Skip to main content Scroll Top

Is Hugo Brandt Corsius de Nederlandse Lewis Carroll?

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Inleiding

In Het Parool van 2 juli 1966 vergeleek Huug Kaleis Hugo Brandt Corstius met Lewis Carroll, “de wiskundige die, behalve Alice in Wonderland, ook talrijke satirische pamfletten schreef.” Hij deed dat in een recensie (‘Buitelend satiricus aan het woord’) van De reizen van pater Key, dat Hugo Brandt Corstius schreef onder pseudoniem Raoul Chapkis. Brandt Corstius stond op dat moment (1966) overigens nog maar aan het begin van zijn carrière als columnist.

De vergelijking van Kaleis kwam onder mijn aandacht bij het lezen van de biografie Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1938-2014, geschreven door Elsbeth Etty. In die biografie ontdekte ik meer overeenkomsten tussen beide heren en dat vond ik al met al voldoende aanleiding om de volgende vraag te onderzoeken: ‘Is Hugo Brandt Corstius de Nederlandse Lewis Carroll?’ Tijdens het symposium van het Lewis Carroll Genootschap op 20 september 2025 heb ik een lezing gegeven over dit onderwerp en in een drietal artikelen ben ik ingegaan op verschillende aspecten van het werk van beide auteurs: fictie, opiniestukken en taalfilosofie.

(2000)

Met dit artikel sluit ik de reeks af: ik beschrijf de overeenkomsten en verschillen in hun persoonlijkheden en levensloop, vat de conclusies uit de eerdere artikelen samen en formuleer een algemene conclusie. Ik begin met de vraag in hoeverre Brandt Corstius zich over Carroll heeft uitgelaten.

Hugo Brandt Corstius over Lewis Carroll

Lewis Carroll komt twee keer prominent voor in het werk van Hugo Brandt Corstius en voorzover ik heb kunnen nagaan zijn dit ook de enige twee keren.
De eerste keer is in een artikel dat Brandt Corstius onder zijn pseudoniem Raoul Chapkis in 1965 schreef over Carroll (Chapkis, 1965); het werd gepubliceerd in het tijdschrift Tirade met als titel “Lewis Carroll”.

In dit artikel, dat een aantal kanttekeningen geeft bij het leven en werk van Lewis Carroll (die hij overigens nu en dan ook met zijn eigennaam ‘Dodgson’ aanduidt), bekent Brandt Corstius zijn liefde voor Alice in Wonderland. Jammer genoeg ziet hij ervan af om die liefde te onderbouwen: “Er zijn namelijk, heb ik gemerkt, een heleboel mensen die ‘Alice in Wonderland’ niet leuk vinden. Tegen die mensen heb ik niets te zeggen.” Hij beschouwt het zonder meer als kinderboek: “’Alice in Wonderland’ als satire op te vatten is dus even belachelijk als in een verward modern schilderij ‘moederliefde’ te willen zien.”
Zijn beweringen over de positie die Alice in Carrolls gehele leven ingenomen zou hebben, zijn in mijn ogen discutabel: “Alice is in ieder geval zijn enige, en levenslange, liefde geweest.” Wanneer hij zich uitlaat over de breuk tussen Carroll en de familie Liddell, heeft hij een voorkeur voor de verklaring dat Carroll te kennen had gegeven met Alice te willen trouwen.
Hij vindt Carrolls opstelling in zijn pamfletten teleurstellend. “In alle conflicten over de hervorming van de universiteit, stelt Dodgson zich onverminderd aan de meest conservatieve zijde op.” Dit is echter niet juist: er zijn wel degelijk gevallen waar Carroll de zijde van de vernieuwers koos (zoals over de invloed van fellows – in Christ Church ‘students’ genoemd – op het bestuur van het College) ofwel zelf een vernieuwende inbreng had (over de organisatie van verkiezingen) (Savenije, 2024). Brandt Corstius acht de onbenulligheid van de zaken waar Carroll zich over opwindt, kenmerkend voor de levenslange pietluttigheid.
Brandt Corstius is negatief over Carroll als wiskundige: “Dat hij in Oxford benoemd werd, toont ons de bijzonder lage plaats die de wiskunde daar innam.” “Het is niet geheel en al onvermogen: hij las eenvoudig niet wat er op wiskundig terrein in zijn tijd verscheen.” Dit oordeel is te ongenuanceerd. We zien in Carrolls werk op het gebied van wiskunde en logica weliswaar slechts sporadisch een citaat van of een verwijzing naar een andere auteur, maar hij stond wel degelijk open voor de wiskundige ideeën uit zijn tijd (Abeles, 2017, p. 18).
Terecht merkt hij op: “Florissanter is zijn werk op het gebied van de logika. Hiervoor had hij beslist talent.” Hij verwijst hierbij naar Symbolic Logic Part I (de manuscripten voor het niet tijdens Carrolls leven uitgegeven Part II zijn immers pas in 1977 gepubliceerd) en ziet daar “een soort automatische oplosmethode voor logische redeneringen.”
Opmerkelijk is dat hij de “Barbershop Paradox” (Carroll, 1894) Carrolls meest diepzinnige bijdrage noemt. Deze paradox is echter relatief eenvoudig te doorgronden: de crux zit in het al dan niet accepteren van de zgn. materiële implicatie. Het is toch vooral de paradox “What the Tortoise Said to Achilles” (Carroll, 1895) waardoor Carroll bekend is gebleven onder logici (Savenije, 2021, p. 83).
Brandt Corstius vermeldt ook Carrolls liefde voor puzzels, “een ideale combinatie van logika, humor en en beetje wiskunde”. Hij verwijst naar het boek Pillow Problems en met name naar de inleiding waarin Carroll schrijft dat hij puzzels nodig had om de gedachten af te leiden van “sceptical thoughs, which seem for the moment to uproot the firmest faith”. Daarbij ging het zowel om “blasphemous thoughts”, als “unholy thoughts” (Carroll, 1893, p. xv). “Wat waren die onheilige gedachten?” vraagt Brandt Corstius zich af. “Tegen de religie gericht? […] Of zijn het meer de gebruikelijke gedachten bij een man alleen in bed?”

De tweede keer dat Carroll voorkomt in het werk van Brandt Corsius, is in De reizen van Pater Key uit 1966. Hierin beschrijft Brandt Corstius onder het pseudoniem Raoul Chapkis de avonturen van de missionaris Jaap Key. Bij diens nogal ongelukkige aankomst op het afgelegen, kleine eiland Tristan da Cunha wordt hij begroet als “de oom van Alice in Wonderland”. Daarmee wordt verwezen naar het feit dat in 1881 de broer van Lewis Carroll op Tristan was aangekomen als Anglicaans missionaris waarbij zijn schip voor de kust zonk. De vele problemen die de bewoners van Tristan teisterden, leidden ook tot bemoeienis van Lewis Carroll zelf, zoals ik heb beschreven in Savenije (2025).

Overeenkomsten en verschillen in persoonlijkheid en leven

Er is een aantal opvallende overeenkomsten in persoonlijkheid en leven van Carroll en Brandt Corstius.

Laat ik beginnen bij het syndroom van Asperger. Brandt Corstius bekende zelf dat hij het had en er zijn sterke vermoedens dat dit ook bij Carroll het geval was. Veel voorkomende kenmerken van het syndroom zijn: bovengemiddelde intelligentie, neiging tot gestructureerd gedrag, gebrek aan inlevingsvermogen, moeite met sociale interactie, zeer specifieke interesses. Deze kenmerken zijn duidelijk bij beide heren herkenbaar.
Het syndroom was als zodanig nog niet bekend tijdens Carrolls leven en de Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger die hier baanbrekend onderzoek verrichtte, werd pas in 1906 geboren. Maar volgens Zigmond (1999, p. 32) kunnen veel van Carrolls eigenschappen met Asperger worden verklaard. Bijzonder is de verklaring die Zigmond geeft voor Carrolls voorkeur voor jonge meisjes (1999, p. 38): “Wanneer iemand met het syndroom van Asperger een bepaald gedragspatroon heeft aangeleerd, is het uiterst moeilijk aan te passen.” Omdat Carroll was opgegroeid in het gezelschap van een groot aantal jongere zusjes, was hij gewend aan het gezelschap van prepuberale meisjes. “Hij wist hoe hij met hen om moest gaan en hoe zij op hem reageerden. Daarom denk ik dat hij hun gezelschap een omgeving vond waarin hij kon floreren.”
Brandt Corstius wond er geen doekjes om en zei over zichzelf: “Ik ben altijd een asperge geweest. Toen mijn moeder begon te persen, begon ik te pesten.” (geciteerd in Etty, 2024, p. 19).

Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat ze beiden hun hele leven stotterden. Ze hadden ook, wellicht mede als gevolg daarvan, een voorkeur voor het geschreven boven het gesproken woord. Carroll stotterde bijvoorbeeld bij het uitspreken van zijn naam ‘Dodgson’ en verwees daarom wel naar zichzelf als ‘dodo’. Maar alhoewel het effect op zijn omgeving beperkt geweest schijnt te zijn, stoorde het hemzelf in hoge mate en bezocht hij ook een spraaktherapeut (Woolf , 2010, p. 75). In het bijzonder zag hij problemen bij preken en het voorlezen van bijbelteksten. Zelf zei hij daar over “dat zij die er niet aan lijden, zich niet echt kunnen voorstellen wat een nadeel dat in je leven is” (Woolf 2010, p. 73). De meeste van zijn broers en zussen hadden overigens ook een spraakgebrek; mogelijk speelde het een rol dat zijn ouders volle neef en nicht waren.
Brandt Corstius zat er duidelijk minder mee en relativeerde zijn gebrek, zeker op latere leeftijd. Zo schreef hij in VN van 30-6-1979: “Op de middelbare school was een stotter even onvergeeflijk als een open gulp. De laatste jaren heb ik er geen last meer van. De last voor mijn toehoorders moet ook niet overdreven worden.” Volgens Etty (2024, p. 470) beloofde hij diverse uitgevers een boek aan stotteren te wijden; dat is er echter nooit gekomen.

Beiden waren eigenzinnig en hadden over veel onderwerpen een uitgesproken mening en waren daarin zeer vasthoudend. Bij Carroll zien we dat bijvoorbeeld in zijn universitaire pamfletten, waarin hij dean Liddell o.a. aanvalt op de bouwkundige veranderingen aan de gebouwen van Christ Church. Maar we vinden het ook terug in zijn ingezonden brieven in kranten, waarin hij eindeloos blijft reageren op briefschrijvers die het met hem oneens zijn, bijvoorbeeld over de regels voor tennis en de vaccinatie van kinderen (zie Savenije 2024).
De vasthoudendheid van Brandt Corstius kwam bijvoorbeeld tot uiting in zijn de jarenlange strijd die hij voerde in zijn columns over Buikhuijsen, de bio-criminoloog die een omstreden onderzoek uitvoerde naar de erfelijkheid van criminaliteit. Of in de langdurige vete met mede-VN-columnist Renate Rubinstein alias Tamar, die hij onder meer antisemitisme verweet.

Zowel Carroll als Brandt Corstius genoten een wiskundeopleiding e  n hadden in het verlengde daarvan veel belangstelling voor logica en taal. Beiden hielden van puzzels en raadsels, ook al op jonge leeftijd. Carroll stelde in zijn jonge jaren, om zijn broers en zussen te vermaken, een reeks tijdschriften samen, elk met meerdere afleveringen. Daarin komen we al veel ‘raadsel-achtige’ stukjes tegen. Spelletjes en puzzels speelden gedurende zijn hele leven een belangrijke rol, zowel woordspelletjes (bijvoorbeeld Doublets) als wiskundige en logische puzzels en raadsels; mooie voorbeelden zijn de bundels Pillow Problems en A Tangled Tale. Hij was een liefhebber van wat wel wordt aangeduid als ‘recreatieve wiskunde’. In zijn logische werk is ook vaak een spelelement te ontdekken, met name in The Game of Logic.

Brandt Corstius maakte al in 1944 (op negenjarige leeftijd) rebussen en raadsels. Zo schreef hij in 1945 in een brief aan zijn voormalige onderwijzeres: “Omdat ik niks meer weet te schrijven zal ik maar een paar raadsels opgeven”. De oplossingen voegde hij er in een apart envelopje bij (Etty, 2024, pp. 27-28). Later legde hij vooral een accent op het spelen met taal.

Maar naast deze opvallende overeenkomsten zijn er ook enkele in het oog springende verschillen.
Om te beginnen in persoonlijkheid. Lewis Carroll was sociaal en zocht gezelschap op, ook al was hij daarbij soms wat ongemakkelijk. Hij gebruikte zijn rol als fotograaf meermalen om in contact te komen met belangrijke mensen; hij had zeker wat snobistische trekken en gedroeg zich regelmatig als een pleaser. Brandt Corstius daarentegen was onaangepast en vaak ronduit bot.
Carroll was wat wel een ‘confirmed bachelor’ wordt genoemd, maar duidelijk een liefhebber van vrouwelijk gezelschap. En niet alleen van jonge meisjes, maar wel degelijk ook van volwassen vrouwen. Regelmatig zocht hij het gezelschap van volwassen vrouwen, wat in de victoriaanse tijd (in tegenstelling tot de contacten met jonge meisjes), zeker voor een geestelijke, not done was. Brandt Corstius was twee keer getrouwd en vader van drie kinderen ( Aaf, Merel en Jelle). Hij had gedurende zijn leven menige seksuele relatie.
Niet onvermeld mag blijven dat Carroll een geestelijke was, hij had in zijn opleiding tot priester beëindigd toen hij diaken was. Het geloof speelde een belangrijke rol in zijn leven en ook bij zijn morele opvattingen. Daar was bij Brandt Corstius geen sprake van: hij zette zich graag en veelvuldig af tegen de kerk en politici die zich op het geloof  beriepen.

Wat hun werk betreft, is Carroll bekend vanwege zijn fictie (en dan vooral Alice’s Adventures in Wonderland) en in mindere mate ook vanwege zijn poëzie. Daarnaast publiceerde hij op het gebied van wiskunde en logica. Zijn opiniestukken (pamfletten, essays en ingezonden brieven) zijn eigenlijk alleen bekend bij de liefhebbers (‘Carrollians’). De reputatie van Brandt Corstius is voor een belangrijk deel gebaseerd op zijn columns, maar daarnaast ook op zijn spel met taal (met name Opperlandse taal- & letterkunde). Zijn (populair-) wetenschappelijk werk op het gebied van taalkunde is minder bekend. Hij heeft geen poëzie gepubliceerd.

De vergelijking van het werk van Carroll en Brandt Corstius

Fictie
In Savenije (2026a) heb ik een vergelijking met betrekking tot fictie gemaakt. Daarbij ben ik uitgegaan van de literaire nonsens zoals we die bij Carroll aantreffen en heb ik bekeken in hoeverre we die ook bij Brandt Corstius zien. De essentie van literaire nonsens is een spanning tussen de aanwezigheid en afwezigheid van betekenis: de taal misleidt ons omdat het effect van de woorden afwijkt van onze verwachting. Mijn conclusie luidde dat er duidelijke overeenkomsten zijn waar te nemen tussen Carroll en Brandt Corstius vanuit het oogpunt van literaire nonsens, in het bijzonder omdat beiden gebruik maken van de volgende stijlfiguren:

  • Omkering of spiegeling, bijvoorbeeld in tijd.
  • Opzettelijke onnauwkeurigheid, bijvoorbeeld door het opheffen van de grens tussen realiteit en fictie.
  • Oneindige regressie, vaak leidend tot een paradox.
  • Woordspelingen en porte-manteauwoorden.

Columns
In Savenije (2026b) heb ik een vergelijking gemaakt met betrekking tot opiniestukken. Dit keer ben ik uitgegaan van Brandt Corstius’ stijl als columnist en heb vandaar uit bekeken of we zijn kenmerken ook aantreffen bij Carroll. Beiden waren typische columnisten (ze bemoeiden zich met alles en hadden overal een mening over). Het fenomeen ‘column’ bestond nog niet ten tijde van Carroll; hij ventileerde zijn mening dus in essays, pamfletten en ingezonden brieven in kranten. Ook hier zien we weer een aantal gemeenschappelijke factoren:

  • Het regelmatig gebruik van humor, woordspelingen en logica.
  • Het tekeergaan tegen autoriteiten zonder aanzien des persoons. Bij Brandt Corstius was dit vaak een kruistocht, tegen de persoon gericht en met een forse afkeer van instituties; die afkeer van instituties zien we bij Carroll niet terug. Hij was ook meer onderwerps- dan persoonsgericht.
  • Plezier in het ridiculiseren van tegenstanders: Brandt Corstius was daarbij regelmatig kwetsend, Carroll ‘beperkte’ zich tot satire en cynisme.
  • Tegendraadse vasthoudendheid: een eenmaal begonnen strijd werd niet snel opgegeven.

Er zijn echter ook duidelijke verschillen:

  • De omvang van de productie: de hoeveelheid stukken Brandt Corstius is overweldigend, Carroll was niet primair een ‘stukjesschrijver’.
  • De grote variëteit van pseudoniemen bij Brandt Corstius.
  • De houding ten opzichte van de lezers: Brandt Corstius wilde zijn lezers graag shockeren, Carroll zocht ze juist op voor een debat.
  • Het maatschappelijk vertrekpunt, het anker, was bij Brandt Corstius de linkse politiek, bij Carroll het geloof en de bijbehorende moraal.

Taal
In Savenije (2026c) ben ik ingegaan op de gemeenschappelijke aspecten in hun omgang met taal. Beiden hadden veel belangstelling voor taal. Carroll dacht veel na over taal, maar deed dat, voorzover we weten, niet op een systematische manier. Brandt Corstius heeft gepubliceerd over taalkunde.
Hier vallen de volgende gemeenschappelijke aspecten op:

  • Veel aandacht voor de vorm van taal en de spanning tussen vorm en betekenis; we zien dat bij beiden terug als ‘recreationele taalkunde’ met taalpuzzels en woordraadsels.
  • Het geven van eigen betekenissen aan woorden.
  • Belangstelling voor het mechaniseren van het gebruik van taal. Bij Carroll betreft dat vooral zijn logica waarin we een aanzet zien tot het mechaniseren van redeneringen. Brandt Corstius probeerde wiskunde op taal toe te passen.

Afsluitende conclusie

 Het aantal gemeenschappelijke elementen in leven en werk van Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius is opvallend en rechtvaardigt in mijn ogen een brede vergelijking, zoals ik in een aantal artikelen heb uitgewerkt. Opvallend is een tweetal essentiële overeenkomsten. Beiden zijn typische columnisten: ze hebben overal een mening over en verkondigen deze op fanatieke wijze. Maar belangrijker is hun gemeenschappelijke vertrekpunt: een wiskundig georiënteerde kijk op taal, leidend tot een spel met een accent op vorm, waarbij ze het spel een extra dimensie gaven door dankbaar gebruik te maken van de verwarring die de relatie met betekenis opriep. We zien dit zowel in hun fictie als in hun opiniestukken terug en bijgevolg is humor is een belangrijk element in hun werk.
De verschillen zijn echter ook groot en die betreffen niet alleen persoonlijkheidskenmerken maar ook hun prioriteiten ten aanzien van hun werk: bij Carroll lag de prioriteit vooral bij fictie en later in zijn leven ook bij logica, Brandt Corstius begon als computerlinguïst maar was vooral columnist. En dan is er natuurlijk ook het verschil in anker: het geloof bij Carroll versus de linkse politiek bij Brandt Corstius.

En zo dient, zeker voor een bewonderaar van beide auteurs, de volgende conclusie zich aan: het kenschetsen van Hugo Brandt Corstius als de Nederlandse Lewis Carroll zou beide personen tekortdoen.


Referenties

  • Abeles, Francine F. (2017). “On the Truth of some Mathematical Ideas in Alice’s Adventures in Wonderland.“ The Carrollian, No. 29, pp. 3-20.
  • Battus (1985). Opperlandse taal- & letterkunde.
  • Carroll, Lewis (1885). A Tangled Tale.
  • Carroll, Lewis (1887). The Game of Logic. Macmillan.
  • Carroll, Lewis (1893). Pillow Problems. Curiosa Mathematica Part II. Macmillan.
  • Carroll, Lewis (1894). “A Logical Paradox.” Mind, 3, No. 11, pp. 436-438.
  • Carroll, Lewis (1895). “What the Tortoise Said to Achilles.” Mind, Vol. 4, No. 14, pp. 278-280.
  • Carroll, Lewis (1896). Symbolic Logic. Part I Elementary.
  • Chapkis, Raoul (1965). “Lewis Carroll”. Tirade 97, pp. 2-10.
  • Chapkis, Raoul (1966). De reizen van pater Key.
  • Etty, Elsbeth (2024). Ik heb nog nooit gelogen. Hugo Brandt Corstius 1935-2014.
  • Savenije, Bas (2021). De logische wereld van Lewis Carroll en wat Alice daar aantrof. Lewis Carroll Genootschap.
  • Savenije, Bas (2024). Lewis Carroll: columnist avant la lettre. Lewis Carroll Genootschap.
  • Savenije, Bas (2025). “De oom van Alice in Wonderland.” Phlizz, oktober 2025. https://lewiscarrollgenootschap.nl/de-oom-van-alice-in-wonderland/
  • Savenije, Bas (2026a). “Literaire nonsens bij Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius.” Phlizz, januari 2026. https://lewiscarrollgenootschap.nl/literaire-nonsens-bij-lewis-carroll-en-hugo-brandt-corstius/.
  • Savenije, Bas (2026b). “Hugo Brandt Corstius en Lewis Carroll als columnisten.” Phlizz, april 2026. https://lewiscarrollgenootschap.nl/hugo-brandt-corstius-en-lewis-carroll-als-columnisten/.
  • Savenije, Bas (2026c). “Lewis Carroll en Hugo Brandt Corstius: omgang met taal.” Phlizz, juli 2026. https://lewiscarrollgenootschap.nl/lewis-carroll-en-hugo-brandt-corstius-omgang-met-taal/
  • Woolf, Jenny (2010). The Mystery of Lewis Carroll. Haus Books.
  • Zigmund, Sally (1999). “Lewis Carroll: A Case of Asperger Syndrome? A Personal View.” In The Carrollian, 4, pp. 32-40.