gehouden, en gedacht: eigenlijk kan ik dat prima. Ze was immers al zo gewend aan Wonderland dat niets haar nog echt verbaasde.

En zo had ze de baan gekregen. Haar uniform was een blauw schort over haar gele jurk (het schort droeg ze toch al), haar tas was een grote canvas zak met KONINKLIJKE POST erop geborduurd in goud dat bijna meteen begon te vervagen, en haar eerste dag begon op een dinsdag, of misschien een vrijdag. De tijdmeting in Wonderland was, zoals altijd, aan de ruimere kant.

‘Ik heb zeven brieven,’ zei Alice hardop, terwijl ze de tas opende en de enveloppen telde. ‘En allemaal met een heel apart adres.’

Ze zuchtte, schikte de brieven op volgorde, en ging op weg

#

De eerste brief was geadresseerd aan:

De Heer Wit Konijn, Het Konijnenhol, Konijnenwei 1. Wonderland. Alstublieft op tijd bezorgen.

Alice klopte op de kleine deur in de heuvel. Er klonk gestommel, gevloek en het omvallen van iets dat klonk als een staande klok.

‘Wie is daar?’ riep een piepende stem.

‘De post!’ riep Alice.

Er volgde een stilte.

‘Is het laat?’

‘Ik weet niet precies …’

‘Natuurlijk is het laat!’ De deur vloog open en het Witte Konijn stond voor Alice, in zijn lakeienjasje, zijn horloge in de ene poot en een halve toast in de andere. Zijn ogen waren rood van de zenuwen. ‘Geef hier, geef hier, geef hier!’

Alice gaf hem snel de brief. Hij scheurde hem open, las hem met grote ogen, en werd nog bleker dan hij al was – wat een prestatie was voor een konijn.

‘Wat staat erin, als ik vragen mag?’ vroeg Alice vriendelijk.

‘Het is een uitnodiging,’ fluisterde hij. ‘Eentje van de Hartenkoningin. Voor haar grote theefeest. Aanvang: gisteren om half vier.’

Alice kuchte. ‘Dan bent u misschien al –’

‘Te laat!’ schreeuwde het Konijn, en voor Alice kon knipperen was hij verdwenen in het hol, waarbij hij de deur zo hard dichtsloeg dat er een vogel uit een nabijgelegen boom viel.

Alice schreef in haar bezorgboekje: “Brief afgeleverd. Ontvanger hevig ontstemd. Klok omgevallen. Post op tijd bezorgd naar Wonderlandse normen.”

#

De tweede brief was geadresseerd aan:

De Heer Gekke Hoedenmaker, Het theekransje (de tafel aan de buitenkant, altijd) bij de grote eik

Aan de lange tafel onder de eik zaten drie figuren: de Hoedenmaker, de Zevenslaper – met zijn hoofd in de theepot – en de Maartse Haas, die de tafelkleden aan het verleggen was van het vuile naar het schone uiteinde.

‘Post!’ riep de Hoedenmaker toen Alice naderde. ‘Prachtig! We hebben niets besteld, maar we willen het hebben!’

‘Ik heb maar één brief,’ zei Alice, lichtjes buiten adem. ‘Geadresseerd aan u.’

‘Aan mij?’ De Hoedenmaker pakte de envelop en draaide hem om en om. ‘Uit welk jaar?’

‘Dat weet ik niet precies.’

‘Wanneer is hij verstuurd?’

‘Dat staat er niet op –’

‘Dan,’ zei de Hoedenmaker, terwijl hij de brief met een besliste beweging in de theepot gooide, ‘is hij van de verkeerde kant van de tijd gekomen en hoef ik hem niet te lezen.’

‘Maar er kan iets belangrijks in staan!’ protesteerde Alice.

De Maartse Haas leunde naar haar toe. ‘Heeft u een stukje brood?’

‘Nee.’

‘Dan heeft u ook niets te zeggen over de post.’

‘Dat slaat nergens op,’ zei Alice.

‘Prachtig!’ riep de Hoedenmaker weer. ‘Ze begrijpt het systeem al! Thee?’

Alice zuchtte, viste de brief uit de theepot – hij was gelukkig niet nat geworden, want de pot was al leeg – en overhandigde hem nogmaals aan de Hoedenmaker, die hem nu opende.

Hij las. Zijn ogen werden groot. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog. Zijn hoed schokte gevaarlijk. ‘Wel heb ik ooit,’ zei hij uiteindelijk.

‘Wat staat erin?’ vroeg Alice.

‘De rekening. Voor zestienduizend theekopjes die ik in de loop der jaren gebroken heb.’ Hij keek Alice aan. ‘Heeft u wisselgeld?’

‘Ik ben postbode, geen bank.’

‘Jammer.’ Hij vouwde de brief op en gebruikte hem als onderzetter. ‘Volgende bezorging?’

Alice noteerde: “Brief afgeleverd na kortstondig verblijf in theepot. Ontvanger weigert te betalen. Niet mijn verantwoordelijkheid.”

#

De derde brief was geadresseerd aan:

De Kok van de Hertogin, Keuken, achterzijde, NIET via de voordeur (peper bij de ingang).

Alice deed voorzichtig de keukendeur open en werd onmiddellijk beschoten met een houten lepel.

‘Post!’ riep ze, terwijl ze dook.

De Kok, een grote, woeste vrouw met een pepermolen die ze als wapen droeg, keek haar misprijzend aan. ‘Brieven,’ snauwde ze. ‘Alsof ik tijd heb voor brieven.’

‘Het is maar één brief,’ zei Alice, hem aanreikend op armlengte.

De Kok griste hem mee, scheurde hem open, en las hem terwijl ze ondertussen de soep bleef roeren met haar elleboog.

‘Hmm,’ zei ze.

‘Goed nieuws?’ vroeg Alice hoopvol.

‘De peperhandelaar meldt,’ zei de Kok op een toon die suggereerde dat het allerminste goed nieuws was, ‘dat onze laatste bestelling niet meer geleverd kan worden omdat iemand alle peper van Wonderland heeft gekocht.’

Ze keek Alice aan. Een lange, dreigende blik.

‘Dat … dat was ik niet,’ stamelde Alice.

‘De soep,’ zei de Kok, ‘zal nu nergens naar smaken.’

‘Misschien,’ opperde Alice, ‘kunt u iets anders gebruiken. Nootmuskaat, of –’

De Kok pakte haar pepermolen en schuifelde op Alice af. Alice maakte snel rechtsomkeert.

“Brief afgeleverd,” schreef ze buiten adem. “Kok teleurgesteld. Kok gevaarlijk. Snel verder.”

#

De vierde brief was verreweg het merkwaardigst geadresseerd:

Aan het Hert In het Bos (Het weet zelf niet hoe het heet.)

Alice liep het stille bos in, waar de lucht zo zwaar was dat gedachten er langzamer doorheen bewogen. Ze merkte al gauw dat ze haar eigen naam vergeten was. Ze herinnerde zich gelukkig nog dat ze postbode was, want dat stond op haar tas.

Het Hert stond op een open plek te grazen. Het keek haar aan met grote, vriendelijke ogen.

‘Hallo,’ zei Alice. ‘Ik heb een brief voor u.’

Het Hert keek naar de brief. Toen naar Alice. Toen naar de brief.

‘Voor mij?’ klonk het, zacht en verbaasd.

‘Ja. Al weet ik niet hoe ik u moet aanspreken.’

‘Ik ook niet,’ zei het Hert schuchter.

Alice overhandigde de brief. Het Hert opende hem met zijn snoet – geen gemakkelijke klus – en hield hem voor zijn ogen.

Een lange stilte.

‘Wat staat erin?’ vroeg Alice.

‘Ik geloof,’ zei het Hert langzaam, ‘dat het een herinnering is. Van mezelf. Aan mezelf. Omdat ik het anders vergeet.’

‘Wat vergeet u dan?’

‘Dat ik het Hert In Het Bos ben.’

Alice dacht hier even over na. ‘Dat is eigenlijk een heel handig systeem.’

‘Ja,’ zei het Hert, en het vouwde de brief zorgvuldig op en legde hem onder een steen. ‘Ik stuur ze elke week. Aan mezelf. Via de Koninklijke Post.’

‘Dan bent u ook uw eigen afzender,’ besefte Alice.

‘Precies.’ Het Hert keek haar alleraardigst aan. ‘Jij bent ook iets, geloof ik.’

‘Postbode,’ zei Alice.

‘Klinkt nuttig.’

Ze liepen samen een eindje het bos uit, allebei vriendelijk en allebei naamloos, totdat de bomen dunner werden en Alice zich weer herinnerde wie ze precies was.

“Brief afgeleverd,” schreef ze. “Bijzonder geval. Geen zorgen. Alles in orde.”

#

De vijfde brief was geadresseerd aan:

Haar Majesteit de Witte Koningin, Het schaakbord, vijfde rij, of daarvoor, want ze loopt altijd achteruit.

Alice had een kwartier rondgelopen voordat ze de Witte Koningin vond – achteruit rennend door een weiland, haar haar in alle richtingen wapperend, van haar kroon ontbrak elk spoor.

‘Post!’ riep Alice.

‘Ik heb hem al ontvangen!’ zei de Witte Koningin over haar schouder.

‘Maar ik heb hem nog niet bezorgd!’

‘In de toekomst wel! Ik herinner het me heel levendig!’

Alice haalde diep adem en rende naast de Koningin mee. ‘Mag ik hem toch overhandigen? Voor de administratie?’

‘O, als het moet.’ De Koningin bleef ineens staan, zodat Alice bijna tegen haar op botste, en nam de brief aan. Ze opende hem al huilend, voordat ze hem gelezen had.

‘Het slechte nieuws zit er al aan te komen,’ legde ze uit, snikkend op een manier die eigenlijk vrij aangenaam klonk.

‘Wat staat erin?’ vroeg Alice, op haar hoede.

De Koningin las. Haar gehuil hield op. Ze keek verbaasd. ‘Het is … goed nieuws.’

‘Fijn!’

‘Dat is het probleem.’ De Koningin keek haar vragend aan. ‘Ik heb al gehuild. Wat moet ik nu?’

‘Lachen, misschien?’

De Witte Koningin probeerde het. Het resultaat was vreemd, maar welgemeend. ‘Het goede nieuws,’ deelde ze mee, ‘is dat ik volgende donderdag jam krijg. Niet gisteren, niet morgen, maar volgende donderdag.’

‘Dat klinkt heel redelijk,’ zei Alice zuinigjes.

‘Ja,’ zei de Witte Koningin wantrouwig. ‘Dat is het probleem.’

“Brief bezorgd,” noteerde Alice. “Ontvanger huilend vóór aanvang. Jam op komst. Alles naar omstandigheden in orde.”

#

De zesde brief was de zwaarste:

Aan Hare Majesteit de Hartenkoningin, Hartenhof, troonzaal. Hoogst uiterst urgent te bezorgen voor de bijl valt.

Alice stond voor de grote rode poort van het paleis. Twee Hartensoldaten stonden op wacht. Ze staarden recht voor zich uit.

‘Ik heb post voor de Koningin,’ zei Alice.

‘Iedereen heeft wat voor de Koningin,’ zei de ene soldaat. Hij spuugde op de grond.

‘Of ze denken dat ze dat hebben,’ zei de andere. Hij trok zijn lip omhoog en toonde zijn tandvlees.

Alice deinde terug. De man stonk uit zijn mond. ‘Dit,’ zei ze kuchend, ‘is officiële post. Van de Koninklijke Post. Ik ben postbode.’

‘Aha,’ zei de ene soldaat.

‘Oho,’ zei de andere.

‘Dat staat op haar tas,’ zei de eerste weer.

‘Dan mag ze door,’ besloot de tweede.

In de troonzaal, vol Hartenfiguranten die angstig stonden te knikken, zat de Hartenkoningin op haar troon. Ze keek Alice aan met de uitdrukking van iemand die van plan is om binnenkort iets te laten afhakken.

‘Post,’ kondigde Alice aan, zo zelfverzekerd als ze kon.

‘Geef hier.’ De Koningin graaide de brief weg. Ze las. Haar gezicht doorliep een heel scala aan kleuren: rood (normaal), donkerrood (boos), paarsrood (woedend), en toen, plotseling, een tint die Alice nog nooit bij haar had gezien: roze.

‘Kijk eens aan,’ zei de Koningin. Haar stem klonk heel anders, nu.

‘Goed nieuws?’

‘De Hartenkoning,’ zei de Koningin, ‘stuurt me een brief.’ Ze zweeg. ‘Hij schrijft dat hij … dat hij …’ Ze ging met haar hand langs haar hals. ‘Dat hij me heel aardig vindt.’

De hele troonzaal hield de adem in.

‘Dat is lief,’ zei Alice.

‘Het is compleet belachelijk,’ zei de Koningin, maar ze vouwde de brief zorgvuldig op en stopte hem in haar mouw. ‘Vertel niemand dat ik dit gezegd heb, maar …’ Ze boog zich naar Alice toe. ‘Ik vind hem ook heel aardig.’

‘Uw geheim is veilig bij mij,’ zei Alice plechtig.

‘Goed.’ De Koningin rechtte haar rug. ‘En nu: eraf met haar –’

‘Ik ga al,’ zei Alice, en ze was reeds bij de deur.

“Brief afgeleverd,” schreef ze buiten, haar hand een beetje trillend. “Koningin ontroerd. Niemand onthoofd. Succesvolle dag.”

#

De laatste brief had een onverwacht adres:

Aan Alice, De Oever bij de Wilg, Ergens Buiten Wonderland

Haar eigen naam! Haar eigen adres, of wat haar adres was geweest, voor ze in het konijnenhol gevallen was.

Alice liep naar de rand van Wonderland, waar de kleuren zachtjes overgingen in gewoon groen, doorsnee blauw en alledaags zonlicht. De rivier murmelde. Een wilg hing zijn takken er nonchalant overheen.

Ze opende de brief. Erin stond, in een handschrift dat ze niet meteen herkende maar dat toch vertrouwd aanvoelde:

Beste Alice,

Vergeet niet dat Wonderland er altijd voor je is. Niet alleen als je er zelf bent, maar ook en misschien zelfs vooral als je er niet bent. Dan verlangt Wonderland hevig naar jou! Dat is nu eenmaal de natuur van bijzondere plaatsen.

Met warme groet, jouw Wonderland

P.S. De Kolderkat wilde ook wat schrijven, maar kon niet kiezen tussen zijn begin en zijn einde, dus heeft hij het maar gelaten.

Alice las de brief twee keer. Toen vouwde ze hem op en stopte hem in haar zak, naast een platte, beschilderde steen, een gedroogde wasa-wasa-bloem en andere kleine dingen die ze bewaarde. Ze draaide zich om naar het bos achter haar en zag de felrode rozenstruiken, hoorde de verre hoge tik-tak-toon van de croquet-hamers, en snoof de geur van heerlijke jasmijnthee op.

Toen liep ze terug Wonderland in. Er waren morgen vast weer brieven te bezorgen.