Het eerste wat me opviel aan het Lewis Carroll Genootschap, toen ik kort na de doorstart in 2016 ‘vriend’ werd, was dat de vaderlandse muziekjournalistiek opvallend oververtegenwoordigd was in het ledenbestand. Er zijn in Nederland enkele tientallen klassiekemuziekjournalisten, schat ik, misschien honderd, als je het aantal genereus naar boven afrondt. Zelf schrijf ik voor NRC. Bij de LCG-symposia in die herbeginjaren trof ik steevast mijn inmiddels gepensioneerde Volkskrant-collega Frits van der Waa, die er al bij was toen het LCG in de jaren zeventig werd opgericht. Twee muziekjournalisten op een publiek van zo’n dertig mensen – dat is een dichtheid die zelfs in een stijf uitverkocht Concertgebouw niet wordt gehaald. Frits en ik vonden het een boeiend gegeven. Was er wellicht iets bijzonder muzikaals aan Lewis Carroll? Bestond er een tot nog toe onopgemerkt gebleven overlap tussen Wonderland en het land van de toondichters? Was het gewoon stom toeval?
Dat is het aardige van toeval: vanuit het juiste gezichtspunt lijkt het altijd onwaarschijnlijk en zeer pregnant.
Ik herinner me een symposium waarbij Frits een kleine bloemlezing toonde van illustraties bij de The hunting of the Snark, door uiteenlopende illustratoren, om duidelijk te maken op hoeveel verschillende manieren je een verhaal kunt vertellen. Hoe toon je wat je niet kunt zien? De Snark is onmiskenbaar een muzikaal wezen, even aanwezig als efemeer. Dat zie je op de mooie illustraties die Frits zelf al in 1976 bij het gedicht maakte [https://fritsvanderwaa.nl/strips/snark.htm].
Zelf ben ik een beetje zijdelings bij het Genootschap betrokken geraakt, via mijn vriend en ras-carrolliaan Jur Koksma. Toen wij elkaar ontmoeten bij een filosofiecollege, bijna twintig jaar geleden in Amsterdam, vertelde Jur me dat ieder goed boek een verwijzing naar Alice bevat. Die bewering maakte dermate veel indruk op me dat ze nog altijd nadreunt. Ik kan geen boek lezen zonder de Alice-balans op te maken. Als ik een boek goed vind is het dan ook een opluchting wanneer ik er een carrolliaanse knipoog in aantref. Ontbreekt die knipoog, begin ik toch te twijfelen. Is het wel echt goed? Of heb ik niet goed opgelet en iets gemist – een vingerhoedje, een opvallende spiegel of spiegeling?
Zo belandde ik dankzij mijn ontmoeting met Jur via een omweg in het konijnenhol. Uiteindelijk hebben Jur en ik zelfs twee nummers van het tijdschrift ‘in de geest van Lewis Carroll’ dodo/nododo gemaakt voor het LCG, en een boekje samengesteld en toegelicht met alle Nederlandse en Afrikaanse vertalingen van het gedicht ‘Jabberwocky’. We voegden daar ook een eigen vertaling aan toe, getiteld ‘Klepperjaks’. Nu ik erover nadenk was ‘Klepperjaks’ mogelijk onze allereerste gepubliceerde poëzievertaling. Inmiddels hebben Jur en ik ook werk van onder meer Delmore Schwartz en John Ashbery vertaald, en dit voorjaar verschijnt Zeekatskeletten [https://uitgeverij-ijzer.nl/boeken/374-montale-zeekatskeletten], een vertaling van het klassieke debuut van de Italiaanse Nobelprijswinnaar Eugenio Montale.
Bevat Zeekatskeletten een verwijzing naar Alice? Dat is een gewetensvraag. Het juiste antwoord luidt: dat moet wel, het kan niet anders.

