Skip to main content Scroll Top

Rood

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

‘Papa?’

‘Ssst.’ De koning legde een vinger op haar lippen. ‘Weet je nog wat ik laatst zei? Brave prinsesjes zijn …?’

‘Stil,’ fluisterde ze.

‘Precies! En jij bent een …?’

‘Braaf prinsesje.’ Rubra duwde de snik die bijna ontsnapt was terug haar keel en haar lijf in, waar hij halverwege haar maag bleef hangen. Daar drukte de snik zich door de wand van haar slokdarm, zocht zijn weg door haar borst tot hij haar hart vond en nestelde zich tussen alle soortgenoten die zich daar in de loop van de maanden verzameld hadden.

‘Juist. Jij bent een braaf prinsesje.’ Hij boog wat verder over haar heen. ‘Een heel braaf prinsesje.’

Het gewicht van de corpulente koning duwde het zesjarige prinsessenlichaampje diep het matras in. Steunend op zijn linkerelleboog trok hij met zijn rechterhand aan het laken en sloeg de punt over haar hoofd. Want, zoals hij haar al vaak gezegd had, er kon maar één dochter de mooiste zijn. En zij was niet die dochter.

De mooiste, en wat betreft haar ouders, de enige dochter, was haar vijf jaar oudere zus Alice. Alles ging naar Alice. De mooiste kleding, de lovende woorden, het liefste kamermeisje, de leukste cadeautjes. Het koninkrijk.

Rubra was het ándere meisje. De prinses die er niet had mogen zijn. Ze kreeg eten, jurken, speelgoed, ze had een kamermeisje dat haar verzorgde. Maar altijd was het zonder aandacht. Alsof ze er wel en niet was, als een tak op het pad waar je overheen stapt en hem twee passen verder vergeten bent.

De liefde die ze kreeg, was van haar vader. De enige liefde die ze kende, maar niet de liefde die ze zocht. Het was een harteloze liefde die pijn deed, zowel lichamelijk als geestelijk. Een liefde waarover ze met niemand mocht praten.

Want brave prinsesjes zijn stil.

Op de momenten dat ze liefde ontving, dacht ze aan leuke dingen. Een hagelwitte jurk met dieprode harten. Een kroon met robijnen. Rode rozen aan struiken langs groene hagen die een doolhof vormen waarin alleen ik de weg weet. Een groot kasteel met een nog grotere tuin waar allerlei dieren rondlopen en waar ik met vrienden kan spelen. Verstoppertje. Croquet. Een hardloopwedstrijd om het meer. Tikkertje.

Naarmate de jaren vorderden werd haar vader strenger, harder, gemener. ‘Kijk de andere kant op met die lelijke kop van je!’ En: ‘We zetten je in een veld, die rotkop is beter dan een vogelverschrikker.’ En: ‘Eén blik op jouw gezicht en de vijand zet het op een lopen.’

Inmiddels een tiener keek ze niet meer tegen zijn borst als hij bezig was, nu was haar gezicht op gelijke hoogte met dat van hem. Een laken was niet meer voldoende, ze kreeg een kussen over haar hoofd tot ze naar adem hapte, een deken, een jute zak die ze over haar hoofd moest trekken en één keer zijn hand, die hij gebruikte om haar hoofd diep in het matras te drukken. In haar paniek – ze dacht dat hij haar nek zou breken – beet ze hem in de handpalm.

‘Jij harteloos kreng!’ Hij brulde als een dier. ‘Lelijk, harteloos kreng!’ Hoog torende hij boven haar uit toen hij haar van het bed sleurde. ‘Krijg je aandacht, is het nog niet goed!’

Ze sloeg hard tegen de vloer. Met opeengeklemde kaken hield ze de gil van pijn binnen toen de voet van haar vader zich in haar maag boorde.

Brave prinsesjes zijn stil.

Rozen. Cricket. Robijnen. Jurk. Kroon.

Ze herhaalde de woorden als een mantra terwijl vuisten in haar zij stompten en voeten tegen haar rug schopten. Haar hoofd rukte naar achteren toen er ongenadig hard aan haar haren getrokken werd. Instinctief gingen haar armen naar haar hoofd en ze rolde op haar rug. Nog een trap volgde, ditmaal tegen haar wang.

‘Zo. Nu heb je pas echt een lelijke kop. Ik zou hem eraf moeten trappen, dan hoeven we nooit meer naar die afschuwelijke tronie te kijken.’

In een mist van tranen zweefde het hoofd van haar vader boven haar. Ze sloot haar ogen en rolde zich op haar zij, trok haar knieën op, legde haar armen om haar hoofd en wachtte op de volgende trap. Die kwam niet. Zware voetstappen stampten naar de deur, die met een klap werd opengegooid.

‘En je zegt geen woord,’ was het laatste dat ze hoorde voordat de deur werd dichtgetrokken.

Na een paar minuten kwam ze voorzichtig overeind. Het beeld van haar vaders hoofd zweefde voor haar ogen, of ze die nu open of dicht had. Zittend op de rand van het bed gleden dikke tranen over haar wangen en drupten op haar met bloed bevlekte nachthemd. Alles deed zeer. Maar het waren haar gedachten die het meeste pijn deden.

Waarom ben ik zo anders? Mijn haar is anders, mijn ogen zijn anders, mijn huid is anders. Zelfs mijn naam is anders. Alsof ze bij mijn geboorte al wisten wat ik werd. Lelijk.

‘Ach.’

Met een ruk keek ze op. In de deuropening stond Alice.

‘Alice … Wil je …’ De grijns op het gezicht van haar zus maakte dat ze de rest van de vraag om hulp inslikte.

‘Ben je toch nog ergens goed voor, nietwaar? Kon dat hoofd er maar af. Misschien had de rest van je lijf dan nog nut. O wacht! Dat heeft het al …’ De grijns kreeg iets sadistisch.

Ze weet het. Ze weet het al een hele tijd.

‘Uwe Lelijkheid.’ Alice maakte een spottende reverence alvorens uit de deuropening te verdwijnen. Haar lach galmde door de gang en nam de laatste hoop op sympathie mee naar waar het ook was waar verwende zusjes heengingen als ze zich verveelden.

Ach, val dood. Rubra schrok van de hardheid van haar gedachten. Zo hoorde een prinses niet te denken. Maar hoort een prinses dan wel door haar vader in elkaar geslagen te worden?

Ze liet zich pas weer zien toen de blauwe plekken op haar gezicht met poeder verborgen konden worden en haar rechteroog, dat door de schop in haar gezicht dichtzat, weer voldoende geopend was om het af te doen met een ‘ik ben tegen een deur opgelopen’.

‘Tsss, die deur ook, met zijn korte lontje,’ zei haar zus spottend en maakte, toen haar ouders niet keken, opnieuw een reverence.

 

Een paar weken leefde ze in de heerlijke veronderstelling dat haar vader eindelijk zijn interesse in haar had verloren en hij haar met rust liet. Tot hij op een avond weer aan haar bed stond.

De volgende dag wilde ze het blauwe oog dat hij geslagen had wegwerken met poeder. Wat ze ook probeerde, het blauw-met-paars bleef door de laag poeder schemeren. Haar hele gezicht bleef door de poeder schemeren. Haar hele, lelijke gezicht.

In een vlaag van frustratie duwde ze haar hand in de poederbus en smeerde het over haar gezicht, stak een vinger in de oogschaduw en trok strepen over haar wangen, met de stift ging ze net zo lang over haar lippen tot het één grote, bloedende wond leek. Ze rukte en trok aan haar lange, zwarte haar tot het alle kanten opstond. Daar. Wil je lelijk? Dan heb je lelijk. Woest keek ze naar de spiegel, waar een gepoederd, gestreept en gevlekt monster met zwart piekhaar met een helse blik uitdagend terugkeek.

Op dat moment knapte er iets. Iets dat alles in haar bij elkaar had gehouden, haar gezonde verstand, haar geduld, haar incasseringsvermogen, haar hoop. Iets dat al zo lang op spanning stond, dat het nog slechts een paar vlokjes gezichtspoeder nodig had om te knappen.

Haar hart opende zich. Alle snikken die ze erin had opgesloten sinds ze het zesjarige meisje was dat in het matras werd gedrukt, stroomden eruit. Ze borrelden en bruisten door haar lichaam, vonden hun weg naar haar tenen, haar vingers, haar kruin, vulden haar lichaam en geest met alle angst, woede, frustratie en onmacht.

Haar rechterhand balde ze tot een vuist. Met haar ogen diep in die van haar spiegelbeeld trok ze haar arm op en naar achteren en duwde hem met alle kracht die ze had naar voren. De vuist boorde zich in het glas, het besmeurde gezicht spleet in een web van honderden barsten. Ze trok haar vuist terug en sloeg nog een keer, en nog een keer, en nog eens, en nog eens, tot haar gezicht in honderden scherven over de vloer verspreid lag.

Ze zakte tussen de scherven op de grond, veegde haar bebloede hand af aan haar witte nachthemd, een macabere versie van de gedroomde hagelwitte jurk met dieprode harten.

Of de perfecte versie. De prinses in de nachthemd-jurk die figuurlijk haar bloedende hart toont. Of misschien zelfs letterlijk.

Ze schrok van het geluid van een scherpe inademing. Haar blik ging naar de deur, net op tijd om de zoom van de blauwe jurk van haar zuster te zien verdwijnen. ‘Papaaaaa!’ Alice’ stem snelde haar zuster vooruit.

Rubra was sneller. Met een scherf van de spiegel – van mijn gezicht, een scherf van mijn gezicht – in haar hand sprong ze op en stoof achter haar zuster aan. Met een sprong waar een kat jaloers op zou zijn, wierp ze zich tegen Alice’ rug. Samen gingen ze tegen de grond.

‘Pa …’ Verder kwam Alice niet. Op haar buik, met het volle gewicht van haar jongere zus op haar rug, werd de lucht uit haar longen gedrukt.

‘Wil je weten wat lelijk is?’ siste Rubra. Met haar linkerhand greep ze de blonde vlecht van haar zus, haar rechter duwde de scherf tegen het haar. Gewillig spleten de haren onder het scherpe glas. ‘Hier. Blond is lelijk!’ Ze duwde de afgesneden vlecht in het gezicht van haar zus.

‘Trr …’

‘Wat wil je zeggen? Uwe Lelijkheid?’

Alice kreeg het voor elkaar wat lucht naar binnen te zuigen, om die er vervolgens met één woord weer uit te duwen. ‘Trut!’

De snikken in haar lichaam verzamelden zich achter haar borstbeen om daarna naar haar schouders, armen en handen te stromen. Het werd rood voor Rubra’s ogen. Ze hief haar hand met de scherf. Een ogenblik bleef ze bewegingloos zitten.

Trut, echode de stem van haar zus door haar hoofd. Zonder aarzeling ging haar hand naar beneden. En nog eens. En nog eens. Met iedere haal van de scherf werd het hoofd van haar zus een beetje verder gescheiden van de romp.

‘Wie heeft er nu een lelijke kop? Hè?’ Ze bleef op de nek inhakken. ‘Eraf! Met! Je! Hoofd!’ Glas sneed in haar handpalm, pijn die in het niet verdween bij de immense pijn die zes jaar misbruik met zich meebracht. Bloed vermengde zich met bloed terwijl haar zus onder haar rochelde. Ze bleef doorhakken, tot sterke handen haar bij de arm grepen en ze van het inmiddels stille lichaam van haar zus werd gesleurd.

Krijsend en lachend bleef ze met de scherf uithalen naar iets dat alleen zij kon zien, tot iemand haar bij de pols greep en het glas uit haar hand wrikte.

Pas na uren in een koude, donkere cel in de kerkers onder het kasteel kwam haar rechterarm tot rust, nog wat later hoorden de wachters slechts een mompelend ‘eraf met haar hoofd’.

De doodstraf. Dat was het oordeel van de raad. Maar kun je een toekomstige koningin onthoofden? De enige overgebleven erfgenaam van het koningspaar, gek als ze was … Bracht dat geen ongeluk? Hofmagiërs van verschillende koninkrijken kwamen bijeen voor beraad, astrologen en astronomen voegden zich bij de groep. Toen er een alchemist op de poort klopte werd ook hij aan de raad toegevoegd, ook al wist niemand precies wat hij kon bijdragen, noch waarom hij af en toe spinde als een kat, voortdurend breed grijnsde, zijn nagels scherpte aan de houten tafel en af en toe verdween en weer verscheen.

‘Dood is de enige optie!’ ging over de tafel. En: ‘Ze kan in haar toestand geen koninkrijk bestieren.’ En: ‘Ze is een moordenaar.’ En: ‘Ze is gek!’

‘Ach,’ snorde de alchemist onverstoorbaar. ‘Iedereen is een beetje gek, nietwaar?’ Hij streek nadenkend over zijn snorharen en stelde toen voor: ‘Wat als we haar verbannen? Dan is ze niet meer het probleem van dit koninkrijk, maar van een ander.’

De stemronde die volgde, was eenduidig.

 

De dag daarna hobbelde Rubra geketend in een houten kooi op een kar naar de rand van het koninkrijk, waar ze onder aanmoediging van lanspunten de grens over werd gemaand, en daarmee het probleem van iemand anders werd.

 

#

 

‘Ho, konijn, wacht!’ Het was het eerste levende wezen dat ze in dagen had gezien. En het eerste vlees … Dat het Witte Konijn een vest droeg waaraan een zakhorloge bungelde, kon Rubra niets schelen. Wat moet een konijn ook met een horloge?

Toen het dier haar in de gaten kreeg, maar vooral, toen hij de honger in haar ogen zag, maakte hij zich snel uit de voeten.

Een onhandige achtervolging was het resultaat, tot het Witte Konijn in een gat tussen de boomwortels van een oude eik verdween.

Wel alle …

Rubra plofte op haar knieën tussen de boomwortels en leunde een beetje naar voren in de hoop dat het wit van de konijnenvacht in de duisternis verried waar het dier zat.

Of het een boomwortel was die een beetje omhoogkwam waardoor Rubra het evenwicht verloor, een boomtak die haar een zetje tegen haar achterste gaf, de zwaartekracht of haar vermoeidheid zou ze nooit weten. Wat ze wel wist, was dat de grond onder haar knieën verdween, ze voorover het gat in tuimelde en bleef vallen tot tijd, ruimte en zwaartekracht een plek gevonden hadden voor de verbannen prinses met haar hart op haar jurk.

 

#

 

‘Majesteit.’ Het Witte Konijn maakte eerbiedig een diepe buiging. Rubra, net terug van een spelletje croquet in de paleistuin, schikte de rokken van haar hagelwitte jurk, zodat de bloedrode harten beter uitkwamen en ging wat rechterop op de troon zitten.

‘Ja, konijn?’ Ze had al lang geleden opgegeven het konijn op te willen eten. Om precies te zijn, op het moment dat ze het dier achtervolgde door een doolhof van hagen en struiken met rode rozen en ze beter leek te weten dan hij waar de uitgang was. Daar wachtte ze hem op, greep hem bij de oren, klaar om hem de nek om te draaien. Het konijn had bibberend een poot uitgestoken naar een punt over haar schouder. Nieuwsgierig naar waar een konijn naar kon wijzen had ze zich omgedraaid.

Het bleek een kasteel met wel dertig torens, ramen in de vorm van harten, rode banieren, een groot gazon met aan de rand een groot meer.

Ik droom.

‘Majesteit,’ bibberde het konijn. ‘We hebben op u gewacht.’

Met het konijn nog bij de oren stak Rubra het gazon over, richting een groep bedienden, die met rechte rug op een rij klaarstond en wachtte op instructies.

En een kat. Ik zie een kat. En dan weer niet. Word ik gek?

‘Ach, iedereen hier is een beetje gek,’ kwam van overal en nergens. En de wel-en-niet kat knipoogde met beide ogen.

 

Rubra keek ongeduldig naar het konijn, dat nog steeds gebogen voor de troon stond.

‘Ja?’ Haar stem was hard en autoritair. Dat paste bij de Hartenkoningin van Wonderland, vond ze. Het was geen gemakkelijk land om te regeren. Iederéén was een beetje gek.

‘Ahem. Eh.’ Het konijn ging rechtop staan. ‘We hebben een indringer gesnapt in de paleistuin, majesteit.’ Bij het laatste woord maakte hij nogmaals een buiging. Toen keerde hij zich naar de wachters bij de deur en gebaarde met een poot. Een van hen verdween door de deur en kwam een paar seconden later terug met een blond meisje in een blauwe jurk met een wit schortje. Hij leidde haar naar de troon.

‘Meisje.’ Rubra keek op het kind neer. ‘Heb je geen manieren?’

‘Sorry, majesteit.’ Het kind keek naar de grond en maakte een onhandige buiging.

‘Hmm, dat leren we je wel beter te doen. Wat is je naam, kind?’’

‘Alice, mevr … eh, majesteit.’

Blond haar, blauwe ogen, blauwe jurk.

Alice.

Dat kan niet.

Maar alles kan hier.

Voor Rubra’s ogen werd het rood. Ze sprong op, rende op een van de verbouwereerde wachters af en greep zijn zwaard. Voor iemand goed en wel besefte wat er gebeurde, stormde ze met het geheven zwaard op het meisje af.

‘Eraf met haar hoofd!’

 

 

.