Skip to main content Scroll Top

Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius: omgang met taal

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Inleiding
In Het Parool van 2 juli 1966 vergeleek Huug Kaleis Hugo Brandt Corstius met Lewis Carroll, “de wiskundige die, behalve Alice in Wonderland, ook talrijke satirische pamfletten schreef.” Hij deed dat in een recensie (‘Buitelend satiricus aan het woord’) van De reizen van pater Key, dat Hugo Brandt Corstius schreef onder pseudoniem Raoul Chapkis. Brandt Corstius stond op dat moment (1966) overigens nog maar aan het begin van zijn carrière als columnist.
De vergelijking van Kaleis kwam onder mijn aandacht bij het lezen van de biografie Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1938-2014 door Elsbeth Etty. In die biografie ontdekte ik meer overeenkomsten tussen beide heren en dat vond ik al met al voldoende aanleiding om de volgende vraag te onderzoeken: ‘Is Hugo Brandt Corstius de Nederlandse Lewis Carroll?’ Tijdens het symposium op 20 september 2025 heb ik een lezing gegeven over dit onderwerp en heb ik een aantal artikelen hierover aangekondigd. Drie artikelen gaan in op drie verschillende aspecten van het werk van beide auteurs: fictie, opiniestukken en taalfilosofie. Mijn artikel in het januari-nummer van Phlizz ging over fictie, het artikel in april over opiniestukken en dit artikel gaat over de opvattingen die beide heren over taal hadden.

In het artikel over fictie heb ik Lewis Carroll als uitgangspunt genomen en meer in het bijzonder zijn karakteristieke literaire nonsens. Vervolgens heb ik de vraag gesteld in hoeverre we deze literaire nonsens ook bij Hugo Brandt Corstius tegenkomen. Voor de opiniestukken koos ik de een omgekeerde aanpak: uitgangspunt was de karakteristieke stijl van de opiniestukken van Brandt Corstius en vervolgens kwam de vraag aan de orde in hoeverre die stijl ook aanwezig was bij Carroll. Voor de opvattingen over taal kies ik weer een andere benadering: eerst beschrijf ik kort welke rol opvattingen over taal in het werk van beide schrijvers speelden en vervolgens benoem ik een aantal gemeenschappelijke factoren die ik in hun werk heb aangetroffen.

Lewis Carroll en taal
Wanneer we het bij Lewis Carroll over taal hebben, gaan de gedachten onmiddellijk uit naar de wijze waarop hij speelt met taal in zijn literaire werk, zijn literaire nonsens. Zoals ik al heb aangegeven in mijn artikel “Literaire nonsens bij Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius” is hierbij sprake van spanning tussen de aanwezigheid en afwezigheid van betekenis. Daarbij speelt Carroll regelmatig met de vorm van de taal om de lezer bij de betekenis te misleiden, zoals bij de verwisseling van letterlijke en figuurlijke betekenis van een woord, of bij het bijzondere gebruik van een specifieke letter (“I love my love with an H” [1]).
Dit spelen met de vorm zien we ook terug bij de vele woordspelletjes in zijn brieven en dagboeken. Zijn child-friends gaf hij regelmatig woordraadsels; zijn brief aan Ethel Hatch van 19 augustus 1884 sloot hij bijvoorbeeld af met:

LOVE TO BE
(This doesn’t mean “future love”¾nor does it mean “lavish all your affection
on the verb  “to be”¾ and BE is short for “Beatrice”) (Hatch, 1933, p. 189)

Hij bedacht het woordspel Doublets (Carroll, 1879) dat nog steeds wordt gespeeld, vaak onder de naam Wordladder. Het gaat er daarbij om twee woorden met eenzelfde aantal letters te ‘verbinden’ door middel van een opeenvolging van woorden die slechts één letter van elkaar verschillen, waarbij de volgorde van de letters niet veranderd mag worden. Zo kun je bijvoorbeeld van ‘head’ naar ‘tail’ in de volgende stappen: head – heal – teal – tell – tall – tail. Een door Carroll bedachte variant is Syzygies waarbij de woorden ook van verschillende lengte kunnen zijn. En dan is er nog het spel Mischmasch (niet te verwarren met het tijdschrift uit zijn jeugd met dezelfde naam), een spel voor twee spelers waarbij de ene speler drie of vier letters noemt en de andere speler moet raden van welk woord ze deel uitmaken [2].

Carroll introduceerde ook nieuwe woorden en in het bijzonder porte-manteau- of kofferwoorden, nieuwe woorden die ontstaan door het aan elkaar plakken van bestaande woorden of delen daarvan. Met name in het gedicht “Jabberwocky” komen we deze tegen, bijvoorbeeld ‘mimsy’ als koppeling van ‘flimsy’ en ‘miserable’.
Carroll benadrukte dat sprekers en/of schrijvers zelf betekenissen aan woorden kunnen toekennen; woorden hebben geen intrinsieke betekenis. Dat zien we terug in Through the Looking-Glass and What Alice Found There en wel bij Humpty Dumpty’s uitspraak “Het gaat erom wie de baas is”, een standpunt dat contrasteerde met de in die tijd gebruikelijke opvattingen dat woorden ‘van zichzelf’ een betekenis hebben (Savenije 2024).

illustrator: John Vernon Lord

Een ander aspect van het spelen met taal zien we bij Carrolls ‘ciphers’, vormen van geheimschrift. Hij bedacht hiervoor twee varianten, The Telegraph Cipher en The Alphabet Cipher, die hij gebruikte in brieven naar zijn child-friends.  Met behulp van een codewoord werd een boodschap vertaald in geheimschrift en je moest dus het codewoord weten om de gecodeerde boodschap te ontcijferen (Wakeling, 1990).

In zijn logische werk maakte Carroll onderscheid tussen de concrete en de abstracte vorm van een zin: de natuurlijke taal is de concrete vorm en in de abstracte vorm zijn de woorden vervangen door symbolen en letters, zoals Carroll zelf zegt: “Letters for words”(Carroll, 1887, p. 15). Op deze manier werd de logische structuur van een zin transparant en werd het eenvoudiger om gevolgtrekkingen te kunnen maken of de geldigheid van gevolgtrekkingen te kunnen beoordelen. Hiervoor moest een aantal stappen worden doorlopen die min of meer mechanisch van aard waren; in feite gaf Carroll hiermee een aanzet tot het mechaniseren van redeneringen. Zijn methodes bevatten reeds de kern van begrippen en technieken die later, in de 20e eeuw, zouden worden gebruikt in geautomatiseerde bewijzen (Abeles, 2005).

In meer algemene zin dacht Carroll veel en serieus na over taal, maar niet op een systematische manier: het is niet mogelijk om een intern consistente taalfilosofie in zijn werk te ontdekken (Sutherland, 1979, p. 98). De volgende citaten geven een indruk van zijn gedachten; ze zijn alle geformuleerd na de publicatie van de Alice-boeken.

Ik zal de lijn volgen dat iedere schrijver met een zin mag bedoelen wat hij wil, mits hij dat tevoren toelicht [3].

.. geen enkel woord heeft een betekenis die er onafscheidelijk aan is verbonden; een woord betekent wat de spreker ermee bedoelt, en wat de toehoorder ervan begrijpt, en dat is alles [4].

Ik bedoelde slechts onzin … maar omdat woorden meer betekenen dat wij beogen uit te drukken als we ze gebruiken … ben ik graag bereid elke goede betekenis die er in het boek is, te accepteren als de betekenis van het boek [5].

Ik beweer dat elke schrijver van een boek volledig bevoegd is om elke betekenis die hij maar wil te geven aan elk woord of elke zin die hij van plan is te gebruiken. Als ik een schrijver vind die aan het begin van zijn boek zegt: “Laat het duidelijk zijn dat ik met elk woord zwart altijd wit bedoel en dat ik met het woord wit altijd zwart bedoel”, zal ik deze regel gewillig accepteren, hoe onoordeelkundig ik het ook vind [6].

Sutherland (1979, p. 98) vatte de hoofdpunten van Carrolls ideeën als volgt samen:

  • De meeste woorden zijn dubbelzinnig.
  • Woorden betekenen meer dan we beogen ermee uit te drukken als we ze gebruiken.
  • Geen enkel woord heeft een betekenis die er onafscheidelijk aan verbonden is: het betekent slechts wat de spreker ermee bedoelt en wat een toehoorder ervan begrijpt.

Zoals al opgemerkt, week met name dit laatste punt af van de algemene opvatting in zijn tijd die erop neerkwam dat er een vaste relatie is tussen een woord en zijn betekenis. In feite waren Carrolls conclusies modern voor zijn tijd.


Hugo Brandt Corstius en taal
Brandt Corstius maakte als kind al rebussen, anagrammen en palindromen. Hij ging wiskunde studeren en behaalde in 1960 zijn doctoraal, met bijvak wijsbegeerte. Hij was korte tijd leraar wiskunde, maar dat was geen succes. Van 1962 tot 1970 was hij werkzaam bij het Mathematisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam (het tegenwoordige CWI). Hij werd in die tijd “verliefd op de computer” (zijn eigen woorden); hij zag vooral nieuwe mogelijkheden voor taalkunde en probeerde wiskunde toe te passen op taal. In 1970 promoveerde hij met het proefschrift Exercises in Computational Linguistics, waarin hij zich onder meer bezig hield met het automatisch scheiden van Nederlandse lettergrepen. Zijn verliefdheid op de computer taande echter en in 1970 maakte hij de overstap naar het Instituut voor Neerlandistiek waar hij colleges Computertaalkunde ging geven. Hij ging Algemene Taalwetenschap studeren en behaalde in 1975 zijn doctoraal. Eind jaren 70 werd hij medewerker bij Algemene Taalwetenschap, maar zijn wetenschappelijke productie viel geleidelijk droog. Hij constateerde dat de taalmogelijkheden van de computer spaak liepen op de ongrijpbare betekeniskant van woorden, zinnen en teksten. Hij was bijvoorbeeld gefascineerd door automatisch vertalen maar raakte gaandeweg sceptischer over de mogelijkheden omdat de semantiek roet in het eten gooide. Er verschenen nog wel enkele publicaties: Algebraïsche Taalkunde (1974), Computertaalkunde (1978) en in 1983 Rekenen op taal, een populairwetenschappelijk boek over taalkunde, onder het pseudoniem Hugo Battus. Battus zou zijn pseudoniem worden voor publicaties over taal.

In 1978 publiceerde hij De Encyclopedie, een humoristische persiflage op een traditionele encyclopedie, met lemma’s die wekelijks waren verschenen in NRC Handelsblad. Evenals in A is een letter (nog onder een ander pseudoniem, Piet Grijs) gaf hij hier een groot aantal bestaande woorden een eigen definitie. Ik geef enkele voorbeelden.
“Immigrant: iemand die wat later kwam”.
“Zendeling: afspraak tussen China en Japan om ieder een eigen Zendeel te houden” .
“Coma: oost, noord of zuid”.
“Ik: […] laat ons eerst vaststellen wie ik is. Daartoe moet u eens kijken naar het puntje op de i van ik. Wie dat puntje ziet, dat is ik. Ook helpt het wel eens in de linkerarm te knijpen. U zult dan spoedig met een schokje van herkenning uitroepen: ik is mij! Knijpt u daarentegen uw levenspartner of een tube leverpastei, dan voelt u niets: zij zijn ik niet.
Zij kunnen daar niets aan doen. Zij leven zelf in de illusie […] dat zij Ik zijn, maar u weet dat dit onjuist is: u bent ik en niemand anders.”

In 1981 verscheen Opperlandse taal- en letterkunde. Hierin verzamelde hij alles wat valt onder “Nederlands met vakantie” [7]. Het bleek een groot succes en hij bleef vervolgens Opperlands-stukjes schrijven, vooral in het Hollands Maandblad; uiteindelijk leidde dit tot het boek Opperlans! In feite is ‘Opperlans’ een verzamelnaam voor vele vormen van spelen met taal en het boek bevat een grote collectie anagrammen, palindromen, lipogrammen, superlange woorden, woorden met herhaling van lettergrepen, zinnen met verplichte letters, enz. We vinden er ook nieuwe spreekwoorden (“Openbaar vervoer duurt het langst”, “Waar rook is, is een doofpot”), kofferwoorden (“Drentenieren = Drenthe + rentenieren”) en tot de verbeelding sprekende afbreekfouten (“cokes-mokkel”, “carnaval-shit”). Zelf zei hij daarover: “De Nederlander wordt bij het horen of zien van een woord orenfluisterlijk en ogenblikkelijk afgeleid door de betekenis daarvan. De Opperlander heeft van die betekenis geen last. Voor hem is het woord als een kastanjeboom, de zin als muziek.” [8]
In 1991 verscheen nog Symmys: 2500 zinnen die van voor naar achter en vice versa hetzelfde zeggen, bijvoorbeeld “Mooie zeden in Ede, zei oom.”
Gedurende enkele jaren maakte hij taalpuzzeltjes voor het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad, in eerste instantie voor de Kinderpagina, later voor volwassenen Een selectie daaruit is in 1993 gebundeld in Talismania.

Brandt Corstius werd geobsedeerd door de vorm en had een haat-liefde verhouding met betekenis vanwege het bedrieglijke karakter van betekenis in communicatie. Maar hij speelde daar ook graag mee en creëerde regelmatig een schijnorde van taal met een stug volgehouden valse logica, wat leidde tot een absurd, ontregelend resultaat. Hij ontregelde door te ordenen.
Hij gaf ook woorden een nieuw aanzien door ze uit hun context te halen (Koenen, 2015, p. 8). In De Encyclopedie zien we daar de nodige voorbeelden van. (“Zandbak: wat het ene steentje tegen het andere vertelt”).  Volgens Brandt Corstius zelf speelde hij met taal zonder relatie met de betekenis, maar Koenen beargumenteerde dat betekenis wel degelijk een rol bij hem speelde: het fraaiste Opperlans leunt juist zwaar op wat de woorden betekenen (Koenen, 2020, p. 16.

Gemeenschappelijke factoren en conclusie
Wanneer we vanuit het oogpunt van omgang met taal de werken van Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius met elkaar vergelijken, herkennen we een aantal gemeenschappelijke aspecten.

In de eerste plaats zien we bij beiden veel aandacht voor de vorm en de spanning tussen vorm en betekenis. De aandacht voor de vorm zien we bijvoorbeeld in wat wel ‘recreationele taalkunde’ is genoemd, taal als spel met vormen, zoals in taalpuzzels: beiden maakten woordraadsels.
De spanning tussen vorm en betekenis komen we bij Carroll vooral tegen in zijn nonsens-gedichten en bij Brandt Corstius in zijn “Nederlands met vakantie”. In Opperlans! speelde hij met de vorm maar leunde daarbij toch op de betekenis; hij hield er ook van om woorden uit hun context te halen en daardoor een nieuw eigen leven te geven. Beiden speelden ze ook regelmatig met dubbelzinnigheden.

In de tweede plaats gaven beiden eigen betekenissen aan woorden. Zoals gezegd benadrukte Carroll dat sprekers en/of schrijvers zelf betekenissen aan woorden kunnen toekennen; woorden hebben geen intrinsieke betekenis. Brandt Corstius noemde zijn Opperlands “een immense collectie wonderwoorden”. En in zijn werken: De Encyclopedie en A is een letter gaf hij een groot aantal bestaande woorden een eigen definitie.

Ten derde hadden Carroll en Brandt Corstius beiden veel belangstelling voor het mechaniseren van het gebruik van taal. Bij Carroll zien we dat in zijn logica en zijn aanzet tot het mechaniseren van redeneringen. Brandt Corstius probeerde wiskunde op taal toe te passen, in het begin van zijn carrière met behulp van de computer.

Dit overzicht leidt tot de volgende conclusie. Ondanks de verschillen in uitwerking, hadden Carroll en Brandt Corstius eenzelfde vertrekpunt: een wiskundig georiënteerde kijk op taal, leidend tot een spel met een accent op vorm, waarbij ze het spel een extra dimensie gaven door dankbaar gebruik te maken van de verwarring die de relatie met betekenis opriep.

 

Noten
[1] Hoofdstuk 7 van Through the Looking-Glass and What Alice Found There.
[2] Zie ook Savenije (2021).
[3] Uit een brief aan Edith Rix uit 1885, geciteerd in Collingwood (1898, p. 242).
[4] Geciteerd in Collingwood (1899, p. 136).
[5] Over The Hunting of the Snark, geciteerd in Hatch (1933, pp. 242-243).
[6] Bartley 1977, p. 232.
[7] Deze uitspraak doet denken aan het volgende citaat van Wittgenstein (2009, p. 23e): “For philosophical problems arise when language goes on holiday.” Wittgenstein heeft het hier over de verwarring die ontstaat als we woorden uit hun dagelijkse context halen.
[8] Geciteerd in Etty (2024, p. 12).

Referenties

  • Abeles, Francine (2005). “From the Tree Method in Modern Logic tot he Beginning of Automated Theorem Proving”. In Amy Shell-Gellash & Dick Jardine, Dick (eds.), From Calculus to Computers. Using the Last 200 Years of Mathematics History in the Classroom (pp. 149-160). Mathematical Association of America.
  • Battus (1978). De encyclopedie. Querido.
  • Battus (1981). Opperlandse taal- & letterkunde. Querido.
  • Battus (1983). Rekenen op taal. Querido.
  • Battus (1991). Symmys. Querido.
  • Battus (2002). Opperlans! Taal- & Letterkunde. Querido.
  • Brandt Corstius, Hugo (1974). Algebraische Taalkunde. Oosthoek.
  • Brandt Corstius, Hugo (1978). Computertaalkunde. Coutinho.
  • Carroll, Lewis (1879). Doublets. Macmillan.
  • Carroll, Lewis (1887). The Game of Logic.
  • Chapkis, Raoul (1966). De reizen van Pater Key.
  • Etty, Elsbeth (2024). Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1935-2014.
  • Grijs, Piet (1975). A is een letter.
  • Hatch, Evelyn M. (1933). A Selection from the Letters of Lewis Carroll to His Child-Friends.
  • Koenen, Liesbeth (2015). Taalgids voor Opperland.
  • Koenen, Liesbeth (red.) (2020). Het beste van Hugo Brandt Corstius volgens Hugo Brandt Corstius. Met inleiding en uitleg van Liesbeth Koenen. Querido.
  • Savenije, Bas (2021). “Lewis Carroll als homo ludens: sport en spel, puzzels en raadsels.”
  • Phlizz, oktober 2021 (https://lewiscarrollgenootschap.nl/lewis-carroll-als-homo-ludens-sport-en-spel-puzzels-en-raadsels/).
  • Savenije, Bas (2024). “’Which is to be master?’ Humpty Dumpty and the Philosophy of Language.” In Franziska E. Kohlt & Justine Houyaux (eds.), Alice Through the Looking-Glass. A Companion (pp. 167-176). Peter Lang.
  • Savenije, Bas (2025). “Literaire nonsens bij Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius”. Phlizz, januari 2025. (https://lewiscarrollgenootschap.nl/literaire-nonsens-bij-lewis-carroll-en-hugo-brandt-corstius/)
  • Talisman (1993). Querido.
  • Wakeling, Edward (1990). The Cipher Alice. Lewis Carroll Society.
  • Wittgenstein, Ludwig (2009). Philosophische Untersuchungen. Philosophical Investigations. Blackwell Publishing Ltd.