Onder bovenstaande titel wil ik in deze nieuwe reeks Nederlandse uitgaven van Lewis Carroll — of Nederlandse publicaties die verwijzen naar Lewis Carroll of Alice — bespreken, die ik in vijftig jaar verzamelen slechts sporadisch ben tegengekomen. Op deze manier kan ik wat uitgebreider stilstaan bij Alices die vrijwel vergeten zijn of weinig te vinden in het Nederlands taalgebied, en de moeite waard zijn om apart belicht te worden, bijvoorbeeld omdat ze bibliografisch interessant zijn.
Alice in Wonderland – Kleurboek

voorplat
Ruim dertig jaar geleden kwam ik dit kleine kleurboekje tegen op een boekenmarkt. Ik heb er destijds niet veel voor betaald, waarschijnlijk ergens tussen de vijf en tien gulden. Ik was er wel enigszins verbaasd over, want ik had het boekje nog nooit eerder gezien. Ook na de aanschaf bleef het lange tijd een raadselachtig en nagenoeg onvindbaar exemplaar binnen mijn verzameling.

achterplat
Dat veranderde enkele jaren geleden, toen Casper Schuckink Kool mij erop wees dat dit boekje mogelijk de zeldzaamste bekende Nederlandse Alice-uitgave zou kunnen zijn. Hij bleek zelf een exemplaar te bezitten en ik had het andere exemplaar. Ook Casper was het boekje daarvoor nooit eerder tegengekomen. Daarmee zou het zelfs zeldzamer zijn dan Lize’s Avonturen in het Wonderland uit 1875, waarvan inmiddels vier in Nederland gevonden exemplaren bekend zijn.
Misschien is de grote zeldzaamheid van dit kleurboekje helemaal niet zo verwonderlijk. Een kleurboek heeft immers een ingebouwde neiging om aan de bibliografische geschiedenis te ontsnappen: zodra het zijn oorspronkelijke doel heeft vervuld, is het vaak geen boek meer om te bewaren. Na het inkleuren belandt het gemakkelijk bij het oud papier of in de prullenbak. Een niet-ingekleurd exemplaar is daardoor al bijzonder, laat staan een exemplaar dat ook nog eens netjes bewaard is gebleven. Zelfs de Koninklijke Bibliotheek lijkt geen exemplaar van deze uitgave te bezitten.
Een merkwaardig kleurboek
Het boekje telt achttien niet-genummerde pagina’s, waarvan er acht blanco zijn gebleven. Ik vermoed dat deze lege bladen niet zozeer als onderdeel van het verhaal bedoeld zijn, maar als een soort buffer om het doordrukken of doorsijpelen van vocht tegen te gaan. De bedoeling was namelijk om de afbeeldingen voorzichtig in te kleuren en daarbij het reeds gekleurde voorbeeld aan de andere kant van de opengeslagen pagina te gebruiken.
Het formaat bedraagt 17,7 × 23,2 cm. Op de voorzijde staat alleen de code “No. 1824/4”. Andere bibliografische gegevens ontbreken volledig: geen uitgever, geen plaats van uitgave, geen jaartal en zelfs geen vermelding van de illustrator.
Er zijn twee korte stukjes tekst opgenomen, waaruit ik kan aflezen, vanwege de oude spelling, dat het boekje voor 1940 moet zijn uitgegeven (schatting omstreeks 1930). Het eerste stukje staat aan het begin en introduceert Alice en haar avonturen in Wonderland. Het tweede stukje staat, enigszins merkwaardig, aan het einde van het boekje en bevat aanwijzingen voor den kleinen teekenaar. Uit die aanwijzingen blijkt dat de afbeeldingen met verf moesten worden ingekleurd, hoewel de formulering op andere plaatsen eerder aan kleurpotloden doet denken. De makers lijken vooral duidelijk te hebben willen maken dat het kind de illustraties niet zomaar moest inkleuren, maar daarbij aandacht moest besteden aan de juiste kleuren.


In mijn eigen exemplaar zijn de illustraties opvallend netjes ingekleurd. Toch kan ik niet met zekerheid zeggen waarmee dat is gebeurd. Het kan verf zijn geweest, kleurpotloden, of misschien zelfs een combinatie daarvan. Ook is het niet uit te sluiten dat het boekje veel later opnieuw is ingekleurd met moderne materialen. Juist omdat het een kleurboek betreft, maakt die onzekerheid deel uit van de geschiedenis van het exemplaar. Dit zijn de 4 opengeslagen ingekleurde bladzijden, het lijkt me wel duidelijk welke illustraties ingekleurd zijn:




Maar wie maakte alle illustraties?
Het grootste probleem vormde echter lange tijd voor mij de vraag wie de fraaie illustraties op de voor- en achterzijde en de lieflijke tekeningen binnenin had gemaakt. Ik bezit inmiddels een behoorlijke verzameling oude illustratoren van Alice, zowel Engelse als niet-Engelse, maar deze afbeeldingen kende ik nergens uit.
Gelukkig kwam vorig jaar tijdens ons symposium vriend Onno ter Borg met het verlossende antwoord: Ada Leonora Bowley (1866-1954).
Toen ik vervolgens de illustraties van Bowley naast die van mijn kleurboek legde, was de overeenkomst inderdaad overtuigend. De stijl, de vormgeving van Alice en vooral de manier waarop de personages in een zachte, bijna sprookjesachtige wereld worden geplaatst, sluiten duidelijk aan bij haar werk voor uitgever Raphael Tuck & Sons.
Bowley is vooral bekend geworden als illustratrice van kinderboeken, prentbriefkaarten en andere populaire kinderuitgaven. Zij werkte nauw samen met haar zus Sophia May Bowley (1864–1960). Beide zussen werden opgeleid aan de Blackheath School of Art en bleven gedurende hun leven zowel persoonlijk als professioneel nauw met elkaar verbonden. Vooral de relatie met Raphael Tuck & Sons was belangrijk voor hun loopbaan.
Ada Bowley’s Alice neemt binnen de geschiedenis van de Alice-illustratie een interessante plaats in. Zij staat namelijk ver af van de inmiddels bijna canonieke Alice die John Tenniel in 1865 schiep. Tenniels Alice is een Victoriaans meisje: relatief volwassen, beheerst en enigszins afstandelijk. Haar verschijning sluit aan bij de wereld van de negentiende eeuw en bij de ironische, soms zelfs dreigende sfeer van Carrolls verhaal.
Bowley kiest een heel andere benadering. Haar Alice is jonger, zachter en nadrukkelijker een kind. Haar personages hebben wat rondere vormen en een vriendelijker uitstraling. Wonderland wordt daardoor minder vreemd en bedreigend en veel meer een sprookjesachtige speelwereld. Een moderne beschrijving van Bowley’s werk noemt haar Alice zelfs uitgesproken “kinderachtig”: een Alice die qua uitstraling eerder rond de vijf jaar lijkt te zijn dan het meisje van ongeveer zeven jaar dat Carroll beschrijft. Dat verschil is belangrijk. Bowley probeert Wonderland niet zozeer te interpreteren vanuit de absurditeit en het taalspel van Carroll, maar maakt er vooral een visueel aantrekkelijke kinderwereld van. Haar tekeningen zijn daardoor veel toegankelijker voor jonge kinderen dan Tenniels tekeningen.
Ook Alice zelf krijgt bij Bowley een andere uitstraling. Ze draagt vaak een losser, korter en soms gebloemd jurkje, veel minder formeel dan het kledingbeeld dat we van Tenniel kennen. Ze oogt daardoor als een kind uit het begin van de twintigste eeuw en niet langer als een meisje uit de Victoriaanse periode. In sommige afbeeldingen is ze bovendien opvallend spontaan in haar omgang met de andere personages. Een voorbeeld daarvan is haar vriendelijke omhelzing van het Witte Konijn, een gebaar dat nauwelijks voorstelbaar is in Tenniels veel gereserveerdere beeldtaal. Ook andere personages in Wonderland worden veel sympathieker neergezet.
Juist daarin ligt naar mijn mening de charme van Bowley. Zij maakt Alice minder iconisch, maar meer kinderlijk.
Van Tenniel naar Bowley
Interessant is dat Bowley Tenniel niet volledig loslaat. De eerste uitgave van Alice in Wonderland met illustraties van Ada Bowley (1866-1954) dateert uit 1910. Twee grote illustraties op voor- en achterkant en verder alle illustraties binnenin van John Tenniel. Vervolgens 6 paginagrote illustraties van Bowley in de editie van 1926 en vele herdrukken daarvan t/m 2013. Sommige composities en personages blijven duidelijk herkenbaar als onderdeel van de inmiddels gevestigde Alice-iconografie. Zij neemt als het ware het visuele uitgangspunt van Tenniel over, maar vertaalt dat naar een nieuwe tijd en een nieuw publiek. Dat is vooral goed te zien bij de verschillende uitgaven die Raphael Tuck vanaf het begin van de twintigste eeuw op de markt bracht. Tuck was niet alleen een gewone boekuitgever, maar een onderneming die sterk inzette op fraai vormgegeven kinderboeken, prentbriefkaarten en zogenaamde pop-up boeken. De combinatie van illustratie en speelgoedachtig boekmechanisme was bij uitstek geschikt voor een jong publiek. Bowley’s Alice paste daar uitstekend bij.

Een van de bekendste resultaten daarvan was Alice in Wonderland with “Come to Life” Panorama, een uitgave waarbij het boek bij het openen als het ware tot leven komt. De bibliografische gegevens plaatsen deze Tuck-uitgave in 1921 en schrijven de illustraties toe aan A. L. Bowley. Andere catalogi dateren bepaalde uitvoeringen later, waaronder een versie uit circa 1932 met een pop-upillustratie (zie afbeelding hiernaast).
Dat is ook interessant in relatie tot mijn kleurboek. Het is goed voorstelbaar dat dezelfde illustratieve beeldtaal vanuit Tucks kinderboeken en panorama’s haar weg heeft gevonden naar andere, eenvoudige kinderproducten. Het kleurboek hoeft dus niet noodzakelijk een op zichzelf staande artistieke uitgave te zijn geweest; het kan goed onderdeel zijn geweest van een bredere commerciële verspreiding van Bowley’s Alice-figuren.
Bowley’s stijl past bovendien uitstekend bij het doel van dit kleurboek. Een kind dat de afbeeldingen zelf moet inkleuren, heeft behoefte aan duidelijke contouren, herkenbare figuren en een overzichtelijke compositie. De tekeningen moeten uitnodigen tot inkleuren en mogen niet te ingewikkeld of te dreigend zijn.
Daarin verschilt Bowley wezenlijk van Tenniel. Tenniels tekeningen zijn nauw verweven met Carrolls tekst en bevatten vaak subtiele details, visuele grappen en een zekere grillige spanning. Bowley maakt die wereld toegankelijker. Haar tekeningen zijn decoratiever, zachter en vriendelijker. De humor is minder afhankelijk van de tekst en de absurditeit verdwijnt wat meer naar de achtergrond.
Je zou kunnen zeggen dat Tenniel vooral Carroll illustreert, terwijl Bowley in belangrijke mate Alice voor kinderen verbeeldt. Dat maakt haar werk juist voor dit kleine kleurboek zo passend.[hieronder 3x Bowley]



Ada Bowley en Mabel Lucie Attwell
Wanneer ik naar de illustraties van Ada Bowley kijk, moet ik regelmatig denken aan haar iets jongere tijdgenote Mabel Lucie Attwell (1879–1964). De overeenkomst is vooral zichtbaar in de manier waarop beiden kinderen en hun fantasiewereld weergeven. Toch zijn er ook duidelijke verschillen. Het is daarom interessanter om Bowley niet simpelweg een voorloper of navolger van Attwell te noemen, maar beide illustratrices te zien als vertegenwoordigers van dezelfde bredere ontwikkeling in de Britse kinderillustratie aan het begin van de twintigste eeuw.[hieronder 3x Attwell]



Mabel Lucie Attwell werd geboren in Londen en ontwikkelde zich vanaf het begin van de twintigste eeuw tot een van de populairste Britse illustratoren van haar tijd. Zij werkte voor tijdschriften, uitgeverijen, prentbriefkaartmaatschappijen en reclameopdrachtgevers en groeide uit tot een uiterst succesvolle commerciële illustratrice. Haar werk verscheen op boeken, ansichtkaarten, posters, kalenders, serviesgoed en allerlei andere voorwerpen. Ook zij werkte voor Raphael Tuck & Sons en illustreerde onder meer Alice in Wonderland (1910), Moeder de Gans, de sprookjes van Andersen en Peter Pan.


Ada Bowley en Mabel Lucie Attwell tonen duidelijk een verschuiving aan naar een vriendelijker, jonger en aantrekkelijker beeld van Alice, maar Attwell ontwikkelde een veel meer uitgesproken en herkenbaarder eigen stijl. Bij Bowley was dat veel minder het geval en dus ook commercieel minder profijtelijk. Zij bleef ook wat dichter bij Tenniels beeldtaal. Ook valt vooral op dat vrijwel iedereen in Wonderland een stukje jonger lijkt. Bowley maakt van Tenniels Alice een jonger, zachter en veiliger kind; Attwell maakt van Alice steeds meer een herkenbaar, lieflijk en bijna universeel kinderfiguurtje en legt haar eigen, zeer herkenbare kinderwereld over het verhaal..
Daardoor sluit Bowley misschien wel beter aan bij het concept van een kleurboek dan Attwell: haar heldere contouren, vriendelijke personages en overzichtelijke composities nodigen uit om zelf in te kleuren. Attwells tekeningen zijn daarentegen sterker als zelfstandige, gekleurde illustraties: haar kleurgebruik en haar karakteristieke kinderfiguren zijn een belangrijk onderdeel van de uiteindelijke aantrekkingskracht. Dat maakt het extra aannemelijk dat mijn onbekende Nederlandse kleurboek juist voor Bowleys beeldtaal heeft gekozen. Maar het kan best ook zijn dat Bowley financieel goedkoper was voor de onbekende uitgever!
Nostalgie
Achteraf bezien hebben Bowley en Attwell bovendien iets gemeen wat hun werk voor de hedendaagse kijker zo aantrekkelijk maakt: nostalgie. Bij Attwell is die nostalgie heel sterk. Haar werk roept een geïdealiseerde kindertijd op die eigenlijk nooit helemaal heeft bestaan. Haar populariteit was enorm en haar afbeeldingen werden gedurende tientallen jaren hergebruikt.

Bij Bowley is de nostalgie subtieler. Zij roept minder een algemene kindertijd op en meer het gevoel van een oud kinderboek waarin Wonderland nog een veilige, sprookjesachtige plaats is. Dat sluit prachtig aan bij de functie van het kleurboek dat ik hier beschrijf.
Misschien is het daarom niet toevallig dat ik bij het zien van mijn kleurboek aanvankelijk aan een heel andere illustrator dacht. De tekeningen hebben diezelfde zachte, enigszins ouderwetse charme die we kennen van Mabel Lucie Attwell. Pas toen Onno ter Borg tijdens ons laatste symposium de naam Ada Bowley noemde, kon ik de illustraties plaatsen.
Het aardige is dat de vergelijking met Attwell mijn waardering voor Bowley alleen maar heeft vergroot. Want waar Attwell uitgroeide tot een zeer herkenbare en commercieel uiterst succesvolle illustratrice, bleef Ada Bowley veel meer op de achtergrond. Haar werk voor Tuck en haar Alice-illustraties zijn daardoor tegenwoordig veel minder bekend.
En juist daardoor kan een klein, vrijwel ongedocumenteerd Nederlands kleurboekje uitgroeien tot een interessante ontdekking. Het verbindt namelijk verschillende ontwikkelingen uit de geschiedenis van de Alice-illustratie: de oorspronkelijke beeldtaal van Tenniel, de verjonging en verzachting van Alice door illustratoren als Bowley en Attwell, en uiteindelijk de overgang van het geïllustreerde kinderboek naar het kleurboek waarin het kind niet alleen kijker, maar ook mede-illustrator wordt.
01/10/2026

