Categorie: It’s my own invention Homepage

Alice in het rijk der verboden boeken

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

I         INLEIDING

Er doen regelmatig geruchten de ronde dat het boek Alice in Wonderland in sommige landen in de ban is gedaan en op een lijst zou staan met “verboden boeken”. Er waren daar verschillende redenen voor, zo zou het boek in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Verenigde Staten het gebruik van drugs aanmoedigen.[1] Ook zijn er overleveringen dat Alice in Wonderland op sommige scholen in de Verenigde Staten verboden is geweest vanwege een aantal dialogen en (seksuele) fantasieën binnen het boek. Ook uit de communistische landen USSR en China uit de eerste helft van de vorige eeuw  komen “verzinsels”,  dat het boek op een “verboden lijst” zou zijn gezet op grond van het feit dat pratende dieren op hetzelfde niveau als de mens werden geplaatst en daardoor ook de mens konden kleineren.[2] Het zijn echter allemaal voor een groot deel broodjes-aap verhalen en hoewel er ooit misschien wel eens een school of een krant of een magazine het boek in de ban heeft gedaan, is het boek Alice in Wonderland nog nooit op een lijst met verboden boeken gekomen. Tot echter onlangs via een artikel van  Markus Lång in het tijdschrift “The Knight Letter”[3] uitvoerig uit de doeken kwam dat een speciale uitgave van het boek Alice in Wonderland in Finland verboden is. Dat ging gepaard met diverse rechtszaken. En dat daar nauwelijks ruchtbaarheid aan gegeven is, is niet verwonderlijk. Een westers land dat een kinderboek (althans in die uitgave) verbiedt, is heel bijzonder. Het wrange aan deze situatie is, dat een Nederlandse vertaler/bewerker daartoe de aanzet heeft geleverd.

De feitelijke gelegenheid om de distributie van deze bijzondere editie van Alice in Wonderland te verbieden vond plaats in 1962 in Finland en de reden daarvoor was van geheel andere aard dan al die redenen in al die broodjes-aap verhalen. Met toestemming van Markus Lång (een Finse Carrolliaan) en de redactie van de Knight Letter volgt hier in deel II een bijna complete Nederlandse vertaling van zijn artikel:[4]

II        DE   VERBODEN   ALICE

Proloog
Ergens in 1961 begon een Fins bedrijf genaamd Kynäbaari Oy met de publicatie van een serie boeken met het label “Luxus” (luxe), een serie boeken bedoeld voor jonge lezers. Deze boekenreeks omvatte acht klassieke romans, gedrukt in Nederland en geïllustreerd met kleurillustraties[5]: Alice in Wonderland (Liisa Ihmemaassa) door L. Caroll, Little Women door Louise Alcott, Tom Sawyer door Mark Twain, Robinson Crusoë door Daniel Defoe, enzovoort. Deze waren allemaal vertaald uit een identieke serie in het Nederlands, hoewel de romans oorspronkelijk in het Engels of in het Duits waren geschreven. Die serie van acht “bewerkingen”, oorspronkelijk omstreeks 1960  uitgegeven door Holkema & Warendorf te  Amsterdam (in het Nederlands als Junior Star Pocket en in het Frans als Serie Mulder Junior) en gedrukt in Nederland door Mulder & Zoon, werd op grote schaal verspreid in Frankrijk, Nederland, België en Canada, zoals advocaat Aleksander Kaspi later bij de rechtbank aantoonde.

Finse Alice

Franse Alice

Nederlandse Alice

Helaas was de kwaliteit van het Fins dat in deze boeken werd gebruikt, onhandig en afschuwelijk om het beleefd te zeggen. De vertalingen waren erg slecht, onnauwkeurig en ondeskundig, bovendien was de inhoud van de boeken verkort en gewijzigd. Niet alleen ontbrak de naam van de vertaler in de boeken, maar werd ook niet vermeld dat de boeken sterk waren ingekort en aangepast. De kopers van deze boeken konden zich bedrogen voelen, omdat de boeken volledige en nauwkeurige weergaven leken te zijn van de originele klassiekers. Vanuit juridisch oogpunt zou dit kunnen worden geïnterpreteerd als een kwestie van consumentenbescherming. Volgens Finse wetten is dit echter in de eerste plaats een auteursrechtkwestie, met name in gevallen waarin de auteur is overleden, zelfs als het auteursrecht al is opgehouden en de romans in kwestie het publieke domein zijn binnengedrongen. De Finse auteursrechtwet heeft een sectie die de Classics Protection Paragraaf (§ 53) kan worden genoemd. Deze wet was op 1 september 1961 in werking getreden.

In de Noordse landen was het gebruikelijk om samen belangrijke wetgeving op te stellen en dat gold ook voor de auteursrechtwetgeving van deze landen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Er is dus ook een soortgelijke paragraaf, bijvoorbeeld in de Auteurswet van Zweden (§ 51), met de Academie van Zweden als de bevoegde autoriteit. Volgens de paragraaf in kwestie heeft het Finse ministerie van Onderwijs de bevoegdheid om de import en distributie van literatuur- en kunstwerken te verbieden wanneer het uit te geven werk publiekelijk “educatieve belangen” schendt (of in strijd is met “de belangen van het cultiveren van de menselijke geest”, op voorwaarde dat de auteur dood is, dat wil zeggen dat hij zijn of haar rechten niet kan verdedigen.[6]

De slechte literaire kwaliteit van de “Luxus” -boeken werd duidelijk in Finland toen Timo Tiusanen, een literatuurwetenschapper, de boekenreeks in de krant Helsingin Sanomat op 18 maart 1962 recenseerde. Hij concentreerde zich op de slechte kwaliteit van Tom Sawyer: “Nee , deze uitgave is een moordaanslag op het boek.” Hij nam ook nota van het niet-authentieke sprookje dat aan het begin van Alice in Wonderland werd toegevoegd. Tiusanen riep mogelijke kopers op deze “frauduleuze” boeken niet te bestellen en niet te kopen. In 1962–1963, werd deze juridische zaak op de voet gevolgd door Helsingin Sanomat, waar Tiusanen als journalist werkte. In andere kranten en tijdschriften wordt echter deze zaak zelden genoemd. In het tijdschrift Suomen Kuvalehti van14 juli 1962 keurde Helle Kannila, een gerenommeerd bibliothecaris, het verbod af met het argument dat boeken van mindere kwaliteit helaas vrij algemeen zijn en dat het ministerie dus tegen windmolens vecht. Hierop publiceerde Tiusanen op 18 juli in Helsingin Sanomat een lang en kritisch dupliek.

Het Ministerie van Onderwijs ondernam actie met betrekking tot de “Luxus” -boeken en vroeg om een ​​uitspraak van de Literaire Staats Raad en verbood de invoer en distributie van deze serie boeken op 11 mei 1962.[7]

Eerste beroep
Het bedrijf Kynäbaari, dat de serie boeken publiceerde, accepteerde dit echter niet en eiste bij de Rechtbank van Helsinki het verbod op te heffen. Dit lukte. De gemeentelijke rechtbank was het ermee eens dat de romans waren aangepast en het zou gepast zijn geweest om in de boeken te vermelden dat de publicaties waren ingekort en gewijzigd, maar door dit na te laten was er geen belediging voor educatieve belangen in de zin en omvang waarnaar in de Auteurswet werd verwezen. Daarom werd op 29 januari 1963 het verbod afgeschaft en moest de staat Finland de juridische kosten van Kynäbaari betalen, 500 mark (ongeveer 778 dollar in de huidige tijd).

Aangezien beide partijen de zaak aanhangig maakten bij het Hof van Beroep van Helsinki, kreeg het vonnis geen rechtsgeldigheid. Bij het Hof van Beroep zijn de boeken uitvoerig onderzocht, waarbij werd opgemerkt dat de vertaalde versies aanzienlijk verschilden van de originele romans; Tom Sawyer bevatte bijvoorbeeld slechts circa 85 pagina’s van de oorspronkelijke 255, The Last of the Mohicans bevatte slechts 75 pagina’s van de 560 en Alice in Wonderland bevatte ongeveer 5/6 van het oorspronkelijke aantal pagina’s en geen gedichten. Verder waren tien pagina’s met tekst toegevoegd aan het begin en twee pagina’s aan het einde van het verhaal, die niet aanwezig zijn in het originele werk – het zijn niet-authentieke uitbreidingen die zelfs heel dom overkomen. Ook de inhoud en de stijl van verschillende romans werden zo wezenlijk veranderd dat ze niet meer als vertalingen konden worden beschouwd, maar eerder als gewijzigde en verkorte samenvattingen – in feite vervalsingen -, die enigszins leken op de originele romans. Dit is natuurlijk niet zo verbazingwekkend als je een Engels boek in het Nederlands bewerkt, dit in het Frans vertaalt en dit Franse boek vervolgens in het Fins omzet. De onnauwkeurigheden stapelen zich op die manier op.

Verdere beroepen
Omdat de boeken in kwestie niet vermeldden dat het om verkortingen of aanpassingen ging en omdat de literaire waarde van de publicaties aanzienlijk lager was dan die van de originele werken, heeft het Hof van Beroep het besluit van de stadsrechtbank vernietigd en op 14 oktober 1964 beslist, dat de invoer en distributie van de boeken in kwestie verboden moest worden, zoals oorspronkelijk bevolen was door het Ministerie van Onderwijs. De staat was niet aansprakelijk voor de juridische kosten van Kynäbaari. De enige vrijstelling van het verbod was het boek Robin Hood, geschreven door een zekere “Tsylla Täti” (“Tante Tsylla”, een pseudoniem), omdat niet kon worden aangetoond dat deze anonieme auteur dood was.
Hierna ging het bedrijf Kynäbaari in beroep bij het Hooggerechtshof van Finland en deze zaak werd vervolgens op de rol gezet. Het vonnis van het Hof van Beroep werd bekrachtigd en openbaar gemaakt op 6 februari 1967. Hoewel er verschillende romans bij betrokken waren, staat dit precedent, KKO 1967-II-10, algemeen bekend als “de Alice in Wonderland zaak” in Finse cursusboeken over intellectueel eigendomsrecht.

Er moet helaas aan toegevoegd worden dat dit het enige geval is geweest – niet alleen in Finland, maar in de Scandinavische landen in het algemeen – waarin deze  Classics Protection Paragraaf ooit in werking is getreden en … deze zaak ligt nu alweer bijna zestig jaar achter ons. De paragraaf blijft technisch nog steeds van kracht, maar momenteel is het Finse Ministerie van Onderwijs niet bereid om het af te dwingen, omdat dat ondernemers ook zou kunnen afschrikken om dingen te publiceren (een zogenaamd “chilling effect”) en daarmee hun vrijheid van meningsuiting en bescherming van hun intellectuele eigendom zou beperken. Het bedrijf Kynäbaari bestaat nog steeds, tegenwoordig samengevoegd met andere bedrijven onder de naam Wulff Liikelaskenta Oy.

Vanwege dit verbod zijn kopieën van de verboden Finse editie bijna onmogelijk te vinden. Er zijn er drie bekend: één in de Nationale Bibliotheek van Finland, één aan de Universiteit van Turku Bibliotheek en één is onlangs toegevoegd aan The Burstein Collection[8]. Daarentegen zijn de Franse en Nederlandse edities goedkoop en relatief gemakkelijk verkrijgbaar. Tot zover het artikel van Markus Lång in de Knight Letter.

III      DE BEWERKTE NEDERLANDSE AARDWEG-ALICE’S

Proloog
Vanuit het oogpunt van een Carroll-verzamelaar is het natuurlijk aan te bevelen een exemplaar van dit verboden boek in het Nederlands of in het Frans te bemachtigen. Wie zou er natuurlijk niet een Alice in zijn boekenkast hebben willen staan, waarvan een afgeleide vertaling verboden is! Het is duidelijk dat de Franse en Finse boeken van deze serie vertaald zijn vanuit de Nederlandse serie “Junior Star Pocket” serie. Bij de meeste Nederlandse boeken in deze serie is de bewerker Henri van Hoorn, maar ook andere pseudoniemen komen voor. In de Alice in Wonderland-uitgave in deze serie is bijvoorbeeld de bewerker Ankie van den Aardweg. Maar wie schuilt er achter deze pseudoniemen?

De bewerker
In ca. 1937 (datering Koninklijke Bibliotheek) verscheen een ietwat vreemde Nederlandse boekuitgave van Alice in Wonderland. Gezien de spelling moet deze uitgave zeker uit de jaren voor de Tweede Wereldoorlog dateren. De titelpagina vermeldt L. Carroll: opnieuw naverteld door Henri van Hoorn. Het betreft een uitgave uit de serie A van “Goede Lectuur” (Amsterdam), bevat geen illustraties en telt 113 pagina’s. Op de voorplaat kun je in kleur een meisje, een dwergelfje en een kasteel op de achtergrond zien, waarschijnlijk getekend door de Spaanse striptekenaar Juan Pérez del Muro (1895-1949). Zie illustratie 1.

De bewerker van deze boekuitgave is in feite Henricus Petrus van den Aardweg. Hij was een Nederlandse journalist, dichter en prozaschrijver (Hoorn 1899 – Amsterdam 1971) en werkte aanvankelijk in de handel, later was hij journalist en correspondent van verschillende kranten in Parijs en Rome en daarnaast tevens adviseur van een uitgeverij.

Van den Aardweg als broodschrijver schreef veel (bewerkte) jeugdliteratuur, onder meer gebaseerd op historische figuren en gebeurtenissen.[9] Hij gebruikte daarbij veel pseudoniemen, zoals Annie Aalbers, Henri van Hoorn, Johanna van Munching (de meisjesnaam van zijn vrouw was von Münching). Zie bijlage 2 voor zijn gebruikte pseudoniemen. In bijlage 3 zijn 2 recensies van zijn roman: Menschen. Roman uit het leven van een klein land uit 1941 opgenomen, waarin hij de levenswaardigheden van een zekere “Henri van Hoorn” beschrijft.

De Bewerkingen
Maar weer terug naar zijn bewerkte Alice. Het vreemde aan dit waardeloos uitgegeven boek (slecht gebonden/gezet (een muizenstaart van 2½ pagina’s!), gebrekkig gedrukt, beroerd vertaald/bewerkt, geen illustraties (schandalig, een Alice-boek onwaardig!) en daardoor redelijk zeldzaam), is dat Henri van Hoorn in het begin van het verhaal er een sprookje, getiteld “Een vreemde prinses” van 9 pagina’s bij verzint[10], waarin een dwerg voorkomt en aan het eind van het boek als Alice weer wakker wordt, haar zus in slaap valt en ook over Wonderland gaat dromen. In deze droom van 4½ pagina’s vertellen een aantal figuren uit Wonderland haar over Alice. Later wisselen Alice en haar zus hun ervaringen over Wonderland uit. Dit boek telt 113 pagina’s, waarvan er 9½ (ruim 8%), uit de fantasie van Henri van Hoorn zijn ontsproten.

1

2

3

Zo’n 15 jaar later start het hele Alice-boekencircus rondom Van den Aardweg in volle glorie. In 1952 verschijnt onder het pseudoniem Henriëtte van Hoorn, Alice in Wonderland voor de Nederlandse jeugd opnieuw bewerkt, een nieuwe uitgave van “Goede Lectuur”, waarin het sprookje is weggelaten, maar een hoofdstuk 14 van 22 pagina’s is toegevoegd met als titel “Naschrift”, waarin Alice later haar avonturen in Wonderland probeert op te schrijven[11]. De bewerker probeert in dit hoofdstuk Lewis Carroll in dezelfde schrijftrant vergeefs na te bootsen… Zie illustratie 2 voor een afbeelding van dit boek.

In ca. 1954 wordt in België, onder het pseudoniem Johanna van Munching, Alice in Wonderland opnieuw verteld gepubliceerd, waarin zowel het sprookje als de avonturen van Alice’s zus terugkomen, maar ook aan het einde van het boek in een nieuw hoofdstuk een “Man van de Schrijverij” aan Alice’s zus verzoekt of zij de avonturen van haar zus wil opschrijven. Dit zelfde boek verscheen in Nederland als uitgave van “Goede Kinderlectuur”, maar nu opnieuw bewerkt door Annie van Munching. Er zijn dus 2 edities van deze uitgave. Zie illustratie 3.

In 1955 doemt een Alice in Wonderland op, alleen uitgegeven in België, waarin het sprookje en de droom van Alice’s zus weer worden opgevoerd en in de 2 laatste hoofdstukken een kabouter Weetal en weer de “Man van de schrijverij” worden opgevoerd. Dit boek voor meisjes van 8 – 14 jaar van 64 bladzijden zonder naam van de bewerker met nieuwe fantasieën is waarschijnlijk weer van Johanna van Munching. Zie illustratie 4.

4

5

6

Eind jaren 50 van de vorige eeuw komen bij uitgeverij Jeugdland te Heemstede 2 uitgaven van Alice in Wonderland uit. Het eerste boek, zie illustratie 5, bevat alleen de eerste 6 hoofdstukken van de originele Alice in Wonderland. Op de voorkant van het boek staat L. Caroll, op het titelblad L. Carroll. Er wordt geen bewerker/vertaler genoemd, maar vanwege de titel van het sprookje “Een vreemde prinses” kan dat niemand anders zijn dan Henriëtte van Hoorn alias Henricus Petrus van den Aardweg. Het tweede boek met op de voorkant Henriëtte van Hoorn en op het titelblad: Voor de Nederlandse jeugd opnieuw bewerk(!) door Henriëtte van Hoorn bevat ook de naam Lewis Carroll. In dit boek wordt het sprookje in het begin van het verhaal alleen terloops benoemd. Verder geen bijzondere afwijkingen van het originele verhaal. Zie illustratie 6.

In de jaren 60 van de twintigste eeuw wordt Van den Aardweg nog actiever. De meeste uitgaven zijn niet gedateerd, waardoor een zeer verwarrende potpourri met kleine tekstveranderingen is ontstaan. Allereerst verschijnt omstreeks 1960 bij uitgever Van Holkema & Warendorf N.V. te Amsterdam een Alice in Wonderland door Louise Alcott (!) voor Nederland bewerkt door Ankie van den Aardweg met 8 gekleurde illustraties van B.J. Brienen[12] in de softcover-serie Junior STAR Pocket. Drukker is Mulder & Zoon met op de achterplat het nummer 6408 en de 8 verschenen titels van boeken die in deze serie zijn verschenen. Dit is de uitgave, die als basis dient voor de “verboden” Finse uitgave in het eerste gedeelte van dit artikel. Zie illustratie 7a, 7b en 7c. Later zouden nog 2 edities hierop volgen met op de achterplat respectievelijk de 16 en 24 titels van verschenen boeken in deze serie. Zie illustraties 7d en 7e.  Bij deze 2 laatste uitgaven wordt een kleurenillustratie dubbel afgedrukt. Het gaat bij deze laatste 2 edities dus om 7 verschillende illustraties.  Bij al deze edities wordt het sprookje “De vreemde prinses” aan het begin opgevoerd en aan het eind komen weer een aantal figuren uit Wonderland in de droom van Alice’s zus terug, die wat over Alice vertellen. Echter nu komt ook een zekere meneer Walls ter sprake, uitgever van beroep die aan Alice vraagt haar avonturen in Wonderland op te schrijven, zodat hij dat boek dan kan uitgeven.

7a

7b

7c

7d

7e

Dezelfde bewerking van Ankie van den Aardweg als de vorige in de serie Junior STAR Pocket serie wordt een paar jaar later ook uitgegeven door dezelfde uitgever Mulder & Zoon te Amsterdam. We kunnen deze uitgave dus dateren rond 1965. Er zijn 3 versies van bekend, twee hardcover (waarvan 1 met stofomslag, illustratie 8a boek met stofomslag, illustratie 8b boek zonder deze stofomslag en illustratie 8c de tweede hardcover) en 1 softcover (illustratie 8d). De laatste dateert volgens de Koninklijke Bibliotheek uit 1973, maar waarschijnlijk is deze uitgave een paar jaar ouder.  Deze 3 edities hebben dus dezelfde tekstuele inhoud als de Junior STAR Pocket serie, beide hardcovers met weer de 8 kleurenillustraties en de softcover met slechts 1 zwart-witte illustratie. Het sprookje “De vreemde prinses” staat er weer in, als mede de droom over Wonderland van Alice’s zus en als toegift het bezoek van een zekere meneer Walls aan Alice op latere leeftijd, die haar verzoekt haar avonturen op te schrijven.

8a

8b

8c

8d

Dan doemt de Wonder-serie op. Deze Wonder-serie wordt ook gedateerd op omstreeks 1965. De eerste(?) serie bestaat uit 2 hardcovers met verschillende achterkant en met het sprookje en de heer Walls. Zie illustraties 9a, 9b en 9c. Geen uitgever wordt vermeld en de bewerker is Ankie Aalbers. De titel van het sprookje wordt in deze edities niet genoemd! Alle uitgaven zijn ongeïllustreerd.

9a

9b

9c

De tweede(?) serie bestaat uit een hardcover en een softcover. De voorkant van het boek is hetzelfde. Hardcover illustratie 10a en 10b. Softcover illustratie 10c. Tekstueel zijn alle boeken uit de Wonder-serie hetzelfde en ongeïllustreerd.

10a

10b

10c

Een volgende uitgave met het sprookje en meneer Walls wordt ook gedateerd omstreeks 1965. Alle 16 zwart/wit illustraties binnenin en op de voorkant zijn waarschijnlijk van Brienen. Het is wederom een zeer kwetsbare hardcover, waarbij de naam van de bewerker ontbreekt. In de samenvatting van het boek staat de naam Lewis Carell, op het titelblad Lewis Caroll. Er zijn 2 edities van bekend, een met “Lewis Caroll” op de voorkant (op de achterkant nummer 14312985) en een met “naar Lewis Caroll” op de voorkant (op de achterkant 14.31.2971). Zie illustraties 11a, 11b en 11c.

11a

11b

11c

Ook omstreeks 1965 komt een bewerking van de bewerking van Ankie van den Aardweg op de markt. Een  kleine pocket van maar 96 bladzijden, uitgegeven door Halenbeek te ’s Hertogenbosch, zetwerk afkomstig uit Paramaribo, geproduceerd in Israël en op het titelblad opnieuw bewerkt door Patricia Sommelsdijk.  Met het sprookje en de heer Walls. Zie illustratie 12a en 12b. Voorplat en achterplat zijn hetzelfde, behalve dat de titel Alice in Wonderland op het voorplat wordt vermeld. Ook komt de naam Lewis Carroll voor op het titelblad.

12a

12b

12c

12d

In ca. 1966 komt alweer een “nieuwe” uitgave in de boekwinkel te liggen. Tekstueel is dit boek hetzelfde als het boek behorend bij illustratie 6. Dit boek, uitgegeven door uitgeverij Jongland te Heemstede is dus bewerkt door Henriëtte van Hoorn. Zie illustratie 12c. Het boek bevat 3 zwart/wit illustraties zonder de naam van de illustrator. Op de voorkant staat abusievelijk Lewis Caroll. Het sprookje wordt alleen benoemd en niet verteld, maar aan het einde wordt weer een hoofdstuk 14 toegevoegd waarin Betty, de zus van Alice, een zekere meneer Moore, uitgever van beroep, benadert om de droom van Alice als boek uit te geven. Ook vinden er wat financiële onderhandelingen plaats. Betty schrijft het boek en voor de eerste druk wordt 3000 gulden betaald.

Uiteindelijk verschijnt in 1980 (volgens de Koninklijke Bibliotheek catalogus) – gelukkig  ̶  de laatste vertaling/bewerking in deze vorm in de Fazant-reeks, uitgegeven door Casterman te Dronten. De bewerker is nu K. van Gelderen, de titel van het sprookje ontbreekt en ook de heer Walls draaft weer op. Nu zijn 4 z/w illustraties van John Tenniel toegevoegd. Zie illustratie 12d.

De bewerkingen van Henricus Petrus van den Aardweg zijn in de loop der jaren ook uitgegeven in diverse meisjes-omnibussen (jaartallen zijn bij benadering):

1952

1963

1963

1975

1979

Het zou zomaar kunnen dat er nog Alice-boeken, bewerkt door Van den Aardweg, ontbreken in bovenstaande opsomming. Maar het is duidelijk dat deze heer, Henricus Petrus van den Aardweg, de aanstichter van de in het Fins vertaalde en later verboden boekuitgave is van deze erbarmelijke reeks Nederlandse  Alice’s in Wonderland.

BIJLAGE 1

De eerste Chinese vertaling van Alice in Wonderland dateert uit 1922. In maart 1931 verscheen een artikel in een krant uit Shanghai met de titel: “Een verzoek om onderwijshervormingen van schoolboeken”. Hierin beschuldigde gouverneur-generaal Ho Chien van de Chinese provincie Hunan, toentertijd onder de regering van Chiang Kai-shek, dat alle uitgaven van schoolboeken met pratende dieren niet zouden voldoen aan Chinese standaarden.  Zo staat in dat artikel:

Afbeeldingen van antropomorfe dieren die op hetzelfde niveau van complexiteit kunnen handelen als mensen zijn absurd. Hij (Ho Chien) geloofde dat het afbeelden van dieren en mensen op hetzelfde niveau “rampzalig” was voor  kinderen en buitengewoon beledigend was voor mensen in het algemeen. Schoolboeken die inadequaat moeilijk of waarvan de theorieën simplistisch maar onpraktisch zijn, moeten verbrand worden.

Merk hierbij drie dingen op: allereerst betreft het een verzoek, op de tweede plaats wordt het boek Alice in Wonderland in dit artikel niet genoemd en op de derde plaats kun je Alice in Wonderland nauwelijks een schoolboek noemen.
In 1931 was alleen de vijfde druk van de vertaling van Y.R. Chao in China verkrijgbaar.
Nauwelijks 2 maanden later, in mei 1931, schreef een anonieme schrijver een column in de New York Times dat Alice in Wonderland in de Chinese provincie Hunan verboden was en zo kwam dit valse gerucht in de wereld terecht. Zie voor een uitgebreid artikel hierover: Knight Letter 94:10. De Knight Letter is het tijdschrift van het Amerikaanse Lewis Carroll Genootschap.

Maar de Chinese Carrolliaan Howard Chang heeft hierover een afwijkende mening en stelt dat het Chinese verbod inderdaad bestond. Maar een duidelijk bewijs hierover ontbreekt. Zie Knight Letter 98:18.

BIJLAGE  2

Gebruikte pseudoniemen van Henricus Petrus van den Aardweg, namen voorzien van een * worden in een Alice in Wonderland gebruikt:

Annie Aalbers *
Annie van Aalst
Ankie van den Aardweg *
Toon van Alphen
J. van Arkel Zegwaard
Paulien ten Berghe
Lea van den Brink
K. van Gelderen *
Dr. K. van Heukelom
Henri van Hoorn *
Henriëtte van Hoorn *
Johanna van Hoorn
Tine Keuning
Gerda Magnin
Johanna van Munching *
Annie van Munching *
Allan Penning
Henri van Putten 

BIJLAGE   3

Dagblad voor West-Friesland   02-12-1941  

Het Vaderland     19-04-1942

BIJLAGE   4

Een vreemde prinses

Er was eens een ouderwetse koning met een heel lange baard en een gouden kroon in een ver land, die zeer geliefd was bij zijn volk. Hij zou heel gelukkig moeten zijn, maar was dat echter niet. Hij had een dochter en had grote zorgen om haar, want ze had één gebrek: ze lachte altijd, ongeacht de persoon, iedereen uit. Dus behalve haar vader en moeder hield niemand van haar. De koning had verder geen opvolger en het beste zou zijn als zijn dochter een leuke man vond, zodat hij kon terugtreden en het land zou kunnen achterlaten met een nieuwe koning. Helaas lachte zijn dochter ook elke toekomstige opvolger uit. Er was op iedereen wel wat aan te merken, waardoor de prinses weer alle gelegenheid had in lachen uit te barsten. En zo verliepen de jaren. Op zekere dag kwam een dwerg zijn opwachting maken om te vragen of hij de koning misschien kon helpen om het genezingsproces van haar uitlach-ziekte een nieuwe kans te geven. Onder de voorwaarde dat de koning hem tijdens het genezingsproces niet zou verwijderen van het hof én van zijn dochter, verzekerde de dwerg dat hij de prinses zou kunnen genezen.

Uiteraard begon de prinses luidkeels te lachen om deze onooglijke dwerg, toen ze deze in de gaten kreeg, maar tot haar ontzetting begon de dwerg juist om haar te schateren en hield daar niet mee op, wat zij ook zei. ’s Nachts droomde zij van wel duizend dwergen die om haar heen dansten en badend in het zweet werd zij dan wakker. De volgende dag ging het op dezelfde manier door tot de prinses in tranen uitbarstte en uitriep dat het heel naar is om uitgelachen te worden. Na een moralistisch praatje van de dwerg was ze plotsklaps genezen van haar kwaal. Samen gingen ze naar de koning om de beloning voor de dwerg op te halen. Maar staand voor de koning veranderde de dwerg ineens in een knappe, jonge prins, die meteen bij de koning om de hand van de prinses vroeg. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Referenties

[1] Een bekend voorbeeld hiervan uit de popmuziek is het beroemde nummer White Rabbit van Jefferson Airplane uit 1967 of het boek Alice in Acidland van Thomas Fensch uit 1970.
[2] Zie bijlage 1 voor enige duiding voor dit Chinese gerucht, met dank aan het Amerikaanse Lewis Carroll Genootschap.
[3] The Knight Letter (KL) is het tijdschrift van het Amerikaanse Lewis Carroll Genootschap.
[4] Dit artikel verscheen voor het eerst in de Knight Letter, The Magazine of the Lewis Carroll Society of North America, Vol. III, Issue 4, No. 104 (Spring 2020).
[5] Deze illustraties worden toegeschreven aan B.J. Brienen (1903-1972).
[6] Er is een onofficiële Engelse vertaling van de Finse wet, gepubliceerd door het Finse ministerie van Justitie. Daarin heet de sectie “Bescherming van klassiekers” en de overtreder “schendt culturele belangen”. In de meeste gevallen met betrekking tot de Finse wetgeving zijn de Zweedse teksten vertalingen van de Finse, maar in dit specifieke geval is de onhandige Finse bewoording (menetellään julkisesti sivistyksellisiä etuja loukkaavalla tavalla) uit het Zweeds vertaald.
[7] Een ander actueel en veel besproken geval van een verboden boek in die tijd was het boek Kreeftskeerkring van Henry Miller. Het was verboden – maar alleen in de Finse vertaling, niet in de Zweedse vertaling – op basis van obsceniteit en op grond daarvan werd dit boek in beslag genomen. (Het verbod werd ook afgekeurd door Tiusanen). Finland is een tweetalig land – zowel Fins als Zweeds zijn officiële nationale talen – dus  dit verbod en de inbeslagname zorgde voor een tweespalt tussen Fins-sprekende Finnen en Zweedstalige Finnen vanwege deze onfatsoenlijke en ongelijke bejegening.
[8] Mark Burstein is een gerenommeerde Amerikaanse Carroll-verzamelaar.
[9] Zie: https://www.dbnl.org/tekst/bork001schr01_01/bork001schr01_01_0003.php
[10] Zie bijlage 4 voor een korte samenvatting van het sprookje.
[11] Zie ook de bibliografie bij dit boek in: https://lewiscarrollgenootschap.nl/wp-content/uploads/2020/02/A1.pdf
[12] B.J. Brienen Jr. (1903-1972), in zijn tijd illustrator van veel kinderboeken

Lees verder

Wat de schildpad zei tegen Achilles: Lewis Carrolls gevolgtrekkingsparadox.

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Inleiding

Dit is het zesde artikel in een reeks over de logica van Lewis Carroll[1]. Na de eerste twee inleidende artikelen, beschreven de derde en de vierde een tweetal methoden die Carroll had ontwikkeld om de conclusies van syllogismen en sorites te bepalen; beide methoden zijn onderdeel van zijn symbolische logica en hebben een sterk visueel karakter. Het onderwerp van het vijfde en zesde artikel is een tweetal paradoxen[2] die Carroll in respectievelijk 1894 en 1895 publiceerde in het tijdschrift Mind:

– A Logical Paradox (1894),
What the Tortoise Said to Achilles (1895).

Velen beschouwen deze paradoxen als Carrolls meest waardevolle bijdragen aan de logica en ze zijn veelvuldig besproken en bediscussieerd door logici en filosofen. Carroll gebruikte zijn pseudoniem bij deze publicaties en vanwege hun stijl zijn ze ook als literair werk te zien. Maar beide waren wel degelijk bedoeld als een serieuze bijdrage aan de logica.
Het thema van de paradoxen betreft hypotheticals, hypothetische of voorwaardelijke uitspraken in de vorm ‘als …. dan ….’. Uit zijn dagboekaantekening wordt duidelijk dat Carroll in de jaren ’90 werkte aan een theorie over voorwaardelijke uitspraken, die vermoedelijk bedoeld was voor een van de latere, niet door hem voltooide delen van Symbolic Logic. In zijn teruggevonden manuscripten is daar echter niets van aangetroffen.

Mijn vorige artikel ging over A Logical Paradox, beter bekend als de Barbershop Paradox.
Het onderwerp van dit artikel is wat wel Carrolls Paradox of Inference (‘gevolgtrekkingsparadox’) wordt genoemd[3]. Deze is algemeen bekend onder de titel What the Tortoise Said to Achilles, die veelal, ook in het vervolg van dit artikel, wordt afgekort tot WTSA. In tegenstelling tot de Barbershop Paradox is er weinig bekend over de totstandkoming van WTSA. Alhoewel het de Barbershop Paradox was die Carroll bekendheid gaf bij zijn tijdgenoten, wordt hij tegenwoordig vooral door WTSA herinnerd als logicus.

De publicatie van WTSA riep geen onmiddellijke reacties op, hetgeen verrassend is in het licht van de publiciteit rond zijn eerdere paradox. Pas in het begin van de 20e eeuw kwamen de reacties van logici en in feite gaat het debat nog steeds door: WTSA wordt beschouwd als een klassieke tekst in de filosofie van de logica[4]. Maar ondanks het grote aantal artikelen en boeken waarin aandacht wordt besteed aan deze paradox, is er geen algemeen geaccepteerde oplossing[5]. Ook Carroll zelf gaf geen oplossing.


Achilles en de schildpad

De titel van Carrolls paradox is een verwijzing naar een van de paradoxen van Zeno en omdat de relatie tussen beide paradoxen relevant is, ga ik nu eerst in op Zeno’s paradox.
Zeno was een leerling van Parmenides; beiden leefden in de 5e eeuw v. Chr. en behoorden tot de Griekse filosofische school van Elea.
Volgens Parmenides bereiken we het ware weten door zuiver redelijke kennis. Die kennis leert dat er alleen Zijn bestaat en dat er geen niet-zijnde kan bestaan. Alleen het Zijnde is, het niet-zijnde is niet en kan ook niet worden gedacht. Onder Zijnde wordt datgene verstaan dat de ruimte vult; de mogelijkheid van een lege ruimte wordt dus ontkend.
Volgens Parmenides kan er geen beweging en geen ‘worden’ bestaan, maar alleen een Zijn dat onveranderlijk blijft. Beweging veronderstelt immers altijd een niet-zijnde, want als een lichaam zich naar een bepaalde plaats wil bewegen, dan moet daar tevoren lege ruimte en dus niets geweest zijn. Hetzelfde geldt voor ontwikkeling, want wat nog moet worden, ‘is’ tevoren niet. De zintuigen die ons een wereld van voortdurend worden en vergaan voorspiegelen, bedriegen ons; ze zijn de bron van alle dwaling.
De algemene opvatting in de geschiedenis van de filosofie is, dat Zeno Parmenides’ opvattingen verdedigde en vooral de stelling dat er geen beweging bestaat. Hij deed dat in de vorm van wat wij nu paradoxen noemen. Met zijn paradoxen leidt hij in feite uit het bestaan van beweging een absurditeit af.
Barnes daarentegen beweert dat Zeno geen systematisch denker was, noch een verdediger van Parmenides[6]. Parmenides werd in zijn tijd wel eens bespot om zijn theorie; dat is een lot dat wel meer metafysische denkers ten deel valt. Zeno maakte de spotters weer belachelijk, maar was daarbij niet serieus bezig om Parmenides’ opvattingen te verdedigen. Wel wilde hij, aldus Barnes, provoceren door de ongerijmdheid van de tegenovergestelde positie aan te tonen.

Hoe dan ook: Zeno’s paradox van Achilles en de schildpad heeft als strekking dat het bestaan van beweging tot een absurditeit leidt. Hij gaat als volgt[7].
Er vindt een hardloopwedstrijd plaats tussen Achilles, die bekend staat om zijn snelheid, en een spreekwoordelijk trage schildpad. Om begrijpelijke redenen vraagt de schildpad om een voorsprong bij de start en die wordt hem gegund. Beiden gaan van start. Als Achilles even later het startpunt van de schildpad bereikt heeft, is deze natuurlijk al vertrokken en een stukje verder. Wanneer Achilles dat punt bereikt, is de schildpad alweer een eindje verder. Enzovoort. De conclusie is dat Achilles de schildpad nooit zal inhalen.

Uiteraard kende Lewis Carroll Zeno’s paradox en hij gaf er zelf ook een beschrijving van[8]. Hij zocht een wiskundige oplossing die zou aantonen dat Achilles de schildpad wel degelijk zou inhalen. Zijn conclusie was dat er sprake is van een wiskundige drogreden gebaseerd op de onjuiste aanname dat een oneindig aantal optellingen moet leiden tot een oneindige som[9].


What the Tortoise Said to Achilles.

In lijn met Carrolls analyse van Zeno’s paradox begint WTSA als volgt: “Achilles had de schildpad ingehaald en had zich comfortabel genesteld op zijn rug”.
Carrolls paradox gaat als volgt verder.

De schildpad legt Achilles een redenering voor uit de Euclidische meetkunde:

…..(A) Dingen die gelijk zijn aan hetzelfde, zijn aan elkaar gelijk.
…..(B) De twee zijden van deze driehoek zijn dingen die gelijk zijn aan hetzelfde.
…..(Z) De twee zijden van deze driehoek zijn aan elkaar gelijk.

De schildpad vraagt Achilles of hij het er mee eens is dat Z logisch volgt uit A en B, dus dat iedereen die A en B als waar accepteert, Z als waar moet accepteren.
Achilles stemt hier volmondig mee in.
Maar, suggereert de schildpad, er zouden mensen zouden kunnen zijn die weigeren de conclusie Z te aanvaarden. Dat kan om twee redenen:

– men kan ontkennen dat de premissen waar zijn, of
– men kan de waarheid van de premissen aanvaarden, maar de geldigheid ontkennen van de gevolgtrekking die tot de conclusie leidt.

De schildpad vraagt Achilles zich nu voor te stellen dat bij de schildpad het tweede het geval is en daagt Achilles uit hem te dwingen om Z op logische gronden te accepteren. We moeten ons de schildpad dus voorstellen als iemand die A en B als waar aanvaardt, maar de volgende voorwaardelijke uitspraak ontkent:

…..(C) Als A en B waar zijn, moet Z waar zijn.

Achilles laat zich door de schildpad verleiden tot de volgende oplossing: hij kan C gewoon als premisse opnemen in de redenering. Men krijgt dan:

…..(A) Dingen die gelijk zijn aan hetzelfde, zijn aan elkaar gelijk.
…..(B) De twee zijden van deze driehoek zijn dingen die gelijk zijn aan hetzelfde.
…..(C) Als A en B waar zijn, moet Z waar zijn.
…..(Z) De twee zijden van deze driehoek zijn aan elkaar gelijk.

De schildpad reactie is echter dat Achilles hiermee weer een nieuwe stelling heeft geïntroduceerd, namelijk:

…..(D) Als A en B en C waar zijn, dan is Z waar.

Zelfs als de schildpad ertoe gebracht kan worden C als waar te accepteren en als een premisse mee te nemen in een nieuwe redenering met A, B én C als premissen en Z als conclusie, dan kan de twijfelende schildpad nog steeds weigeren om Z te accepteren.
Want hij zou dan kunnen weigeren de nieuwe stelling D te accepteren.
Natuurlijk kan Achilles nu D ook opnemen in de premissen, in de hoop de schildpad te dwingen Z te accepteren. Maar dan zou hij wederom een nieuwe stelling introduceren, namelijk:

…..(E) Als A en B, C en D waar zijn, dan moet  Z waar zijn.

Enzovoorts, enzovoorts: de schildpad kan tot in het oneindige de noodzaak claimen van nieuwe voorwaardelijke uitspraken.
Carroll voegt zelf geen moraal aan zijn verhaal toe maar het is duidelijk dat Achilles’ handelswijze niet kan deugen omdat hij leidt tot een oneindige regressie.

Ter verduidelijking een ander voorbeeld, ontleend aan de correspondentie tussen Carroll en de uitgever van Mind, G.F.  Stout, over de kern van Carrolls artikel[10].
Als ik de volgende uitspraak onderschrijf:

…..(1) Alle mensen zijn sterfelijk, en Socrates is een mens
maar niet de geldigheid van de gevolgtrekking:
…..(2) Als alle mensen sterfelijk zijn en als Socrates een mens is, dan is Socrates sterfelijk,
dan onderschrijf ik niet
…..(3) Socrates is sterfelijk.

Daarom geldt: om (3) te onderschrijven, moet ik (1) én (2) onderschrijven.
Dit kunnen we als volgt weergeven:

…..(4) Als (1) en (2) waar zijn, dan is (3) waar.

Maar stel nu dat ik de geldigheid van (4) ontken? Stel dat ik zeg: “Ik onderschrijf (1) en (2), maar niet dat dit mij verplicht ook (3) te accepteren”?
Mijn acceptatie van (3) moet dan wachten tot ik overtuigd ben van de geldigheid van deze gevolgtrekking, d.w.z. om (3) te accepteren, moet ik (1), (2) en (4) accepteren.
Maar hiermee is weer een nieuwe stelling geïntroduceerd, en zo ontstaat een oneindige regressie[11].

Ik kom nog even terug op de relatie tussen de paradoxen van Zeno en Carroll. In Zeno’s paradox komt Achilles steeds dichterbij totdat hij (in ieder geval volgens Carroll) de schildpad inhaalt. Je zou kunnen zeggen dat de schildpad het onderspit delft. In Carrolls paradox daarentegen heeft Achilles een passieve rol, hij volgt de uitdagingen van de  schildpad. De schildpad duwt Achilles met elke stap verder weg van de conclusie. Je zou het kunnen zien als een revanche van de schildpad. De titel geeft in feite al aan dat de schildpad leidend is[12].
Ivor Grattan-Guinness constateert dat we in Zeno’s paradox een oneindig aantal stappen hebben die (zo wordt beweerd) in een eindige hoeveelheid tijd kunnen worden afgelegd.
In WTSA is sprake van het omgekeerde van Zeno’s paradox: drie stappen die (zo lijkt het) een oneindige hoeveelheid tijd vragen[13].

Alhoewel Carroll in zijn artikel in Mind geen oplossing van de paradox geeft, beschrijft hij in zijn correspondentie met G. F. Stout, de uitgever van Mind, wel welke bedoeling hij met de paradox had. Het ging hem expliciet om de implicatie-relatie tussen de antecedens (de passage ‘als ….’) en de consequens (de passage ‘dan ….’) van een voorwaardelijke uitspraak: hij ziet deze als een inhoudelijke relatie en niet als een relatie op basis van waarheidswaarde[14]. Gegeven de uitspraak ‘Als A dan B’, beweert Carroll dat de geldigheid van de gevolgtrekking niet afhangt van de waarheidswaarde van A of B maar van de betekenis van A en B zelf. Deze invalshoek voor WTSA is in lijn met het werk van sommige van zijn tijdgenoten (W.E. Johnson, E.C.C. Jones and Hugh MacColl)[15].

Het is overigens nog de vraag of Carroll de eerste was die de paradox waar WTSA om draait, aan de orde stelde[16].
Bij de ontstaansgeschiedenis van de Barbershop Paradox kwamen we John Cook Wilson  al tegen. Hij was hoogleraar logica in Oxford in de periode1889-1915 en had een stevige discussie met Carroll over de Barbershop Paradox. In Cook Wilsons aantekeningen, die postuum zijn gepubliceerd in 1926, vinden we een passage die veel overeenkomst vertoont met de paradox van WTSA, in de zin dat deze een vergelijkbare oneindige regressie van argumenten bevat. Het is onmogelijk gebleken om de datum vast te stellen van de betreffende tekst van Cook Wilson. Het is dus ook onduidelijk of een van de twee (Carroll of Cook Wilson) de paradox van de ander heeft overgenomen. Uit de correspondentie tussen Carroll en Cook Wilson wordt wel duidelijk dat Carroll uiterlijk in 1896 was geattendeerd op Cook Wilsons tekst, zij het niet in relatie tot WTSA; het is niet uit te sluiten dat hij deze al vóór 1896 kende.

Ook Bernhard Bolzano beschreef in 1837 een vergelijkbaar argument met oneindige regressie. Er is echter geen reden aan te nemen dat Carroll of Cook Wilson op de hoogte was van Bolzano’s werk. Volgens Mathieu Marion zouden we daarom eigenlijk moeten spreken over de ‘Bolzano-Carroll-Wilson paradox’.
Zowel Cook Wilson als Bolzano geven een verklaring voor de paradox: een gevolgtrekking die gebaseerd is op een gegeven regel, kan deze regel niet als een van de premissen bevatten. Marion noemt dit het “Bolzano-Wilson Point[17].


Reacties

Het genoemde Bolzano-Wilson Point wordt in het algemeen door logici geaccepteerd als “the point of the story[18]. Veel filosofen en logici hebben een nadere analyse of reactie gegeven, zij het niet tijdens Carrolls leven[19].
De belangrijkste reacties geef ik hieronder weer.

Bertrand Russell geeft een analyse die is gebaseerd op een onderscheid tussen een implicatie (implication) en een gevolgtrekking (inference). Om dit uit te leggen gebruikt Russell de term ‘bewering’ (assertion).
A impliceert B’ is de bewering van een implicatie, maar niet een bewering van A of van B.
P daarom Q’ is een gevolgtrekking en het woord ‘daarom’ geeft een relatie weer tussen twee beweerde uitspraken. Bij het gebruik van de term ‘daarom’ kan de premisse ook achterwege blijven en de conclusie zelf als bewering worden gedaan.
Volgens Russell is dit de eerste stap van de oplossing van Carrolls puzzel.

In  moderne logische notatie krijg je dan de volgende regel, waarbij ‘’ staat voor een implicatie, ‘|—’ voor een gevolgtrekking en de komma tussen A en A B voor ‘en’:

…..A, A  B |— B

Ofwel: als we beweren dat A het geval is én dat A B impliceert, dan beweren we dat daarom B het geval is.

We kunnen dit nu toepassen op de dialoog tussen de schildpad en Achilles: de manoeuvre van Achilles om een extra premisse toe te voegen komt er dan op neer dat de bovenstaande gevolgtrekking als implicatie wordt toegevoegd bij de premissen:

…..A, B, ( A & ( B) B) |— B.

De weigering van de schildpad om nu B te accepteren komt er op neer dat hij de gevolgtrekking (|— B ) aanziet voor een implicatie, een verwarring van ‘|—’  en ‘’, m.a.w. ‘|— ‘ wordt aangezien voor ‘[20].

Het door Russell gehanteerde onderscheid tussen een implicatie en een gevolgtrekking hangt samen met het onderscheid tussen taal en metataal: een metataal wordt gebruikt voor het beschrijven van een (object)taal. Dit onderscheid werd in de logica ten tijde van Carroll niet gemaakt.

Gilbert Ryle sluit hierbij aan met de volgende analyse. Een gevolgtrekking is een actie en zoals elke actie kan deze in overeenstemming zijn met een regel of een regel schenden. Als kennis hierbij een rol speelt, betreft dat ‘weten hoe’ en niet ‘weten dat’; het gaat niet om kennis van de inhoud van uitspraken.
Het maken van gevolgtrekkingen kan in overeenstemming zijn met regels zonder dat die regels expliciet worden gemaakt of als logische waarheid worden erkend; men hoeft de regel die men volgt bij de gevolgtrekking, niet expliciet in gedachte te hebben. De regel kan worden gezien als een ‘gevolgtrekkingslicentie’ (inference license) en het is dankzij dit soort licenties dat wetenschappelijke gevolgtrekkingen überhaupt kunnen plaatsvinden[21].

Overigens vindt niet iedereen dat de schildpad per se ongelijk had met zijn weigering de conclusie Z te aanvaarden.

Met de suggestie de logische regel op te nemen als premisse, kregen we in feite een redenering die we als volgt uiteen kunnen rafelen:

  • Het is algemeen aanvaard dat A.
  • Het is algemeen aanvaard dat B.
  • Het is algemeen aanvaard dat als A en B, dan noodzakelijkerwijs Z.
  • Het is algemeen aanvaard dat een aanvaarde conclusie van een aanvaarde voorwaardelijke uitspraak met aanvaarde premissen, moet worden aanvaard.
  • Daarom het is algemeen aanvaard dat Z moet worden aanvaard.

Stel nu dat je, wanneer je deze conclusie onder ogen krijgt, je plotseling realiseert dat hij onverenigbaar is met een van je andere overtuigingen, Y. Je hebt dan meerdere opties. Je kunt natuurlijk Z aanvaarden en Y verwerpen. Maar je kunt ook vasthouden aan Y,  daarbij Z verwerpen en niet langer vinden dat we te maken hebben met een degelijke redenering. Je kunt ook vasthouden aan de redenering en vasthouden aan Y maar één of meer premissen opgeven. Dit is de visie van Gilbert Harman: zelfs keiharde argumenten kunnen niet op logische gronden de aanvaarding van een conclusie afdwingen[22].

Bij deze en ook bij veel andere analyses heeft de genoemde invalshoek van Carroll zelf maar weinig aandacht gekregen. Dat kan te maken hebben met het feit dat Carrolls tekst weinig aanknopingspunten biedt voor zijn eigen invalshoek, maar wellicht vond men wat er bekend is over die invalshoek, maar weinig ambitieus.
Dit is de achtergrond van Bartleys reactie op de bovengenoemde analyses. Bartley gelooft niet dat er één heldere interpretatie van Carrolls artikel is. Hij wijst er op dat  Carroll aandacht wilde geven aan problemen die hij tegenkwam maar die hij niet bevredigend kon verklaren. Dat hij daar niet in slaagde, lag voor een groot deel aan de beperkingen van de logische theorie die hem ter beschikking stond, waarbij het door Alfred Tarski in 1933 geïntroduceerde onderscheid tussen taal en metataal ontbrak. In lijn hiermee ontkent Bartley ook dat Carrolls artikel relevant zou zijn voor problemen bij wetenschappelijke verklaringen[23].
De algemene les die volgens Bartley uit WTSA getrokken zou kunnen worden sluit aan bij het Bolzano-Wilson Point: een gevolgtrekking die gebaseerd is op een gegeven regel, kan deze regel niet als een van de premissen bevatten.
Zoals hierboven al opgemerkt: de overeenstemming onder filosofen en logici over de moraal van WTSA beperkt zich tot dit punt.


Impact

Bij de analyses van WTSA komen twee aspecten van de paradox aan de orde die soms ook door elkaar lopen:

– wat bedoelde Carroll zelf met WTSA?
– welke les kunnen we – los van Carrolls bedoeling – trekken uit de paradox?

In de literatuur over WTSA vinden we relatief weinig over de problemen die voor Carroll zelf aanleiding waren om zijn artikel te schrijven, noch over zijn aanzetten tot een theorie over voorwaardelijke uitspraken. Ook wordt maar beperkt rekening gehouden met het feit dat Carroll een “Victoriaanse logicus” was en dus de vraag welke conclusies getrokken kunnen worden uit een gegeven set premissen zeker zo belangrijk vond als de vraag naar de geldigheid van de gevolgtrekking[24].

Toch is het vooral door WTSA dat Carroll als logicus wordt herinnerd. De reden daarvoor is niet zozeer de belangstelling voor Carrolls bedoelingen met zijn paradox, maar de bredere logische vraagstelling en filosofische relevantie van het probleem dat Carroll ermee opwerpt. Veel filosofen worden erdoor getriggerd omdat ons begrip van gevolgtrekking, maar ook breder ons begrip van wat een (formeel dan wel informeel) argument is, ingrijpt op onze kennistheorie en, bijvoorbeeld ook, onze ethiek[25].

We kunnen daarmee constateren dat Carrolls essay veel subtieler en veelzijdiger is dan het op het eerste oog lijkt. De invalshoek van Carroll zelf was in vergelijking daarmee inderdaad relatief beperkt, maar dat hangt in belangrijke mate samen met de stand van de logica in zijn tijd.
Richard Braithwaite heeft Lewis Carroll ten onrechte gekarakteriseerd als een “onbewuste logicus”. Maar er zit wel degelijk een kern van waarheid in zijn opmerking dat “in both papers in Mind Lewis Carroll was ploughing deeper than he knew”[26].

Voetnoten

[1] Alle vijf eerdere artikelen zijn verschenen in Phlizz, het online magazine van het Lewis Carroll Genootschap: https://lewiscarrollgenootschap.nl/phlizz.

[2] Een korte introductie m.b.t. het begrip ‘paradox’ is te vinden in het vorige artikel, ‘De Barbershop Paradox van Lewis Carroll’.

[3] In 2016 heeft The Carrollian, The Lewis Carroll Journal een themanummer (No. 28) uitgebracht over ‘What the Tortoise Said to Achilles’. De inhoud van dit nummer vormt de basis van mijn artikel.

[4] WTSA is ook opgenomen in het populaire boek Gödel, Escher, Bach. An Eternal Golden Braid van Douglas Hofstadter (New York Vintage Books, 1979).

[5] Abeles & Moktefi 2016a.

[6] Zie Barnes 2000, pp.235-236.

[7] Zie bijvoorbeeld Rescher 2001.

[8] Zie Bartley 1977, p.426.

[9] Zie Bartley 1977, p.438-439.

[10] Zie Abeles & Moktefi (eds.) 2016b.

[11] Zoals Carroll zelf zegt: “I think you will find that it goes on like ‘the house that Jack built’”, een Engels kinderliedje met een cumulatief verhaal [Bartley 1977, p.472].

[12] Coumet 1966, p.281.

[13] Grattan-Guinness 2009, pp.167-168; Abeles 2012, p. 529.

[14] “It turns on the fact that, in a Hypothetical, the truth of the Protasis, the truth of the Apodosis, and the validity of the sequence are 3 distinct Propositions.” [Bartley 1977, p.472]

[15] Moktefi 2008.

[16] Zie hiervoor Marion 2016, pp.51-55.

[17] Marion 2016, p.54.

[18] Moktefi 2008, p.494.

[19] Moktefi [2008, p.494] geeft een (niet volledige) opsomming van reacties naast degenen die in deze paragraaf worden genoemd: W.J. Rees (1951), G. Brown (1954), J.F. Thompson (1960), W.W. Bartley III (1962), John Woods (1965), William A. Wisdom (1974), Barry Stroud (1979), Simon Blackburn (1995), Pascal Engel (1998).

[20] Russell 1903, Marion 2016.

[21] Ryle 1971, pp.212-225, 234-249.

[22] Harman 1970, p.43.

[23] Bartley 1977, pp. 466 e.v.

[24] Zie Englebretsen 2016.

[25] Engel 2016, p.105.

[26] Braithwaite 1932, p.176.


Literatuur

Abeles, Francine, 2012, ‘Toward a Visual Proof System: Lewis Carroll’s Method of Trees’, Logica Universalis, Vol. 6, pp.521-534.
Abeles, Francine & Amirouche Moktefi, 2016a, ‘What the Tortoise Said to Achilles: Introduction’, The Carrollian, The Lewis Carroll Journal, No. 28, pp.2-5.
Abeles, Francine & Amirouche Moktefi (eds.), 2016b, ‘Correspondence with G.F. Stout, the Editor of Mind’, The Carrollian, The Lewis Carroll Journal, No. 28, pp.9-13.
Jonathan Barnes , 2000, The Presocratic Philosophers, London and New York: Routledge.
Bartley, William Warren III (ed.), 1977, Lewis Carroll’s Symbolic Logic, New York: C.N. Potter.
Braithwaite, Richard B., 1932, ‘Lewis Carroll as Logician’, The Mathematical Gazette, Vol. 16, No. 219, pp.174-178.
Carroll, Lewis, 1894, ‘A Logical Paradox’, Mind, Vol. 3, No. 11, pp.436-438.
Carroll, Lewis, 1896, ‘What the Tortoise said to Achilles’, Mind, Vol. 4, No. 14, pp.278-280.
Coumet, E., 1966, ‘Lewis Carroll Logicien’, in Lewis Carroll, Logique sans Peine, Paris: Hermann, pp.255-288.
Engel, Pascal, 2016, ‘The Philosophical Significance of Carroll’s Regress’, The Carrollian, The Lewis Carroll Journal, No. 28, pp.84-111.
Englebretsen, George, 2016, ‘What Did Lewis Carroll Think the Tortoise Said to Achilles?’, The Carrollian, The Lewis Carroll Journal, No. 28, pp.76-83.
Gabbay, Dov M. & John Woods (eds.), 2008, Handbook of the History of Logic, Volume 4, British Logic in the Nineteenth Century, Amsterdam: North-Holland.
Grattan-Guinness, Ivor, 2009, Routes of Learning. Highways, Pathways, and Byways in the History of Mathematics, Baltimore: Johns Hopkins University Press.
Harman, Gilbert 1979, ‘Induction: a Discussion of the Relevance of the Theory of Knowledge to the Theory of Induction’, in Swain (ed.) 1970, pp.83-99.
Marion, Mathieu, 2016, ‘Lessons from Lewis Carroll’s Paradox of Inference’, The Carrollian, The Lewis Carroll Journal, No. 28, pp.48-75.
Moktefi, Amirouche, 2008, ‘Lewis Carroll’s Logic’, in Gabbay & Woods (eds.) 2008, pp.457-506.
Rescher, Nicolas, 2001, Paradoxes. Their Roots, Range, and Resolution, Chicago and LaSalle, Illinois: Open Court.
Russell, Bertrand, 1903, The Principles of Mathematics, London: Allen & Unwin.
Ryle, Gilbert, 1971, Collected Papers, London, Hutchinson.
Swain, M. (ed.), 1970, Induction, Acceptance, and Rational Belief, Dordrecht: Reidel.

Lees verder