Inleiding
In Het Parool van 2 juli 1966 vergeleek Huug Kaleis Hugo Brandt Corstius met Lewis Carroll, “de wiskundige die, behalve Alice in Wonderland, ook talrijke satirische pamfletten schreef.” Hij deed dat in een recensie (‘Buitelend satiricus aan het woord’) van De reizen van pater Key, dat Hugo Brandt Corstius schreef onder pseudoniem Raoul Chapkis. Brandt Corstius stond op dat moment (1966) overigens nog maar aan het begin van zijn carrière als columnist.
De vergelijking van Kaleis kwam onder mijn aandacht bij het lezen van de biografie Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1938-2014 door Elsbeth Etty. In die biografie ontdekte ik meer overeenkomsten tussen beide heren en dat vond ik al met al voldoende aanleiding om de volgende vraag te onderzoeken: ‘Is Hugo Brandt Corstius de Nederlandse Lewis Carroll?’ Tijdens het symposium op 20 september 2025 heb ik een lezing gegeven over dit onderwerp en heb ik een aantal artikelen hierover aangekondigd. Drie artikelen gaan in op drie verschillende aspecten van het werk van beide auteurs: fictie, opiniestukken en taalfilosofie. Mijn artikel in het januari-nummer van Phlizz ging over fictie, dit artikel gaat over opiniestukken.

Hugo Brandt Corstius

Hugo Brandt Corstius als columnist
Het aantal columns dat Brandt Corstius heeft geschreven is ongekend groot. Hij begon zijn loopbaan als columnist bij het Amsterdamse studentenblad Propria Cures; hij is vooral bekend door zijn bijdragen aan talrijke dag- en weekbladen, met name Folia, VN, de Volkskrant, Het Parool en NRC Handelsblad. Ook was hij betrokken bij het controversiële satirische tv-programma ‘Zo is ’t toevallig ook nog eens een keer’ dat van 1963 tot 1966 te zien was, leverde hij bijdragen voor het tv-programma ‘Hadimassa’ en nam hij deel aan het VPRO-Radioprogramma ‘Welingelichte Kringen’ totdat dat stopte in 1997. Een groot aantal van zijn columns is opgenomen in bundels met als meest opvallende Het beste van Hugo Brandt Corstius, een selectie die Liesbeth Koenen aantrof in zijn nalatenschap in een map met de titel ‘Juweeltjes’.
Hieronder geef ik de meest opvallende kenmerken van de opiniestukken van Brandt Corstius, met van elk kenmerk één of meer voorbeelden.
Een grote hoeveelheid met veel pseudoniemen
Brandt Corstius publiceerde, zoals gezegd, in diverse media en maakte daarbij gebruik van een groot aantal (meer dan 60) pseudoniemen. De bekendste daarvan zijn Raoul Chapkis, Piet Grijs, (Hugo) Battus, Batticus, Victor Baarn, Stoker, Dolf Cohen, Maaike Helder, Peter Malenkov, Talisman, G. van Buren en Jan Eter.
Waarom zoveel pseudoniemen? Zelf zei hij dat elk pseudoniem een kant van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigde, maar volgens Elsbeth Etty kan dat niet kloppen: ”Daarvoor lijken zijn alter ego’s te zeer op elkaar en komen hun artikelen zowel inhoudelijk als stilistisch te sterk overeen”. Zij voert het terug op zijn productiviteit: “Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was.” [1]
Humor, woordspelingen, goochelen met logica
Brandt Corstius gaf zelf zijn ‘zes trucs’ als volgt prijs: “Maandag de omkering, dinsdag de reductie naar het absurde, woensdag het huiselijk maken van verheven zaken of personen, donderdag de analogie, vrijdag het sprookje en zaterdag de scheldpartij.” [2] Woordspelingen en verrassende strak logische redeneringen speelden bij hem een belangrijke rol. Ik geef enkele voorbeelden.
“Wie mij leest moet ook zelf werk doen. Hij moet uitzoeken wat ik meen, wat ik niet meen, wat ik lieg en een enkele keer waarin ik me vergis. In die zin durf ik te zeggen: Ik heb nog nooit gelogen.” [3]
“Wordt vervolgd, zoals de politiecommissaris zei over de bommengooier.” [4]
“Laten we zo gauw mogelijk met ons leger België binnenvallen. ‘Hoe komt-ie daar nu bij?’ zult u zeggen. Maar die verbazing is juist het doorslaggevende element om het nu zo snel mogelijk te doen: de verrassing is de beste aanval. Ik wed dat er geen Nederlandse soldaat bij zal sneuvelen, en dat in tien dagen heel België veroverd is. En het is het succes dat onze actie rechtvaardigt.” [5]
Het anker: linkse politieke opvattingen
Hugo Brandt Corstius was een politiek geëngageerd columnist en voor veel van zijn columns vormden de courante politieke opvattingen van links het uitgangspunt [6]. Elsbeth Etty noemt hem een “linkse opiniemaker” [7].
“Het is mijn taak om aan het kruis te nagelen wie zulks verdient”, schreef hij in de Volkskrant [8]. En wie waren dat dan? “Instituten en hun vertegenwoordigers – als de godsdienst, monarchie, rechtse politici, voorstanders van kernbewapening enzovoort” [9]. Vooral CDA- en VVD-politici moesten het ontgelden; zij verziekten naar zijn mening de democratie [10]. Toen in mei 1973 het centrum-linkse kabinet-Den Uyl aantrad, stak Brandt Corstius zijn blijdschap niet onder stoelen of banken: “Kan je in je eentje juichen? Alle weekbladen zijn het eens: ze zijn niet blij dat Den Uyl minister-president wordt. Ik wel. […] Het zal gek zijn om een minister-president te hebben waar je zelf op gestemd hebt. […] Zet hem op Joop!” [11].
Kruistocht tegen autoriteiten en meehuilers
In het algemeen ging hij tekeer tegen instituties en hun vertegenwoordigers: “Machthebbers die zich hullen in hermelijnen mantels, uniformen, driedelige pakken of witte jasschorten, wier duistere praktijken het daglicht niet kunnen velen”. [12]
Vanuit zijn politieke opvattingen richtte hij zich tegen centrum-rechtse kabinetten:
“Met stemmen krijgen we Stalen Jezus [Biesheuvel, BS] dus nooit weg. Weet u nog hoe Amsterdam die regent Van Hall weg pestte? Dat is de enige manier. Schelden, onredelijk zijn, vergaderingen verstoren, vloeken, bij televisieinterviews eieren op zijn Christelijke neus, gewoon zorgen dat de lol er voor hem af gaat.” [13]
Ook de kerk moest het ontgelden. In de woorden van Gijselhart: “handelaren in de dood – van paus tot koster, van president tot kelderbouwer”, “profeten van het oude en nieuwe geloof”. [14] “Geloof is intellectuele suïcide”, schreef Brandt Corstius in 1959 [15]. In ‘Ik word christen’ [16] bepleitte hij om het christendom dezelfde functie te geven als abattoirs of wc’s. Over abattoirs: “Mensen hebben tekorten. Zo lusten ze graag vlees. Maar zelf een koe doodsnijden durven ze niet, en ze willen het niet zien ook. Dus zijn er abattoirs in verre buitenwijken”. Over wc’s: “De mensen schamen zich daarvoor en daarom is er in elk huis een klein kamertje met een slot erop”. Over het christendom: “Drie pausen heb ik in mijn korte leventje al beledigd, en wat haalt het uit? Je kan net zo goed proberen de mensen vegetariër te maken of ze de wc af te raden. Ik accepteer dus dat mensen, net zoals ze niet kunnen vliegen, niet altijd redelijk kunnen zijn. Maar dan wil ik ook dat voor deze beschamende onzinnige activiteiten net zoals voor slachtvee en fecaliën, een hoekje wordt gevonden, waar het niet te veel opvalt, en waar vaklui hun werk doen.”
Het koningshuis was voor hem ook een dankbaar onderwerp en dan vooral Prins Bernhard, “die de zaak voor een paar miljoen dollars bestal” en “het liefst een vliegtuig in een Zuid-Amerikaans bordeel zou verkwansen.” [17].
Maar hij kon zich ook flink opwinden over de zgn. meehuilers. In de woorden van Ad Gijselhart: “Onder deze ‘verrotte toplaag’ staan […] de kleine meehuilers, de warhoofden en onbenullen, zoals zich links voordoende intellectuelen die de plaatsing van kruisraketten in ons land verdedigen en daarom prompt door Brandt Corstius voor ‘huurmoordenaar’ en ‘fascist’ worden uitgemaakt.” [18]

Tegenstanders kwetsen en grof ridiculiseren
In 1984 werd hem de PC Hooftprijs toegekend, maar de minister van cultuur, Elco Brinkman, weigerde hem die uit te reiken omdat hij kwetsen tot instrument zou hebben gemaakt. Dat kwetsen betrof o.a. het koningshuis; hij is drie keer aangeklaagd voor majesteitsschennis maar nooit vervolgd. Een aanval met argumenten was voor hem niet genoeg, hij hanteerde een grove aanvalsstijl. Hij noemde Theo van Gogh “de antisemiet op zondag”, minister-president Biesheuvel “een ontstellende slijmjurk, een echte protestantse piemel, zo’n purperen patjepeeër” [19], filosoof en publicist Cornelis Verhoeven een “Brabantse gluipkop” [20], Beatrix en Claus “twee uitgedroogde rozijnen” en “Prinses Leegheid en Prins Onbenul” [21].
Diverse malen vergeleek hij politici met nazi’s. “Ruding [minister van financiën, BS] zegt in de Kamer dat wie niet genoeg moeite doet om uit de bijstand te raken, geen bijstand meer moet ontvangen. De ondankbaren moeten verhongeren. Verhongeren duurt te lang. Vergassen is beter. Ruding is de Eichmann van onze tijd.” [22] En: ”Hitler heeft bij mijn weten nooit een zelfgemaakte maas in een zelfgemaakte wet gebruikt om zichzelf geldelijk voordeel te verschaffen. Toen hij zijn land tot een puinhoop had gemaakt pleegde hij zelfmoord. Lubbers [minister-president, BS] zit dan met zijn miljoenen in Florida.” [23]
Lezers schokkeren
Stan Huygens schreef in De Telegraaf het volgende over Brandt Corstius: “Tegenwoordig hoeft men blijkbaar niet die fatsoensnormen te hanteren die tegenover iedere Nederlandse burger in acht worden genomen”. [24] En de criticus Rob Schouten zei in 1993: “Brandt Corstius heeft er een, inmiddels voorspelbare maar daarom niet minder angstaanjagende gewoonte van gemaakt om de mensen onder zijn gehoor de vreselijkste invectieven toe te voegen. Wat niemand durft doet deze briljante pitbull.” [25]
Volgens Etty hanteerde hij “de provocatie als verdienmodel” [26] en Van Amerongen noemde hem in 1985 een “onintimideerbare herrieschopper” die er in slaagde “óók degenen te schokken die zich tot dusverre onschokbaar waanden.”
“Zonder rel geen debat”, zei Brandt Corstius zelf tijdens een lezing aan de Universiteit van Amsterdam op 29 januari 2005. En: “Ach, gaf De Telegraaf mij toch de gelegenheid om elke dag een kwart kolom te mogen vullen. Dan schreef ik alle andere kranten de vernieling in, en bracht ik dit vadsige volk tot razernij.” [27]
Regelmatig wendde Brandt Corstius zich ook rechtstreeks tot zijn lezers. Een voorbeeld, waarin hij huichelachtigheid aan de kaak stelt: “Waarom zo’n ingewikkelde smoes? Waarom bent u niet gewoon openlijk een egoïst, en roddelaar, een dief, een rondneuker, een leugenaar, een schoft, een racist, een luilak, een zwijn, een varken, een hond, en oorwurm, een spin, een slang, en rund, een zak, een zuurstof, een uil, een koe, een kalf, een heel paard half, en nog kunt u van de geilheid niet slapen, van de hebzucht niet gapen, zonder leugens niet praten en het graaien niet laten.” [28]
Onder zijn lezers bevonden zich vast veel gymnasiasten en/of ouders die hun kinderen naar het gymnasium stuurden en zij kregen het volgende te lezen: “Het gymnasium is een standenschooltje. Ouders sturen hun kinderen naar het gymnasium om daar op het golfveld over te kunnen opscheppen. Ouders doen het ook om de huwelijksmarkt voor hun kinderen exclusief te houden.” [29]
Een vasthoudende, tegendraadse betweter
Het beeld dat uit zijn columns naar voren komt is dat van een vasthoudende, tegendraadse betweter. Zijn vasthoudendheid blijkt in het bijzonder uit een tweetal langdurige vetes die hij uitvocht. In de eerste plaats was daar zijn jarenlange strijd tegen Buikhuizen, de bio-criminoloog die een omstreden onderzoek uitvoerde naar de erfelijkheid van criminaliteit. Brandt Corstius noemde hem een wegbereider naar het nieuwe fascisme. Ook had hij een jarenlange ruzie met mede-VN-columnist Renate Rubinstein alias Tamar, die hij onder meer antisemitisme verweet. Een complicatie was dat hij verliefd op haar was en haar actief het hof maakte. Een kortstondige vrijage werd door Rubinstein beëindigd, waardoor Brandt Corstius volledig van de kaart raakte. Rubinstein hield vol dat de haat jegens haar in zijn columns werd veroorzaakt doordat zij hem de bons had gegeven, wat Brant Corstius bleef ontkennen [30].
Ten slotte nog een typisch betweterige opmerking: “Ik was … een groot bewonderaar van de verhalen, de toneelstukken, de essays, en vooral de autobiografie De woorden, van J.P. Sartre. Politiek vond ik het een domoor.” [31]
Lewis Carrolls opiniestukken
Het fenomeen ’columnist’ bestond nog niet in de tijd van Carroll. De column zoals wij die nu kennen, ontstond geleidelijk in het begin van de 20e eeuw, de Engels term ‘columnist’ dateert ook uit die tijd. Pas in 1984 verschenen de termen ‘column’ en ‘columnist’ in Van Dale.
Lewis Carroll bemoeide zich graag met van alles en had overal een mening over. Met name wanneer hij een gebrek aan logica of rechtvaardigheid constateerde, klom hij in de pen. Hij bestreek daarbij een veelheid aan onderwerpen. Tussen 1860 en 1897 produceerde hij ca. 185 opiniestukken. Ze varieerden in formaat van een enkel velletje tot boekjes van meer dan 40 pagina’s en waren ook divers qua publicatiewijze: ingezonden brieven en artikelen in kranten en tijdschriften, door uitgevers gepubliceerde essays en ook op eigen initiatief gedrukte pamfletten die hij verspreidde onder bekenden, liet verkopen in boekwinkels en aanbood aan de bibliotheken van de Universiteit Oxford. Carrolls opiniestukken zijn door de Lewis Carroll Society of North America verzameld in een zesdelige serie The Pamphlets of Lewis Carroll. Een Nederlands overzicht is te vinden in Lewis Carroll: columnist avant la lettre (Savenije 2024).
Hieronder loop ik de kenmerken langs die beschreven zijn bij Brandt Corstius en geef ik aan in hoeverre die van toepassing zijn op Carroll.
Een grote hoeveelheid met veel pseudoniemen?
Hoewel het aantal opiniestukken dat Carroll produceerde, aanzienlijk was (ca. 185), blijft dit ver verwijderd van de omvang van de productie van Brandt Corstius.
Wat pseudoniemen betreft, in dit artikel gebruik ik steeds de naam ‘Lewis Carroll’ maar in feite is dat een pseudoniem van Charles Lutwidge Dodgson. Vanaf 1853 (de publicatiedatum van het gedicht ‘Solitude’) gebruikte hij dit pseudoniem, in eerste instantie alleen voor zijn literaire werk; hij ergerde zich mateloos aan de vermenging daarvan met zijn bestaan als wiskundedocent. Geleidelijk werd hij echter wat opportunistischer: zijn logische werken Game of Logic en Symbolic Logic publiceerde hij onder zijn pseudoniem, omdat hij hoopte dat de verkoop daarvan bevorderd zou worden door zijn bekendheid als auteur van de Alice-boeken. Maar wanneer hij optrad als lid van de academische gemeenschap van Oxford, of zijn deskundigheid als wiskundige wilde benadrukken, gebruikte hij steevast zijn eigen naam.
Een enkele keer publiceerde hij anoniem en waren later dagboekaantekeningen van hemzelf of één van zijn vrienden nodig om zijn auteurschap te kunnen bevestigen.
Opvallend in dit verband is het pamflet ‘The Offer of the Clarendon Trustees’ (1868) dat hij ondertekende met ‘Mathematicus’.
Humor, woordspelingen, goochelen met logica?
Humor en satire vinden we vooral in Carrolls universitaire pamfletten. In ‘The Offer of the Clarendon Trustees’ (1868) bepleitte hij bijvoorbeeld dat in het landgoed Clarendon niet een nieuw laboratorium voor de natuurwetenschappen werd gevestigd (zoals het universitaire bestuur wil) maar een voorziening voor de wiskunde met onder meer als eis “een bijzonder grote ruimte voor het berekenen van de grootst gemene deler”en “een open terrein voor het houden van wortels en het oefenen in het trekken daarvan.” [32]
Woordspelingen treffen we o.a. aan in ‘The dynamics of a particle’ (1865) waarin hij het gedrag van het universitaire bestuur beschreef in termen die sterk lijken op meetkundige begrippen: “plain superficiality”, “plain anger”, “obtuse anger”.
In ‘Education for the Stage’ (1882) benadrukte hij het belang van het opzetten van een toneelopleiding. Toen een tegenstander een enigszins kromme redenering hanteerde, sloeg hij deze om de oren met een reductio ad absurdum: “Evengoed zou je Jumbo kunnen bekritiseren voor het feit dat hij geen voorzorgsmaatregelen heeft getroffen tegen zijn gedwongen overplaatsing naar het buitenland door zitting te nemen in het Lagerhuis”. Jumbo was een olifant uit Soedan die in 1865 naar de Londense dierentuin was gebracht. In februari 1882 werd hij verkocht aan de Amerikaan P.T. Barnum, wat voor veel ophef zorgde [33].
Anker?
In veel van zijn opiniestukken baseerde Lewis Carroll, die diaken was van de Anglicaanse kerk, zijn opvattingen op het geloof. Wanneer zijn opvattingen daarvan afweken motiveerde hij dat omstandig. Zo argumenteerde hij tegen een inperking van de rol van geestelijken in de universiteit, betoogde hij dat te veel rituelen in een kerkdienst de gelovigen tot toeschouwers in plaats van deelnemers reduceerden en wond hij zich behoorlijk op over scherts over religieuze zaken, of dat nu toneelvoorstellingen betrof of baldadig gedrag van studenten. “Deze laatste uiting van oneerbiedigheid, hoe schokkend ook als een grote en plotselinge stap neerwaarts, is slechts het logisch gevolg van een trend die de Oxfordse gemeenschap stevig in zijn greep heeft genomen en langzaam, als een kankergezwel, het hart van ons religieuze leven aantast.” [34]
Een eigen invulling van het geloof zien we bij zijn pleidooi dat hertrouwen na een scheiding mogelijk moet zijn en in zijn strak logisch betoog dat God geen eeuwige straf kent. Alhoewel theaterbezoek not done was voor geestelijken (en voor parochiegeestelijken zelfs expliciet verboden), bezocht Carroll regelmatig het theater. Hij klom vervolgens diverse malen in de pen om zijn afkeuring te ventileren over door hem waargenomen gedrag en/of teksten: “Hoe de heer Gilbert zich kan hebben verlaagd om zulke verachtelijke rommel te schrijven, of hoe Sir Arthur Sullivan zijn nobele kunst heeft kunnen vergooien om dit op muziek te zetten, gaat mijn bevattingsvermogen te boven.” [35]
Tegen autoriteiten en meehuilers?
Carroll verzette zich niet zozeer tegen instituties als zodanig, maar wel tegen autoriteiten wanneer hij daar inhoudelijk aanleiding toe zag. Dat betrof dan vooral de autoriteiten van de Universiteit Oxford en van Christ Church. Hij deed dat zonder aanzien des persoons: de dean van Christ Church was Henry Liddell, de vader van Alice en hij kwam regelmatig bij de familie Liddell over de vloer.
We zien dit in het bijzonder bij zijn universitaire pamfletten over de verbouwing van Christ Church. In ‘The New Belfry of Christ Church’ becommentarieerde hij de verbouwing van de klokkentoren, onder meer met een toneelstukje waarin dean Liddell voorkomt als Hamlet die een geest in de vorm van een nieuwe klokkentoren ziet.
Ook in vergaderingen schuwde hij het debat niet. Hij bekritiseerde zelfs de deelnemers aan een gremium als de Congregation als groep in ‘The Proctorial Cycle’ (1885): “Ik twijfel of welke redevoering dan ook een noemenswaardige invloed kan hebben op de stemming. Men komt met een reeds ingenomen standpunt, luistert met nauwelijks verhuld ongeduld naar het debat en neemt dan onmiddellijk, zonder er ook maar enigszins acht op te slaan, deel aan de stemming zoals het geweten of vrienden reeds hebben ingegeven.” [36]

Tegenstanders kwetsen en grof ridiculiseren
We zagen al dat hij in universitaire debatten zijn tegenstanders regelmatig belachelijk maakte. Hier volgt nog een voorbeeld: “Op zijn minst mag men erop vertrouwen dat niemand zal worden afgeleid door een zo flinterdun betoog als dat van Mr. Pelham in het vorige debat – dat ‘wat wiskundig waar is, gewoonlijk in de praktijk onwaar blijkt te zijn!’ […] Zou hij willens en wetens aan boord gaan van een schip waarvan de kapitein zijn wilde theorie had toegepast bij het berekenen van de breedte en de lengte ervan?” En: “Men kan slechts bewondering hebben voor de eenvoud van de lezer die ook maar enig gewicht aan een dergelijk pleidooi hecht.” [37]
Deze stijl zien we ook in zijn ingezonden brieven in kranten. Hij beantwoordde steevast de lezersreacties die zijn brieven opriepen, maar met name wanneer hij een gebrek aan logica constateerde, kon hij flink uit zijn slof schieten. Over een groep van vrouwelijke opponenten schreef hij in ‘Children in Theatres’ (1887): “Langdurige ervaring met dit verrukkelijk geslacht heeft me geleerd dat hun systeem van ordenen een repeterende breuk is, dat analogie voor hen gelijk is aan identiciteit en herhaling gelijk aan bewijs en dat ze altijd de onus probandi [bewijslast, BS] bij hun opponenten leggen.” [38]
Vasthoudende, tegendraadse betweter?
Carroll kon zeer vasthoudend zijn: zo betoonde hij zich bij herhaling tegenstander van een verhoging van de honorering van de hoogleraar Jowett die, vanwege het feit dat hij geen geestelijke was, een laag salaris had. Hij kwam er diverse malen op terug, doch steevast zonder argumentatie.
Een voorbeeld van tegendraadsheid vinden we in ‘Traitors in the Camp’ (1881) dat gaat over het strafbaar stellen van verboden rituele gebruiken tijdens de kerkdienst. Hij ging hierin tekeer tegen de arrestatie van overtreders, omdat dit de voorstanders van die rituelen in de kaart zou spelen. “Wie – zo vraag ik in de naam van het verontwaardigd gezond verstand – heeft dit meer dan suïcidale beleid bedacht?” “Welk weldenkend mens heeft niet door dat elk van de woedende sprekers in werkelijkheid opgewonden is van stiekeme vreugde?” [39]
De betweter in Carroll komt naar voren in zijn ingezonden brief over ‘Teveel honden’ waarin hij het hebben van een huisdier een verspilling van voedsel noemde, wat hij ook nog getalsmatig probeerde te onderbouwen, toen zijn standpunt kritiek van lezers opriep.
Lezers schokkeren?
Veel van Carrolls opiniestukken hebben de vorm van ingezonden brieven in kranten; deze ontlokten vaak reacties waarop hij altijd weer uitgebreid reageerde. We zagen al dat hij daarin soms cynisch kon zijn, maar hij had daarbij niet de doelstelling om te schokkeren, hoogstens wilde hij met de nodige overdrijving aandacht voor ‘zijn punt’ vragen. Ook bij de raadsels die hij in tijdschriften publiceerde, reageerde hij altijd op de ingezonden oplossingen. Hij zocht contact met zijn lezers en genoot daar duidelijk van, soms weliswaar met verbaal geweld, maar steeds gericht op discussie over de inhoud.
Conclusie
Brandt Corstius omschreef een columnist ooit als “iemand die overal een mening over heeft, het liefst een eigenzinnige mening en altijd in een aangename vorm verpakt”. [40] Deze omschrijving is duidelijk op beiden van toepassing.
Een kenmerkende overeenkomst is daarbij het regelmatig gebruik van humor, woordspelingen en logica, wat niet verrassend is gelet op het feit dat beiden een wiskundige achtergrond hadden en veel belangstelling voor taal. Beiden gingen ze ook zonder aanzien des persoons tekeer tegen autoriteiten, maar bij Brandt Corstius was hier sprake van “een kruistocht”, een voortdurende strijd, die niet alleen vaak op de persoon was gericht, maar ook een duidelijke afkeer van instituties liet zien. Bij Carroll was geen sprake van een dergelijke afkeer, zijn strijd was vooral onderwerpsgericht. Beiden hadden daarbij plezier in tegenstanders te ridiculiseren. Brandt Corstius zag er daarbij niet tegen op de betrokkenen ook flink te kwetsen, Carroll beperkte zich echter tot satire en cynisme. Tegendraadse vasthoudendheid is ook een eigenschap die we bij beiden tegenkomen: een eenmaal begonnen strijd werd niet snel opgegeven.
Een opvallend verschil is de omvang van hun productie: de hoeveelheid stukken van Brandt Corstius is overweldigend en Carroll was niet primair een ‘stukjesschrijver’. Ook de grote variëteit van pseudoniemen van Brandt Corstius zien we niet bij Carroll. Daarnaast is hun maatschappelijk vertrekpunt, hun ‘anker’, verschillend: bij Brandt Corstius was dat de linkse politiek, bij Carroll het geloof en de bijbehorende moraal. En tenslotte noem ik nog de attitude ten opzichte van de lezer: Brandt Corstius wilde zijn lezers graag schokkeren, Carroll zocht ze eerder op voor een debat.
Samenvattend: beiden waren typische columnisten, zij het dat het verschijnsel ‘column’ ten tijde van Carroll nog niet bestond. Afgezien van de omvang van de productie is het meest in het oog springende verschil dat de botheid die kenmerkend was voor Brandt Corstius, bij Carroll afwezig was: hij betoonde zich regelmatig een cynicus en satiricus maar schreef bij voorkeur vanuit de inhoud van het debat, waarbij hij zich bijzonder ergerde aan een gebrek aan logica.
Noten
- Etty, 2024.
- Haagse Post, 27 oktober 1979; Etty 2024, p.238.
- de Volkskrant, 24 december 1986.
- VN, 20 april 2000.
- Het Parool, 26 februari 1971.
- Brouwers 1969-1970, p.41.
- Etty 2024, p.208.
- de Volkskrant, 22 maart 1984.
- Gijselhart 1986 p.142.
- Gijselhart 1986, p.143.
- VN, 12 mei 1973.
- Gijselhart 1986, p.142.
- VN, 26 juni 1971.
- Gijselhart 1986, p.142-3.
- Propria Cures, 19 mi 1959.
- VN, 24 februari 1973.
- VN, 25 november 1978.
- Gijselhart 1986, p.143.
- VN, 26 juni 1971.
- Etty 2024, p.263.
- VN, 25 november 1978.
- VN, 31 oktober 1984.
- Haagse Post, 9 augustus 1986.
- De Telegraaf, 24 november 1978.
- Geciteerd in Etty 2024, p.351.
- Etty 2024, p.261.
- Haagse Post, 27 oktober 1982.
- VN, 17 februari 1973.
- de Volkskrant, 24 april 1994.
- Vittorio Busato, Biografieportaal, 16 mei 2025.
- de Volkskrant, 4 februari 1994.
- Savenije 2024, p.82.
- Savenije 2024, p.45.
- Savenije 2024, p.34.
- Savenije 2024, p.59.
- Savenije 2024, p.76.
- Savenije 2024, p.77.
- Savenije 2024, p.51.
- Savenije 2024, p.29.
- Gijselhart 1986, p.85.
Literatuur
Brouwers, Lieuwe, 1969-70, Hollands Maandblad, Jaargang 1969-70, pp.39-42
Etty, Elsbeth, 2024, Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1935-2014, Amsterdam: Querido.
Gijselhart, Ad, 1986, De column als vrijplaats, Amsterdam: Sijthoff.
Savenije, Bas, 2024, Lewis Carroll: columnist avant la lettre, Lewis Carroll Genootschap.

