
bespreking van:
Lewis Carroll. Alies ien Wonderlaand. Vertaling [Vertaolen ien t Grunnegers] door Klaas Pieterman.
Oetgeverij Vliedorp, Houwerwijl 2025, 128 p. 17,50 euro. ISBN 9789460481437
Op 27 maart werd in de bibliotheek van Leens in Groningen een nieuwe ‘Alice’ gepresenteerd: Alies ien Wonderlaand, de Groningse vertaling van Klaas Pieterman en uitgegeven door Oetgeverij Vliedorp uit Houwerzijl. Pieterman, dominee in ruste van Niekerk/Ulrum, maar nog alle dagen zeer actief, is één van de vertalers van de Bijbel en ook Le petit Prince heeft hij in het Gronings ‘omtoald’. Dat grote klassiekers in ‘toal’ van zo’n klein gebied verschijnen is prachtig en draagt ook bij aan de strijd tegen het verdwijnen van onze streektaal. Leens, Niekerk, Houwerzijl en Vliedorp zijn plaatsen in de voormalige gemeente De Marne, deel van de Ommelanden, een prachtig, dunbevolkt gebied met een lange historie en een rijke cultuur! Het Gronings volkslied bevat de bekende zin over de Ommelanden: “Doar gruit, doar bluit ain wonderlaand rondom ain wondre stad.” … het werd tijd dat Alice ook in de taal van dàt wonderland haar avonturen kwam beleven. Ik ben weer eens helemaal met haar meegewandeld; het was wel even wennen maar alle figuren werden Groningers.
Achter Knien aan
Maar eerst, wat een schrik … “Alies zat bie heur zuske op baank, (…)” in de eerste zin al een fout: Alice zit samen met haar oudere zus aan de waterkant, aan de oever van het water, gewoon in het gras, niet op een bank. De vergissing is zo “logisch dat halve schoolklassen het ook fout zouden doen” schreef de bekende Groninger antiquaar Casper Schuckink Kool in het essay over de eerste ‘vertaling’ (1875) van Alice: Lize’s Avonturen in het Wonderland. Ook de tweede vertaler, Eleonora Mann, maakte deze fout. Pas in de derde, van Ten Raa, nog net uit de negentiende eeuw, staat het er goed: “Alice begon er genoeg van te krijgen langer bij haar zuster aan den kant van het water te zitten en niets uit te voeren.” Overigens is Ten Raa ook de eerste die heel dicht bij de Engelse tekst blijft en dat doet Pieterman ook. Opmerkelijk is dat twee maal ‘bank’ wel goed wordt vertaald: “Ze waren ienderdaad n vremd gezelschop dat bie mekoar kwam aan waal – “ (p. 24) en Doef vertelt dat hij op veel plaatsen probeerde te broeden: “ik heb slootswalen perbaaierd” (p. 51). In het laatste hoofdstuk is ‘bank’ weer het meubel. Ach, het is een heel begrijpelijke fout, velen ging Klaas Pieterman voor.

“Wel bistoe?”
Het Gronings kan zo lekker direct zijn, kort en bondig! Dat kan je ook tegen de borst stuiten maar er is ‘meestal niks mis mee’. In Alice past het heel goed; hoe dikwijls heeft zij niet gesprekken met figuren die haar kortaf en bot bejegenen: de Rups, Roep, zegt zelden zinnen langer dan drie woorden. Ook anderen zoals Griffioun, vallen Alies in de rede en geven haar korte commando’s. Vooral de Keunegin kan d’r wat van: ”Kop der òf!”. Natuurlijk zijn er ook passages die heel moeilijk zijn voor kinderen, bijvoorbeeld de opzettelijk onbegrijpelijke, zoals het ‘droogverhaal’ van Moes over de aartsbisschop van Canterbury, Willem de Veroveraar en de Noormannen. Dit zal ook in 1865 niet door alle lezers begrepen zijn en zo’n passage behoeft ook eigenlijk geen verklaring. Dat doet Pieterman dan ook niet maar hij geeft wel in meer dan 100 noten vertalingen van moeilijke Groningse woorden en verklaringen van onvertaalbare Carrolliaanse woordgrapjes. Met deze vertaling heeft hij al een primeur maar nu is dit ook nog de eerste ‘Annotated Alice’ van het Nederlands taalgebied! Soms zijn voor mij de criteria wat onduidelijk; waarom “koppenschuddels = kopjes en schoteltjes” wel in een noot en “röttegaang” of “apmoal” niet? Bovendien, het is toch een vertáling? Daarenboven is er een aparte woordenlijst toegevoegd waarin “koppenschuddels” ook voorkomt. En waarom heeft bijvoorbeeld “zaachtzeedeg” geen noot en staat het ook niet in de lijst? “Gramniedeg” heeft wèl een noot en staat ook in de lijst. Prachtige woorden trouwens!
“Omtoalen”
Toelichtingen van Pieterman in een voetnoot bij de vele onvertaalbare woordspelingen van Carroll is fijn maar de meeste vertalers die er ook niet uitkomen kiezen er dan voor de vrijheid te nemen om iets heel anders te bedenken. Een mooi voorbeeld is het woordspel ‘porpoise/purpose’ in het gesprek met de Griffioen en de Nepschildpad. De Griffioen stelt dat er nooit een vis op reis gaat zonder ‘porpoise’, waarop onze eigenwijze Alice natuurlijk reageert met dat hij vast ‘purpose’ bedoelt. Hij antwoordt: “I mean what I say.” en daarmee is de discussie gesloten. Pieterman legt de ‘pun’ dus uit. Maar Matsier koos voor een dolfijn zodat het een dolfijne reis zou worden. Dros liet een inktvis meegaan voor het schrijven van een ansichtkaartje. Engelsman haringen om de tent op te zetten. Tja, wanneer je zo letterlijk mogelijk wil vertalen kun je soms niet anders dan het grapje laten vallen en/of het toe te lichten; dat is het gevolg van je keus. Bij voorbeeld Kossmann en Reedijk, in 1947, kozen ervoor dit woordspel helemaal weg te laten.
Het is goed dat een vertaler woordspel uitlegt dat niet te vertalen valt. Wanneer je de originele tekst leest, zal je ook wel een en ander ontgaan en dat gebeurt ook wanneer het je moerstaal is. Een heel mooi voorbeeld bij Carroll is het spel met de uitdrukking “Take care of the pence and the pounds will take care of themselves”. De Hertogin, die in alles een moralistische betekenis ziet, een levensles, maakt hiervan: “Take care of the sense and the sounds will take care of themselves.” Pieterman vertaalt dit met: “Paas goud op betaiken, en woorden zörgen wel veur heurzelf”. In zijn uitleg ‘vergeet’ hij het rijm: ‘pence, pounds / sense, sounds’. Natuurlijk is dat niet erg maar wat het woordspel voor de Engelsen oproept, krijg je niet makkelijk in een vertaling; noch in ‘sense’ noch in ‘sound’. Toch komt in de jongste vertaling, Robbert-Jan Henkes, heel dichtbij: “Het is niet al fout wat er klinkt” … dit refereert onmiddellijk aan een bekende uitdrukking in het Nederlands, ‘betekenis’ zit er ook in en Henkes heeft het rijm en bovendien in ‘klinken’ het geluid nog meegenomen.
Maar, het eerste couplet van het openingsgedicht bevat een vertaalmoeilijkheid die volgens mij nog nooit door iemand is ‘opgelost’. De drie meisjes, Lorina, Alice en Edith Liddel roeien en sturen zo’n sierlijke ‘wherry’ maar hun “little hands” en “little arms” hebben “little skill”. Drie maal ‘little en Liddel’! (De uitspraak is dezelfde.) Dat is bij Carroll natuurlijk niet toevallig en misschien kun je zoiets als vertaler ook maar beter niet weten?
Binnen nait goie woorden
Carroll heeft veel poëzie in zijn werk; zelfgemaakte maar ook parodietjes op bestaande voor iedereen bekende versjes of rijmpjes. In het tweede hoofdstuk probeert Alice zo’n gedichtje op te zeggen dat ze in de gewone wereld heel goed kent maar nu “binnen” de woorden die ze zegt “nait goie”. Alice raakt helemaal van slag omdat ze beseft dat ze het verkeerd opzegt; ze moet huilen en roept vertwijfeld uit: “Wel bin ik din?” Het versje hoort religieus/moralistisch te zijn en is van rond 1700, maar háár tekst gaat over een krokodil die alle visjes hartelijk welkom heet die in zijn wijd geopende bek zwemmen: “How doth the little crocodile / improve his shining tail (…)”. Pieterman vertaalt dit weliswaar tamelijk vrij maar er ontbreekt de link met een veel ouder gedicht dat iedereen toen kende. Is er ook een Gronings versje dat je zou kunnen parodiëren? “Peerd van Ome Loeks”? Ik zou de vertalingen alle moeten nakijken om te zien of er vertalers zijn die dit ook tot ‘vertalen’ rekenen. Robbert-Jan Henkes koos hier voor “Jantje zag eens pruimen hangen” en maakt daarvan “Jantje ging eens kikkers vangen”. In de ‘porpoise/purpose-pun’ koos hij voor narwal omdat vissen altijd roepen: “Naar wal, naar wal!” als ze op reis zijn. Wanneer is kiezen voor die ‘vertaalvrijheid’ verliezen en wanneer winst?
“You are old father William” is heel mooi vertaald. Als voorbeeldje de laatste zin: “Wiek die weg, of ik smiet die van trappen òf”. De anapest is niet helemaal volgehouden maar dat is bij Carroll ook het geval. Bovendien moet je oppassen in het Gronings want er wordt nogal wat niet uitgesproken, ‘ingeslikt’! Ook dit gedicht is een parodie van een “long forgotten didactic poem” (daarin is het metrum perfect) en ook hier zijn Alies’ woorden (gelukkig) niet de juiste.
Kienderbouk
“t Hait n kienderbouk omreden t verhoal is eerst verteld aan drij wichterkes (…)” Hoeveel Groningse kinderen zullen het gaan lezen? Hoeveel (groot)ouders gaan het voorlezen? Ja, het zullen er niet zoveel zijn en de 250 exemplaren zijn vast wel genoeg. Zal het op basisscholen gebruikt worden voor een taalproject? Bij de lessen Engels op middelbare scholen? Ik ben bang van niet. Ouders die wachten bij het hek van de school spreken soms nog Gronings met elkáár maar zodra de kinderen eraan komen gaan ze ‘automatisch’ over in het Nederlands. Misschien langzaam maar wel zeker zal de streektaal verdwijnen. Gelukkig zijn er mensen als Klaas Pieterman die hun mooie moerstaal vastleggen in een vertaling als deze. Een bekende dialoog om even het “Grunnegers” van Pieterman te ‘perbaaieren’: Alies vraagt aan de Cheshire Cat hoe hij weet dat zij (ook) gek is en “Kat” geeft het ‘logische’ antwoord dat zij wel gek moet zijn, anders was ze toch niet daar waar iedereen gek is!

Het “laifdevolle kienderhaart bewoaren”
Tja, wat betekent ‘vertalen’? Eigenlijk is alles wat je zegt, schrijft, hoort en leest in zekere zin ‘vertalen’.” Dat geldt ook voor het ‘sense’ geven aan ‘Wonderland’.
Nicolaas Matsier wilde ‘Wonderland’ vertalen met ‘Verbazië’ … prachtig! Niet alleen vanwege het toepasselijk woordspel maar ook omdat het past bij ‘to wonder’, verbazen! Het land van Alies is een land waarin je je blijft verbazen. Zij ontdekt dat de wereld van de volwassenen een wereld vol idioten is waarin onbegrijpelijke, wonderlijke dingen gebeuren. Zij wordt groot, zij moet ook ‘volwassen’ worden, helaas. Aan het eind van het verhaal, als Alies weer wakker is, de droom aan haar oudere zus heeft verteld en alleen naar huis is gegaan denkt haar zus er lang over na. Ze hoopt dat zij het verhaal later aan haar eigen en andermans kinderen mag vertellen en dat zij dan net zo blij zullen zijn, het verhaal zullen bewaren en dat ze later zullen terugdenken aan hoe mooi hun gelukkige kinderjaren waren. Dan zijn we weer terug bij de melancholie van het openingsgedicht: “Al ien de golden mirregzun …”. De klassieker gaat stiekem over je bestaan, over ontdekken wie je bent en over de zin van dat zijn.
Fijn dat we dat nu ook in het Gronings kunnen lezen.
Franke Koksma
Leens

