Vooraf van de redactie
In 2026 is het 150 jaar geleden dat Lewis Carroll The Hunting of the Snark schreef. De komende nummers van Phlizz willen we extra aandacht besteden aan dit werk van Carroll. Omdat niet iedereen het al gelezen heeft, beginnen we met een inleiding die niet alleen geschikt is als eerste kennismaking maar ook een aanmoediging is om het werk zelf te lezen.
In de zomer van 1875, op vakantie in Sandown, aan de zuidoostzijde van Whight, stapt Charles Lutwidge Dodgson elke ochtend eerst zijn balkon op om de zeelucht even diep in te ademen. Een meisje van 9 ziet dat wat vreemde gedrag van deze man, raakt gebiologeerd en rent naar háár balkon om hem goed te zien. Dodgson vraagt haar waarom zij elke ochtend zo naar hem staat te kijken en ze zegt: “It is lovely to see you sniff like this” – en, hem imiterend, gooit ze haar hoofd achterover terwijl ze de zeelucht naar binnen zuigt. Het is Gertrude Chataway en zij beschrijft, als 81-jarige dame, dit ochtendritueel vanuit haar herinnering.[1] Deze “balkonscène” is het begin van een lange vriendschap die tot de dood van Dodgson duurt. Gertrude vertelt er niet bij of ze toen al wist dat deze man de schrijver van Alice in Wonderland is. Wel citeert zij het gedicht van Carroll dat voorafgaat aan The Hunting of the Snark en waarmee het verhaal aan haar is opgedragen. Het is een bijzonder acrostichon van vier coupletten van vier regels. Elke regel begint met een letter van haar naam en bovendien begint elk couplet met één vierde ervan: Gert/Rude/Chat/Away. Razend knap dus. Dodgson heeft vele vriendschappen met meisjes maar men is het er wel over eens dat na Alice, Gertrude “op de tweede plaats staat”. Dodgson onderhoudt ook een goede relatie met haar ouders en zelfs als twintiger logeert Gertrude nog bij Dodgson in zijn favoriete badplaats Eastbourne.

cover van de eerste editie
De inhoud van de ballade
The Hunting of the Snark (1876) heeft als ondertitel An Agony in Eight Fits die ik zou vertalen als “Een Doodsstrijd in Acht Stuipen”. “Acht Zangen” zou ook kunnen en dat is wellicht wat zachter voor een “kinderboek”. Gelukkig bevat het verhaal zo veel humorvolle nonsens dat de spannende gedeelten prima zijn om “lekker te griezelen”. Het is de beschrijving van een krankzinnige tocht van een zeilschip met een wonderbaarlijke bemanning op jacht naar een onbestaanbaar wezen, een Snark die -in dit geval- een Boojum blijkt te zijn. The Hunting is een karakteristiek voorbeeld van nonsens-literatuur en dat is in de 19de eeuw vooral in Engeland een geliefd genre met als bekendste schrijver Edward Lear (The book of nonsense). In ons land hebben we De Schoolmeester (die overigens in Engeland woonde) en in de vorige eeuw Cees Buddingh met zijn Gorgelrijmen. Hoewel het dus in principe allemaal echt onzin is, blijken vooral de volwassen lezers bijna altijd op zoek te gaan naar betekenis en naar relaties met het leven van de auteur. Daarover verderop.
De bootreis duurt weliswaar enkele maanden, maar het verhaal begint met het voor anker gaan bij een eiland dat het perfecte biotoop zou kunnen zijn voor een Snark. Alle leden van de bemanning hebben een naam die in het Engels met een B begint. De Bellman is de kapitein, voorts zijn er de Boots (bediende of schoenpoetser, die op geen enkele illustratie voorkomt), de Banker (bankier), de Bonnetmaker (hoedemaker), de Barrister, (advocaat), de Broker (boekhouder), de Butcher (slager), de Billiard-marker (biljart-medewerker), de Baker (bakker) en de Beaver (bever).

De acht “stuipen”
1. The Landing. Het schip gaat voor anker bij een eiland. “Just the place for a Snark!”, zegt de Bellman drie keer; en wat drie keer gezegd wordt, is waar! Hij brengt met zorg (care/Care) zijn bemanningsleden aan wal. Iedereen wordt getypeerd. De Bakker en de Slager krijgen de meeste aandacht.
ill. Tom van Weerden. ‘Eerste slag. De landing’. In: De Jacht op de Snark. Vertaald en geillustreerd door – . Uitgeverij Vliedorp, Houwerzijl 2013.
2. The Bellman’s Speech. In de toespraak van de kapitein komt duidelijk naar voren dat er van (zeil)vaardig zeemanschap geen sprake is: stuurboord, bakboord, boegspriet, helmstok, oost en west worden verwisseld, de zeekaart is blanco … de bemanning heeft nog maar weinig vertrouwen in de kapitein maar deze bouwt zijn toespraak om naar een “peptalk” waarin hij stelt dat ze al maanden onderweg zijn en nú op het punt staan de Snark te pakken te krijgen. Hij noemt vijf kenmerken van het monster. Als hij bovendien waarschuwt dat sommige Snarks Boojums kunnen zijn, valt de Bakker flauw.
3. The Baker’s Tale. Samen krijgen ze de Bakker weer op de been en hij gaat zijn geschiedenis vertellen. Hij is als de dood voor de Snark want zijn oom heeft hem op z’n sterfbed (?) verteld dat je bij de jacht op een Snark heel erg moet oppassen dat het géén Boojum is want dan verdwijn je zacht en onverwacht! Na dit verhaal krijgt de Bakker de rest van zijn leven vreselijke nachtmerries.
4. The Hunting. De Bellman verwijt de Bakker dat hij zijn kennis niet eerder heeft gedeeld en zegt dat hij niet verder gaat met zijn speech want dat nu de plicht roept: zoek de Snark! Ieder bereidt zich voor en op de bijbehorende illustratie is te zien dat er nu ook twee vrouwen zijn, Hope en Care. In een kwatrijn dat zes maal gebruikt wordt komen twee regels voor: To seek (of They sought) it with thimbles, to seek (of they sought) it with care; / To pursue (of They pursued) it with forks and hope;… nergens gebruikt Carroll hoofdletters voor beide dames en het zijn dan ook geen “echte” bemanningsleden, maar als personificaties van “hope” en “care” door de illustrator, Henry Holiday “ingebracht”.
5. The Beaver’s lesson. Naarmate het pad smaller wordt, groeit de angst en gaat men dichter bij elkaar lopen. Drie maal horen ze de stem, de toon en het lied van de Jubjub, die vreemde vogel uit de Jabberwocky! Er is afleiding nodig; de Slager gaat rekenen en geeft de Bever een (levens)les. Tussen hen ontstaat hechte vriendschap ondanks dat de Bever aanvankelijk als de dood was voor de Slager.
6. The Barrister’s Dream. De Advocaat valt in slaap en droomt dat de Snark terecht staat voor de moord (?) op een varken. De Snark neemt de hele zitting in eigen hand en spreekt zelfs zijn eigen vonnis uit: levenslange verbanning. Gelukkig wordt de Advocaat wakker door de bel van de Bellman.
Ill. Evert Geradts. ‘Dreun nummer zes. Droom van de wetsgeleerde’. In: De jacht op de strok – Een worsteling in acht dreunen. Vertaald en geïllustreerd door – . Drukwerk, Amsterdam 1977.

7. The Banker’s Fate. De Bankier loopt voorop en is even uit zicht. Dan slaat de Bandersnatch toe, een monster dat we óók kennen uit de Jabberwocky. De anderen komen nog net op tijd en het monster vlucht. De Bankier is geheel ontdaan, kan geen zinnig woord uitbrengen maar de Bellman spoort ieder aan vóórt te gaan.
8. The Vanishing. De speurtocht wordt vervolgd en opeens klinkt geschreeuw van de Thingumbob, een andere naam voor de Bakker. De Bellman begrijpt dat de Bakker de Snark heeft gevonden en allen zien hun held nog even daar op de top van de berg staan, schreeuwend: “It’s a Boo -” … en weg is ie.

Mogelijke verbanden met het leven van Dodgson
Martin Gardner vertelt in zijn Annotated Snark [2] ongelooflijk veel over dit meesterwerkje en die uitgave is een “must” voor elke liefhebber van Carroll; ik zal niet steeds naar Gardner verwijzen.
In de zomer van ‘75, waarin Dodgson Gertrude ontmoet, is hij al bezig met het schrijven van de The Hunting of the Snark. Over de aanleiding voor deze wonderlijke ballade vertelt hij dat in de zomer één jaar eerder, tijdens zijn dagelijkse wandeling, een vreemde versregel in hem opkomt: “For the Snark was a Boojum, you see.”. Hij heeft geen idee wat het betekent, maar schrijft de zin wel op en ondanks dat het verhaal eigenlijk eruit ontspruit, wordt het de laatste versregel.
Morton Cohen suggereert in Lewis Carroll a Biograph [3] dat het ontstaan van The Hunting samenhangt met de verzorging van Dodgsons neef en peetzoon, Charlie Wilcox, die tuberculose had. Dodgson wordt gevraagd te helpen bij de verzorging van de 22-jarige jongeman. Cohen spreekt van “his role as night nurse” en suggereert enerzijds dat het mogelijk geweest is dat Charlies ijldromen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de ballade en anderzijds dat Dodgson nieuwe (humoristische) coupletten aan hem heeft voorgedragen en daarmee misschien zijn lijden in de lange nachten enigszins heeft verlicht. Tja, wat is niet mogelijk. Charlie overlijdt in november 1874 in de Chestnuts, het huis in Guildford dat Dodgson kocht voor zijn ongetrouwde zusters. De langdurige doodsstrijd tegen de “inflammation of the lungs” zou het begip Agony in de ondertitel kunnen verklaren. Het is ook juist in die periode in Guildford, tijdens genoemde wandeling, waar de “eerste/laatste” regel in hem opkomt. Dodgson heeft dit sterfgeval zèlf nooit gekoppeld aan The Snark maar, zo vraagt Cohen zich af, waarom zou hij Agony hebben gekozen en waarom laat hij de ballade ondanks alle grappen en grollen zo tragisch eindigen.[4] Anne Clark, evenals enkele andere biografen, sluit zich bij deze veronderstellingen aan.[5]
De oom van Dodgson, uncle Skeffington, door wie hij leert fotograferen, is naast “barrister”(!) ook “lunacy commissioner”.[6] Hij sterft in 1873 na een aanval door een “lunatic” met een grote spijker die de gek in zijn hoofd slaat . Dodgson bezoekt hem in het ziekenhuis en als zijn oom aan de beterende hand lijkt, neemt hij afscheid. Toch overlijdt de broer van zijn moeder enkele dagen later op een wijze die vergeleken wordt met de dood van de Bakker: “He met his end in a chasm”.[7]
Veel biografen proberen het aannemelijk te maken dat in de figuur van de Bakker veel van Dodgson zelf gezien kan worden. De nachtmerries, de slapeloosheid, het spraakgebrek, de verstrooidheid en de netheid bij het inpakken van zijn bagage, de 42 dozen… (Gardner spreekt van een mogelijk “whimsical, funny-sad, self-deprecating portrait”). Het getal 42 komt in leven en werk van Dodgson veel voor; het moet een speciale betekenis voor hem hebben gehad. Dodgson was 42 toen hij de Snark schreef, regel 42 van het “marinereglement” (in zijn inleiding), behelst dat niemand met de roerganger mag spreken, van de 141 coupletjes kun je makkelijk 42 “maken” en de beide Alice-verhalen bevatten samen 24 hoofdstukken en omdat en veel in het werk van Carroll omgekeerd wordt … zie voor meer “zin en onzin” over dit getal bijvoorbeeld The annotated Snark van Gardner of de noten bij de vertaling van The Hunting door Henri Ruizenaar.[8]
Alle bemanningsleden hebben een naam die begint met een B, daarover kan ook veel verteld worden zoals: wanneer je die hoofdletter slordig schrijft, kun je hem lezen als 13 en dat is 6 plus 7 … 6 máál 7 is 42. Ook heeft Dodgson het pseudoniem B.B. gebruikt bij zijn vroege gedichten. “To be or not to be” telt 13 letters … en dit is maar een greep uit allerlei mogelijke antwoorden op de vraag “waarom al die B’s?” Het beste antwoord ligt waarschijnlijk in de reactie op de vraag van Alice (tijdens The Mad Teaparty), waarom alles wat de drie zusjes in de Treacle Well tekenen met een M begint. “Waarom niet met een “M”?”, zegt de Dormouse.
De Bellman in Oxford kondigde het overlijden aan van belangrijke medewerkers van de universiteit. Misschien onbewust al een voorgevoel dat de Snark een Boojum bleek? Zo zijn er veel zaken die kunnen verwijzen naar Dodgons leven of een inspiratiebron kunnen zijn geweest; een laatste voorbeeld: de droom van de Barrister zou een satire zijn op de in 1874 voor iedereen bekende rechtszaak, de “Tichborne case”. Selwyn Goodacre stelt in zijn bespreking van One Wild Flower van Louise Schweitzer, die ook de “Tichborne Case” noemt, dat de droom van de Barrister ook elementen bevat die kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld Dickens’ Bleak House. Biograaf Morton Cohen noemt daarom ook veel van dit soort verwijzingen: “supposed”.
Interpretaties
Mogelijke verbanden met het leven van Dodgson kunnen ook nauw samenhangen met de interpretaties van de ballade die in de loop der tijd zijn geopperd. Martin Gardner zet er een tiental op een rijtje. De jacht op materiële welvaart en/of het streven naar sociale vooruitgang. Ook dacht men aan een satire op een pool-expeditie en aan een uitgewerkte metafoor voor een groot bedrijf dat failliet gaat. Een sterkere variant daarvan is dat The Hunting een satire is op “business in general”. Alle aspecten daarvan zijn in detail uitgewerkt en elk bemanningslid is een schakel(tje) in dat economisch model. Veel abstracter is de interpretatie van ene Snarkophilus Snobbs die de Snark ziet als de zoektocht van de filosoof naar Het Absolute. Snobbs’ betoog telt 20 bladzijden en Gardner heeft het als appendix in zijn Annotated Snark opgenomen. Zéér onderhoudend.
De kunstenaar Ralph Steadman komt in zijn inleiding bij The Complete ALICE & The Hunting of the Snark by Lewis Carroll [9] met een heel nieuwe verklaring: “Snark” is een verkeerde spelling van “Smack” en smack is heroïne! “Vul maar in!”
Maar Gardner heeft ook een eigen idee en vraagt zich af of Dodgson zich heeft gerealiseerd dat de letter B, de dominante “Beat” in het gedicht, een symbool kan zijn voor “(to) be”? En suggereert vervolgens dat de Snark een gedicht is over “zijn” en “niet zijn”, een gedicht over existentiële doodsangst! De Boojum is groter dan die doodsangst, de “Boo…” is het eind van alle zoeken, de grote leegheid waardoor we uiteindelijk allen worden verslonden. Gardner komt niet zomaar met deze interpretatie. Volgens hem zou Dodgson niet geloven in de “leer van de eeuwige straf” en mede over zijn ook onorthodoxe en wellicht andere “zondige” gedachten zou hij ‘s nachts liggen te piekeren en daarmee wijst Gardner weer naar de Bakker: “I engage with the Snark – every night after dark – / In a dreamy delirious fight:”. Dit is een toestand van existentiële dreiging en daarmee ben je al snel bij de atoomBomB … Carroll als profeet.
Dodgson heeft zich altijd verre gehouden van interpretaties en hij vertelt over mensen die hem naar de betekenis van het verhaal vragen, dat hij absoluut geen idee heeft wat het allemaal betekent, dat hij er ook geen speciale bedoelingen mee heeft gehad. Hij zegt dat hij het mooi vindt wanneer mensen het verhaal bijvoorbeeld zien als het zoeken naar levensvreugd en geluk op het levenspad.
Vorm
Zoals gezegd, wordt de ballade verteld in acht “zangen” of “stuipen” die variëren van 9 tot 29 kwatrijnen, samen 141. Het metrum is de anapest en de regels bevatten afwisselend 4,3,4 en 3 versvoeten; bij een “perfecte” regel zijn er dus 12, 9, 12 en 9 lettergrepen. Inderdaad, wéér 42! Er zijn ongeveer 22 coupletten waarin de anapest zó precies is toegepast. Je zou dit een “snarkkwatrijn” kunnen noemen. Een mooi voorbeeld is het beroemde slotcouplet:
In the midst of the word he was trying to say,
In the midst of his laughter and glee,
He had softly and suddenly vanished away –
For the Snark was a Boojum, you see.
Carroll past uitsluitend mannelijk eindrijm toe en bovendien veel binnenrijm dat ook dikwijls het eindrijm is. In het Nederlands ontkom je vaak niet aan het vrouwelijk eindrijm en heb je een (onbeklemtoonde) lettergreep extra. Dat zie je ook in de knappe vertaling [10] van Jan Kuijper, bijvoorbeeld in het Tweede Schok, De Toespraak van de Omroeper:
Het was zeker charmant – aan de andere kant
Had de Schipper die zij zo vertrouwden
Geen ander idee van de vaart over zee
Dan zijn bel aan het luiden te houden.
In het werk van Carroll komen we nogal wat portmanteaus tegen, kofferwoorden worden ze wel genoemd. Hij wordt ook wel gezien als de “uitvinder” ervan. In zijn voorwoord bij de Snark legt hij het uit met de woorden van Humpty Dumpty: “two meanings packed up into one word.” In The Hunting gebruikt hij een aantal namen die al in de Jabberwocky staan zoals Bandersnatch en Jubjub! Maar ook kofferwoorden als de bijvoeglijke naamwoorden beamish, frumious en uffish. Voor de fantastische uitleg van de betekenis kun je prima terecht bij Humpty Dumpty in hoofdstuk VI van TtLG maar bijna alle Nederlandse vertalingen van de Jabberwocky en een diepgaande toelichting op de portmanteaus, zijn te vinden in Het nonsensegedicht Jabberwocky van Lewis Carroll, een uitgave van het Lewis Carroll Genootschap.[11] Ten overvloede: “Snark” is een samensmelting van “snail” en “shark”; wie weet welke slak en wat voor een haai?
Geen (kinder)boek van Carroll zonder illustraties! Deze keer vraagt hij Henry Holiday, een erg bekende kunstenaar, en de samenwerking verloopt goed en erg vlot! Carroll levert in een hoog tempo de “Stuipen” aan en Holiday is er druk mee. Slechts twee maal is er echt een verschil van mening. De eerste keer betreft het de tekening bij Fit the Fourth waarop Hope en Care zijn afgebeeld, alsof ze ook echt bij de bemanning zouden behoren.
Hope is zelfs met een anker en een vork uitgerust. Hij laat zich door de illustrator overtuigen! De tweede discussie betreft een illlustratie van de Boojum maar Carroll vindt dat dit monster beslist niet mag worden afgebeeld; het moet ònvoorstelbaar blijven! De tien illustraties voegen veel toe, sluiten prachtig aan bij de tekst … hoewel bijvoorbeeld over het verschil tussen tekst en tekening met betrekking tot de beharing van de Bakker wel enige discussie bestaat.
Stuart Dodgson Collingwood, de neef van Dodgson, citeert (in de biografie van zijn oom Charles) de karakteristieke opdracht in het exemplaar van The Hunting voor de illustrator: “Presented to Henry Holiday, most patient of artists, by Charles L. Dodgson, most exacting, but not most ungrateful of authors, March 29, 1876.”[12]

Verschijnen en receptie
Als eind 1875 blijkt dat de uitgever er niet in slaagt The Hunting met een kerstboodschap te laten verschijnen, kiest Dodgson voor 1 april want All Fools Day is een uitgelezen dag voor een Snark en de kerstboodschap kan nu een “Easter Greeting” worden. Dat wordt losbladig in het boekje meegegeven. Ondanks dat de religieuze sentimenten wel ver van de inhoud van de ballade staan, wil hij de gelegenheid niet laten voorbijgaan om misschien wel tot 20.000 kinderen een paar stichtelijke woorden te richten (Anne Clark heeft het over 40.000!). Gardner voegt eraan toe dat hij misschien wel een vaag ongemakkelijk gevoel heeft gehad omdat het verhaal wel behoefte heeft aan enige hoop en Pasen is immers het feest van de hoop!
De Anglicaanse theoloog, John Henry Newman (1801-1890), een bekende van Dodgson, die later overgaat naar het Rooms-Katholieke geloof en kardinaal wordt, is onder de indruk van An Easter Greeting to Every Child who Loves Alice. Ook van het opdrachtgedicht aan ene Helen die hij kent en van wie hij een exemplaar krijgt. Newman schrijft in een brief aan Helen dat hij de paasgroet en de opdracht mooier vindt dan de ballade.[13] Dodgson krijgt de brief ook onder ogen en voelt zich er toch zeer door vereerd.
Mooie anecdotes zijn er bekend zoals dat de moeder van Gertrude niet in de gaten heeft dat het opdrachtgedicht aan haar dochter een acrostichon is. Dat hij op 29 maart in zijn dagboek schrijft dat hij die dag zes uren heeft besteed aan het schrijven van opdrachten in 80 presentexemplaren! Dat er een meisje is dat het hele verhaal uit het hoofd leerde om het voor hem te declameren! Een verdrietig verhaal is de reactie van de bevriende Pre-Raphaëliet, schilder en dichter, Dante Gabriela Rosetti. Deze interpreteert de ballade, onder invloed van zijn drank- en drugsverslaving als een cryptische maar persoonlijke aanval op zijn leven en werk. Hij verbreekt het contact met Dodgson en ze hebben elkaar nooit meer gezien: “he just vanished away”![14]
De pers ontvangt The Hunting aanvankelijk ook niet erg positief en er wordt minder verkocht dan verwacht. Dodgson zoekt een verklaring en vraagt ook aan de uitgever hoe de verkoop was tegen Kerstmis. Na enige tijd blijkt het toch een succes maar lang niet zo groot als van de “Alices” en het lijkt ook meer door volwassenen gelezen te worden dan door kinderen.
De “Alices” zijn een onuitputtelijke bron voor allerlei bewerkingen: film, toneel, musical, dans … datzelfde geldt ook voor The Hunting, maar lang niet in die mate. Een overzicht van de Nederlandse vertalingen en bewerkingen vinden we in de editie van Ruizenaar; een aanvulling daarop is te vinden op de website van het Lewis Carroll Genootschap.
Alice Liddell en Gertrude Chataway
Hierboven stelde ik dat Alice voor Dodgson wel op de eerste plaats zou staan als “child-friend” en Gertrude op de tweede. Veel vriendinnetjes “vanish” wanneer ze volwassen worden. Maar met Gertrude blijft Dodgson een hechte vriendschap houden. Dit in tegenstelling tot Alice. In december 1891 schrijft Dodgson is zijn dagboek dat Mrs. Hargreaves (Alice) in de deanery is (Alice” vader was de Dean van Christ Church) en dat hij haar heeft uitgenodigd op de thee, maar: “She could not do this, but very kindly came over, with Rhoda, (haar jongere zus) for a short time in the afternoon.” Een week later stuurt hij een liefdevolle nieuwjaarswens aan Gertrude: “I wish a very happy New Year, and many of them (…) specially to you, because I know you best and love you most. And I pray to bless you (…)“ De biograaf John Pudney[15] gaat een stapje verder: “Gertrude kept her magic.” In dit verband is het interessant nog één interpretatie van The Hunting toe te voegen, en wel van Roy Casson: “I believe, too, that to Dodgson all little gils were Snarks and all women were Boojums. And the biggest Snark and the biggest Boojum was little Alice Liddel.”[16]
Na The Hunting of the Snark schrijft Lewis Carroll weinig poëzie of fantasievol, inspirerend ander werk van betekenis, maar daarmee is niet iedereen het eens.

ill. Jan te Wierik, ‘Stuiptrekking Acht. De verdwijning’, editie Ruizenaar (2001)
noten
[1} Edward Wakeling, The Man and his Circle, London, 2015, p. 261
[2] Martin Gardner, The Annotated Snark, New York, 1974.
[3] Morton N. Cohen, Lewis Carroll a Biography, London/New York, 1995, p. 403.
[4] Cohen, 1995, p. 405.
[5] Anne Clark, Lewis Carroll a Biography, New York, 1979, p. 195/6.
[6] Selwyn Goodacre, Review: One Wild Flower from Louise Schweitzer, in: Lewis Carroll Review, Issue 51, June 2014, p. 4.
[7] Wikiwand.com/en/Snark, 22-02-22.
[8] Lewis Carroll, The Hunting of the Snark / De Jacht op de Snark, Een doodsstrijd in 8 stuiptrekkingen, Met de originele tekst, vertaald en van annotaties voorzien door Henri Ruizenaar, Geïllustreerd door Jan te Wierik, Oldenzaal. 2001.
[9] Ralph Steadman, The Complete ALICE & The Hunting of the Snark by Lewis Carroll, London, 1986, p. 274/5.
[10] Lewis Carroll, The Hunting of the Snark / De jacht op de Slaai, Vertaald door Jan Kuijper, Met de originele illustraties van Henry Holiday. Amsterdam, 2007, p. 23.
[11] Jur Koksma & Joep Stapel, Het nonsensgedicht Jabberwocky van Lewis Carroll in één nieuwe Nederlandse, zes bestaande Nederlandse en twee Afrikaanse vertalingen, met begeleidend essay. Samenstelling door Henri Ruizenaar. Lewis Carroll Genootschap, Utrecht 2018.
[12] Stuart Dodgson Collingwood, The Life and Letters of Lewis Carroll, London, 1899, p.173.
[13] Stuart Dodgson Collingwood, The Lewis Carroll Picture Book, London & Glasgow, 1899, p. 156.
[14] Michael Bakewell, Lewis Carroll a Biography, London, 1996, p. 215.
[15] John Pudney, Lewis Carroll and his world, London, 1976, p. 92.
[16] Roy Casson, The Illustrated Lewis Carroll, London, 1978, p. [xxxi].

