Categorie: Down the Rabbit-Hole

Boekbespreking: Alice in Wonderland met illustraties van Valeria Docampo

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Op instagram is heel veel moois te vinden als je de zoekopdracht ‘Alice in Wonderland’ intypt. Op één van mijn zoektochten kwam ik ineens het account ‘stoerleesvoer’ tegen. Dit account wordt beheerd door Selena en Ellen die samen met een team van 14 leden leden dagelijks 3 nieuwe reviews plaatsen.
Recentelijk hebben de dames een aantal recensies geschreven die voor ons als Carrollianen zeker de moeite waard zijn. Gelukkig mochten wij de teksten van ze over nemen. Dank daarvoor!

Valeria Docampo
Valeria Docampo verwierf veel respect en naamsbekendheid door haar herwerking van een andere klassieker, namelijk De Kleine Prins. Ze woont in de Argentijnse stad Buenos Aires. Een tijdlang doceerde ze Grafische vormgeving aan de Universiteit van Buenos Aires. De reden dat ze is begonnen met tekenen, is haar behoefte om de poëzie van het alledaagse te kunnen vatten in beeld. Sinds 2006 legt ze zich volledig toe op het illustreren van kinderboeken. In haar werk zoekt ze steeds naar nieuwe technieken. En wereldwijd valt ze op en worden haar boeken veel vertaald en uitgegeven.

Siska Goeminne
Siska Goeminne is een Belgische kinderboekenschrijfster. Als kind droomde zij er al van om schrijfster te worden en enkele van haar verhalen verschenen in het jongerentijdschrift ‘Top’. Ze studeerde verder Germaanse talen en Kunst en cultuurbeleid in Leuven, waar ze haar liefde voor taal verder ontwikkelde. Ze werkte een tijdje aan de universiteit, vervolgens bij een afdeling van het CLB en was enkele jaren redacteur bij uitgeverij Clavis. In 2005 begon ze als voltijds auteur.
In 2010 schreef zij ‘De wonderlijke droom van Alice’ gebaseerd op ‘The Nursery Alice’, gevolgd door het humoristische luisterboek ‘Wit konijn in Wonderland’.

Prachtige herbewerking
Valeria Docampo heeft een prachtige dromerige uitgave gemaakt. Elke illustratie is een kunstwerkje. Het boek zelf is een pareltje voor je boekenkast. De knalroze, magenta band op de kaft knalt lekker eruit. Haar palet bevat veel hard roze en smaragdgroen, wat perfect past bij Alice in wonderland.
Het boek is geschikt voor kinderen vanaf 9 jaar om zelf te lezen maar vanaf 7 jaar ook heerlijk als voorleesboek voor je kinderen en kleinkinderen.

De volledige en andere recensies die je op ‘Stoerleesvoer’ kunt vinden zijn: Alice in Wetenschaps Wonderland (recensie geschreven door Elias, 12 jaar) en ‘The house of Minalima’

Met dank aan www.stoerleesvoer.nl

Auteur: Lewis Carroll
Illustraties: Valeria Docampo
Hertaling: Siska Goeminne
Uitgever: De Eenhoorn
ISBN/EAN: 9789462915275
Uitgifte: Juli 2020
Pagina’s: 128 pagina’s
Taal: Nederlands
Uitvoering: Hardcover

Lees verder

Nieuwe Nederlandse publicaties

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Een nieuwe Nederlandstalige editie van Alice in Wonderland.

Een mooie uitgave met illustraties van Valeria Docampo. Een vlot geschreven voorleesboek.
Nederlandse vertaling door Siska Goeminne van een Franse bewerking (van Emmanuèle Sandron) voor kinderen.
Uitgegeven in België (De Eenhoorn bv)
128 pagina’s, € 29,95.

In onze recensie-rubriek ‘Down the Rabbit-Hole’ kunt u meer informatie vinden.

Alice in de escort-branche.

Bij Uitgeverij Boekscout verscheen de Nederlandse thriller Alice Pleasance Liddell van Virindra Gobind (€ 23,50). Het boek is, zo vermeldt de achterflap, gebaseerd op “Lewis Caroll’s (sic) Alice in Wonderland”. Het is een thriller over Alice Liddell: ze “heeft in het verleden keuzes gemaakt waardoor ze in de escort branche werkzaam is”.
De hoofdpersoon is hier niet, zoals in de meeste ‘spin-offs’, de fictieve door Carroll gecreëerde Alice, maar de reële persoon Alice Liddell. Gelet op de ruime mate waarin de auteur zijn fantasie aan het werk heeft gezet, is dit niet bepaald leuke lectuur voor haar nabestaanden. Gelukkig lezen deze geen Nederlands en een Engelse vertaling lijkt niet echt voor de hand te liggen. De taalfouten op de eerste pagina’s nodigen niet uit het boek in zijn geheel te lezen.

Lees verder

Boekbespreking: Alice: Curiouser and Curiouser

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Edited by Kate Bailey and Simon Sladen, with contributions from Annemarie Bilclough and Harriet Reed and illustrations by Kristjana S. Williams
V&A Publishing, 2020
Hardback edition: ISBN 9781 83851 004 6,  £ 30
Paperback edition ISBN 9781 83851 004 7

Iedereen heeft zijn of haar eigen Alice

Alice: Curiouser and Curiouser is het begeleidende boek bij de tentoonstelling met dezelfde titel die, als alles meezit, zal plaatsvinden in het Victoria & Albert Museum in Londen van 27 maart tot 31 december 2021. Het doel van de tentoonstelling is het verkennen van de redenen voor de voortdurende populariteit van Alice.
Het boek is prachtig vormgegeven in een groot formaat (30 x 25 cm) en bevat vele illustraties. Het is een prima appetiser voor de tentoonstelling.

De eerste 60 pagina’s na de inleiding zijn gevuld met spectaculaire illustraties van Kristjana Williams (die ook verantwoordelijk is voor de cover-illustratie), met veelal verborgen verwijzingen naar de Alice-boeken.

De tekst is ingedeeld in vier hoofdstukken waarvan het eerste een korte biografie is van Lewis Carroll, geschreven door Annemarie Bilclough. Bijzondere aandacht gaat daarin uit naar de ontstaansgeschiedenis van de illustraties van de Alice-boeken en de verwijzingen naar Oxford, spelletjes en rijmpjes. Het laatste hoofdstuk is een biografie van Alice Liddell van de hand van Harriet Reed.
De twee hoofdstukken daartussen behandelen het thema van de tentoonstelling.
Performing Alice van Simon Sladen gaat over de vele verschillende toneel- en filmuitvoeringen van de Alice-verhalen. Het vormt een goede eerste kennismaking: het bevat vele korte vermeldingen en enkele beschrijvingen.
Lewis Carroll hoopte zelf al dat zijn verhalen op het toneel zouden worden uitgevoerd. Hij was gefascineerd door het theater en bezocht in zijn leven vele toneeluitvoeringen. Al jong trad hij zelf op als goochelaar en hij had een marionettentheater waarmee hij zelfgeschreven voorstellingen opvoerde, zoals La Guida di Bragia. Ook zijn dialogen in de Rectory Umbrella en zijn pamfletten en hadden soms de vorm van toneelvoorstellingen inclusief regieaanwijzingen. Een goed voorbeeld hiervan vinden we ook in Euclid and his modern rivals.
Sladen beschrijft onder meer de eerste toneeluitvoering in 1886 (waarvoor Carroll samenwerkte met Henry Savile Clark), de eerste filmversie uit 1903 (stom, zwart-wit), de eerste film met gesproken tekst uit 1931, de filmversie uit 1933 met bekende acteurs als Cary Grant en Gary Cooper en uiteraard de Disney-versie uit 1951, die vooral een succes werd als video. Natuurlijk kan ook Jan Svankmajers film uit 1988 niet onvermeld blijven. Later in de 20e eeuw zien we een variëteit aan bewerkingen waarin Wonderland werd voorgesteld als een metafoor voor alternatieve werelden.
Sladen gaat ook in op de spin offs die een relatie legden met politiek en vermeldt onder meer:

  • Alice in Ganderland uit 1911 van de Suffragette Movement, als onderdeel van een campagne voor gelijke betalingen voor mannen en vrouwen. Daarin ontving Alice als salaris afwisselend de ene dag een stuiver en de volgende dag jam.
  • Clarice in Blunderland (1902) over de Britse politiek.
  • Diverse werken met een relatie met de Tweede Wereldoorlog.
  • Het boek Run, Alice, Run (2018, Lynn Michel) over controle en individuele vrijheid in de hedendaagse samenleving.

In feite krijgen we via de spin offs een opstapje naar het hoofdstuk van Kate Bailey, Reimaging Alice, dat gaat over de veranderingen in de perceptie van Alice als inspiratiebron voor nieuwe interpretaties.

De paragraaf over kunst gaat in op de surrealisten die zich verwant voelden met de tekst en illustraties van de Alice-boeken: Dorothea Tanning, Leonora Carrington, Max Ernst, Salvador Dali. Andere innovatieve benaderingen die worden genoemd zijn de illustraties van Ralph Steadmann (eigentijds met o.a. verwijzingen naar klassentegenstellingen en bekende hedendaagse figuren) en Peter Blake (“The godfather of pop art”: een moderne Alice in een wereld vol rural nostalgia).
In de jaren 60 van de vorige eeuw inspireerden de Alice-boeken diverse psychedelische kunstenaars, ook op het gebied van multimedia zoals Yayoi Kusama (“Alice as the grandmother of hippies”) die een happening organiseerde in Central Park in New York.
Bekende voorbeelden uit de popmuziek passeren de revue zoals Jefferson Airplane met White Rabbit en de Beatles met I am the Walrus.
Tenslotte vormde Wonderland een waardevolle inspiratiebron voor virtual reality en video games.

Alice’ avonturen worden door wetenschappers  gebruikt als metafoor voor de ontdekkingsreis van de wetenschap. Zo is er Alice in Quantumland, waarin we de avonturen van Alice als hulpmiddel zien voor de introductie van kwantummechanica.
CERN in Geneve heeft een ALICE project (A Large Ion Collider Experiment) waarin 1500 wetenschappers uit 40 landen samenwerken.
Duidelijk is dat de perceptie van Alice sterk is veranderd in de loop van de tijd.
Zo is Alice tegenwoordig een perfecte inspiratiebron voor mode, een modetrend in its own right; Bailey verwijst hierbij naar het recente boek van Kiera Vaclavik[1]. Maar ontwerpers beperken zich niet tot de figuur van Alice alleen, zie bijvoorbeeld de Pirelli-kalender uit 2018. Vermeldenswaard is ook de wijze waarop de Alice-boeken worden geïnterpreteerd in de mode en de populaire cultuur in Japan.
En tenslotte is daar Alice als feministisch rolmodel. In deze context plaatst Bailey ook de film Alice in Wonderland van Tim Burton uit 2010. Alice heeft fantasie en is dapper en vol van zelfvertrouwen om de wereld om haar heen vorm te geven, als een Jeanne d’Arc-achtige superheld.
In 2017 benadrukte rapper Little Simz met Stillness in Wonderland de relevantie van Alice voor de hedendaagse jeugd. In de woorden van Bailey: “Being Alice is a state of mind and an invitation to imagine the impossible, question society, be yourself, stand up for your beliefs and follow a lifelong curiosity for learning and knowledge.” Ze sluit af met de karakterisering van klimaat-activiste Greta Thunberg als “another modern-day Alice” [2].

Het boek maakt me nog nieuwsgieriger naar de tentoonstelling dan ik al was. Ik laat me graag onderdompelen in de toch wel verbijsterende variatie aan Alice-interpretaties. De beelden zijn nadrukkelijk bepaald door de tijdgeest, maar daarbij geeft menigeen een eigen invulling. Niets is echter vanzelfsprekend: naar zoiets als “de echte Alice” zal de bezoeker tevergeefs zoeken.
De verwijzing naar Greta Thunberg deed me plotseling denken een artikel dat ik onlangs onder ogen kreeg en diagonaal las. Daarin wordt Alice wordt gekenschetst als onderdeel van het onderdrukkingssysteem en de mindset van het Britse imperialisme, waardoor ze ook nog eens terecht komt in “the oppressed domain of female inferiority and domesticity” [3]. Dat is andere koek.

De Alice-boeken zijn tijdloos: ze hebben de potentie om als metafoor te fungeren voor uiteenlopende maatschappijvormen of aspecten daarvan. En dus ziet, zoekt, vindt of creëert iedereen zijn of haar eigen Alice.

Voetnoten

[1] Kiera Vaclavik, 2019, Fashioning Alice: The Career of Lewis Carroll’s Icon, 1860-1901, Bloomsbury Academic.
[2] Pag.193.
[3] Dit citaat is afkomstig uit een artikel uit 2016 van Flair Donglai Shi, ‘Alice’s Adventures in Wonderland as an Anti-Feminist Text: Historical, Psychoanalytical, and Postcolonial Perspectives’, Women: A Cultural Review, Vol.27, no.2, pp.177-201.F

Lees verder

Boekbespreking: ‘The Making of Lewis Carroll’s Alice and the Invention of Wonderland’ van Peter Hunt

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

(Dit artikel verscheen eerder in het Engels op https://www.alice-in-wonderland.net/blog/2020/07/book-review-the-making-of-lewis-carrolls-alice-and-the-invention-of-wonderland/#comment-25800)

In juni verscheen een nieuw boek over de oorsprong van the ‘Alice’-boeken: “The making of Lewis Carroll’s Alice and the Invention of Wonderland”, geschreven door Peter Hunt.

In het boek bespreekt Hunt voornamelijk de drie ‘lagen’ die te vinden zijn in de Alice in Wonderland-boeken (inclusief Alice’s Adventures Under Ground):

  1. Persoonlijke grapjes die alleen Alice en haar zussen zouden begrijpen (voornamelijk in “Alice’s Adventures Under Ground” en “Alice’s Adventures in Wonderland”);
  2. Verwijzingen naar zaken in hun maatschappelijke omgeving;
  3. Dodgson’s persoonlijke gedachten en gevoelens (voornamelijk in “Through the Looking Glass”).

Hoofdstuk 1 behandelt hoe het verhaal ontstond: begonnen tijdens een boottochtje en verder ontwikkeld in de loop der tijd. Er wordt ook onderzocht in hoeverre de echte Alice overeenkomt met de Alice uit het verhaal en wat voor persoon Charles Dodgson was.

In hoofdstuk 2 worden de ‘Alice’-boeken binnen de historisch context van kinderboeken geplaatst: wat voor kinderboeken gingen er aan vooraf en hoe ontwikkelden deze zich van moralistische verhalen tot verhaaltjes die meer gericht waren op amusement voor kinderen, en welke kinderboeken, versjes en gedichten hebben Dodgson’s verhalen mogelijk beïnvloed?

Hoofdstuk 3 belicht de ‘eerste laag’, oftewel alle dingen in de verhalen die de echte Alice bekend zouden zijn, zoals gebeurtenissen en gedichten die ze zou hebben herkend.

Hoofstuk 4 belicht de ‘tweede laag’: maatschappelijke verwijzingen, onder andere naar politieke situaties en bekende Victorianen.

In hoofstuk 5 lezen we over de ‘derde laag’. Er worden verwijzingen besproken die vooral volwassenen in plaats van kinderen zouden herkennen, Dodgson’s persoonlijke gevoelens die in de tekst terug te vinden zijn, en hoe hij zichzelf laat terugkomen in personages in het verhaal.

Het boek eindigt met hoofdstuk 6, dat ons informeert over wat er na publicatie van de ‘Alice’-boeken terecht is gekomen van de personen die in het boek een vermelding krijgen, maar ook over het succes van de boeken, andere publicaties van Dodgson en vertalingen, ‘vervolgen’ en boeken gebaseerd op de ‘Alice’-boeken door andere auteurs.

Ik weet niet of het alleen bij mijn exemplaar is, maar ik trof enkele inktvlekken aan op sommige pagina’s, en sommige woorden zagen een beetje bruinig uit in plaats van zwart. Maar los van dat, ziet het boek er mooi uit en voelt het fijn aan: het heeft een prettige lay-out, dikke pagina’s en is volgestopt met illustraties, zowel zwart-wit als kleurenillustraties en –foto’s – hoewel deze niet altijd een directe relatie hebben tot wat er in de tekst wordt verteld. Het boek telt 128 pagina’s, dus vanwege alle plaatjes kun je het relatief snel uit hebben.

De schrijfstijl van Peter Hunt is prettig: hij heeft een vertellende stijl die je gemakkelijk door alle 6 de hoofdstukken leidt.

Hunt’s boek is erg geschikt voor mensen die nog niet bekend zijn met, of zich net bewust beginnen te worden van alle verschillende lagen die er in de ‘Alice’-boeken zitten, en die het interessant vinden te ontdekken waarom het niet alleen (of liever, eigenlijk helemaal niet) slechts kinderboeken met nonsens zijn.

Hunt doet overigens geen poging om uitputtend te zijn. Hij benoemt veel voorbeelden van meer of minder verborgen verwijzingen, maar probeert niet een complete lijst van alles wat er tot nu toe ontdekt is (of gespeculeerd wordt) te bieden.

Hoewel hij regelmatig opmerkt dat sommige verwijzingen die hij beschrijft, speculaties zijn, en ook soms zijn eigen twijfels over bepaalde verborgen verwijzingen uit, en ons vertelt dat deze specifieke speculatie wellicht wat ver gaat, lijkt hij over andere verwijzingen juist redelijk zeker te zijn, terwijl ik persoonlijk enkele daarvan ook in twijfel zou trekken. Vooral omdat hij niet altijd de relatie uitlegt. Hij schrijft bijvoorbeeld: “Het Witte Konijn zou wel eens een portret van Dr. Henry Wentworth, professor in de geneeskunde en de dokter van de familie Liddell kunnen zijn.” Daarna gaat hij onmiddellijk door met een andere referentie, zonder de lezer te vertellen waarom er een connectie zou zijn. Dat gebeurt diverse malen, wat jammer is.

In dat opzicht is het dan ook frustrerend dat Hunt bijna nooit zijn bronnen vermeldt, en dat het in het algeheel onduidelijk is of wat hij zegt zijn eigen bevindingen en conclusies zijn, of dat het eerder gepubliceerde bevindingen van anderen zijn (ik neem aan het laatste). Aan het eind van het boek is een lijst met referenties opgenomen, maar alle dingen die ik graag had willen nazoeken kwamen daar niet in voor. Dit doet helaas afbreuk aan de geloofwaardigheid van het boek.

Ik zou dus zeggen dat het boek een mooie introductie geeft over het bestaan van verschillende lagen van verwijzingen in de ‘Alice’-boeken, en er zeer goed in slaagt om de boodschap over te brengen dat ze zo veel meer zijn dan grappige onzin. Desondanks moeten diverse voorbeelden van verwijzingen met een korreltje zout worden genomen en, vanwege het gebrek aan referenties, is het minder geschikt voor serieuzere onderzoekers.

Lees verder

Boekbespreking: Alice in Wonderland Syndrome – Jan Dirk Blom

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Leed Charles Dodgson aan het Alice in Wonderland-syndroom?

Boekbespreking van:

Jan Dirk Blom, Alice in Wonderland Syndrome, Springer 2020.
221 pagina’s, € 130,79 (tijdelijk verlaagd naar € 65,39)
ISBN 978-3-030-18608-1

Jan Dirk Blom is een Nederlandse psychiater en bijzonder hoogleraar Klinische Psychopathologie aan de Universiteit Leiden. Als psychiater werd hij geraadpleegd door mensen die hij nu aanduidt als “de man die voelde dat de wereld leefde”, “de jongen die alles als scheef zag” en “de vrouw die draken zag”. Ze bleken allemaal symptomen te ervaren van wat nu bekend staat als het  ‘Alice in Wonderland-syndroom’ (in deze recensie aangeduid als het ‘AiW-syndroom’).
Het AiW-syndroom werd tot voor kort als zo zeldzaam beschouwd, dat de meeste universitaire opleidingen in geneeskunde, psychologie en neurowetenschappen het niet in de opleiding opnamen. De eerste persoon die het kenmerkende patroon van dit syndroom opmerkte, was John Todd, een Britse consulent psychiater. Hij publiceerde erover in 1955 en gaf de aandoening een naam, waarbij hij zich liet inspireren door de specifieke veranderingen van Alice, zoals in 1865 beschreven in Alice’s Adventures in Wonderland door Charles Dodgson onder zijn pseudoniem Lewis Carroll.

Jan Dirk Blom herinnert zich dat hij als kind het boek Alice’s Adventures in Wonderland (‘AiW’) had gelezen en er diep van onder de indruk was. Hij heeft het vele malen herlezen, ook met zijn dochter, en elke lezing verraste hem met nieuwe inzichten.

En nu heeft hij een fascinerend boek geschreven over het AiW-syndroom. Hij put daarbij uit zijn ervaringen als psychiater, zijn eigen onderzoek en het gestaag toenemende aantal wetenschappelijke publicaties over het syndroom. Het is het eerste state-of-the-art overzicht van het syndroom en het belangrijkste doel van het boek is de bewustwording over het syndroom te vergroten door het te beschrijven en uit te leggen wat er over bekend is.

Maar er is meer. In AiW vinden we een beschrijving van tenminste 13 ervaringen die lijken op symptomen van het syndroom. En daarom stelde Blom zich ook de volgende vraag: hoe groot is de kans dat een niet-medische auteur deze symptomen lukraak beschrijft in een boek dat is geschreven als vermaak voor kinderen, symptomen die op dat moment weinig bekend waren en waarvoor het nog 90 jaar zou duren voordat een psychiater op het idee zou komen om ze in verband met elkaar te beschrijven? Charles Dodgson moet persoonlijk kennis van deze symptomen hebben gehad. De vraag is: hoe? Had hij er van iemand anders over gehoord? Heeft hij ze misschien zelf meegemaakt? En dit is het tweede doel van het boek: een onderzoek van Charles Dodgson’s leven en werk om de vraag te beantwoorden hoe hij aan zijn kennis over deze symptomen was gekomen.

Het boek is interessant voor zowel mensen met een medische achtergrond als voor Carrollians. Hieronder zal ik een samenvatting geven, maar deze is slechts gedeeltelijk, omdat hij voornamelijk over de Carrolliaanse aspecten gaat. De reden hiervoor is niet dat de medische elementen saai of te ingewikkeld zijn: het tegendeel is waar. Ik vermoed echter dat mijn lezers vooral geïnteresseerd zijn in het deel dat over Charles Dodgson gaat. Ik neem verder aan dat ze bekend zijn met de basisfeiten van zijn biografie. Ik ben me bewust van het feit dat deze keuze het boek van Blom onrecht doet. Mijn samenvatting laat niet alleen veel interessante en relevante details over Charles Dodgson buiten beschouwing, maar bovenal negeer ik de manier waarop Blom de medische en Carrolliaanse aspecten met elkaar heeft verweven. Hun combinatie leest als een fascinerende ontdekkingsreis en ik kan me niet anders voorstellen dan dat het een belangrijke stap is op weg naar meer bekendheid met het AiW-syndroom.
Dus als deze recensie je interesse wekt, raad ik je ten zeerste aan om het boek in zijn geheel te lezen, aangezien je er veel toegevoegde waarde in zult vinden, hoewel ik me kan voorstellen dat de prijs van het boek een obstakel zou kunnen zijn.

Het syndroom

In 1955 was John Todd de eerste die over het AiW-syndroom publiceerde. Het is zijn verdienste dat hij de symptomen heeft gegroepeerd, hun onderlinge verwevenheid heeft herkend als zintuigelijke verstoringen in plaats van hallucinaties of illusies en die groep symptomen een naam heeft gegeven. Hij gebruikte de term ‘syndroom’ omdat hij vermoedde dat de waargenomen verschijnselen bij elkaar hoorden.
Hier is een kort overzicht van de symptomen, zoals opgesomd en beschreven door Blom.

  • Somesthetische vervormingen: vervormingen die van invloed zijn op de manier waarop we ons lichaam ervaren, bijvoorbeeld het gevoel dat je handen worden verkleind tot kleine stompjes wanneer je ze in je zak steekt, of het gevoel dat ze zo groot zijn geworden dat ze de hele ruimte lijken te vullen.
  • Hyperschematie en hyposchematie: het ervaren van de ruimte die het lichaam inneemt als groter respectievelijk kleiner dan deze in feite is.
  • Derealisatie en depersonalisatie: derealisatie is een verwrongen realiteitszin; depersonalisatie is het gevoel niet aanwezig te zijn, jezelf op een merkwaardig afstandelijke manier te ervaren, bijvoorbeeld alsof je de wereld vanachter een dikke ruit ziet.
  • Somatopsychische dualiteit: de ervaring dat je niet op één plek leeft. Todd beschreef een geval van een vrouw die het tijdelijke gevoel had ‘gespleten’ te zijn, wat gepaard ging met het gevoel een tweede hoofd te hebben.
  • Visuele vervormingen: deze komen voor in veel verschillende typen, bijvoorbeeld dingen scheef zien of een extra lijn of contour rond objecten waarnemen, dingen groter of kleiner zien dan ze in werkelijkheid zijn (micropsia, macropsia), beweging zien die er niet is (kinetopsie ) en het onvermogen om beweging te zien (akinetopsie).
  • Illusoire gevoelens van levitatie en tijdvervormingen: het gevoel dat je in de lucht zweeft en het ervaren van illusoire veranderingen ten aanzien van het verstrijken van de tijd.

Misschien wel het meest beangstigende aspect van dit syndroom is dat het je kan doen twijfelen aan de meest simpele, fundamentele elementen van de werkelijkheid, die je, sinds je klein was, als vanzelfsprekend had beschouwd en waarvan je dacht dat je er zeker van kon zijn. Het kan ook onzekerheden veroorzaken over iemands persoonlijke identiteit.

De kenmerkende symptomen zijn meestal subtiel van aard, in de zin dat ze de neiging hebben om slechts een klein aspect van iemands volledige zintuiglijke ervaring te beïnvloeden. Soms treden de symptomen in samenhang met elkaar op. Maar zelfs als er meerdere symptomen aanwezig zijn, zijn het vaak ervaringen in dezelfde sensorische modaliteit, bijvoorbeeld allemaal visueel van aard.
Het AiW-syndroom verschilt van hallucinaties en illusies, omdat de symptomen vervormingen zijn van normale zintuiglijke waarnemingen. Wat mensen waarnemen is iets echts, iets daarbuiten in de fysieke wereld, dat zich echter op een verdraaide, vertrokken en verwrongen manier presenteert.
Het is onbekend of er een gemeenschappelijke oorzaak ten grondslag ligt aan alle gevallen van het AiW-syndroom. Talrijke medische aandoeningen kunnen het veroorzaken, waaronder epilepsie, migraine en middelenmisbruik. De meerderheid van de patiënten die hieraan lijden, ontwikkelt het syndroom echter niet. Daarvoor is misschien ook een specifieke kwetsbaarheid vereist, zelfs als de genoemde aandoeningen zich voordoen.
Voor tal van andere medische aandoeningen zijn bij wetenschappelijke organisaties diagnostische criteria beschikbaar. Daarnaast kunnen deze organisaties evidence based richtlijnen uitvaardigen waarin staat hoe aandoeningen bij voorkeur behandeld moeten worden. Voor het AiW-syndroom zijn dergelijke diagnostische criteria en therapeutische algoritmen echter niet beschikbaar. Dit komt doordat het syndroom tot nu toe nauwelijks is onderzocht. In een bijlage somt Blom een voorstel op voor diagnostische criteria die gebruikt kunnen worden in een klinische praktijk.
Hoewel er geen harde gegevens beschikbaar zijn, moeten er talloze mensen zijn die aan deze vrijwel onontgonnen aandoening lijden. Maar omdat nog veel onduidelijk is, zou ook slechts een minderheid van de medisch specialisten het AiW-syndroom herkennen. Als er niet een paar wetenschappers waren geweest die door de jaren heen papers bleven publiceren, was het AiW-syndroom waarschijnlijk door de medische wereld vergeten. Dus wat er in de eerste plaats nodig is, is een grotere bewustwording. Mensen met het AiW-syndroom moeten de weg kunnen vinden naar geschoolde specialisten.

Alice’s avonturen in wonderland

Zij die bekend zijn met het verhaal van AiW zullen de symptomen van het syndroom eenvoudig  herkennen als elementen in het verhaal. Hier zijn enkele voorbeelden die door Blom worden genoemd. Er is sprake gevoelens van levitatie wanneer Alice zo langzaam door het konijnenhol valt dat ze alle tijd heeft om een pot met het opschrift ‘Sinaasappeljam’ van de plank te pakken en deze na inspectie iets lager op te bergen in een kast.
Alice ervaart ook een aantal somesthetische vervormingen: ze verandert verschillende keren van grootte. Ze ervaart hyperschematie in de scène waarin ze zo groot wordt, dat ze vast komt te zitten in het huis van het Witte Konijn. Er is sprake van psychosomatische dualiteit: het was één van Alice’s favoriete bezigheden om zich voor te doen als twee personen.
Met Alice’s gevoel dat haar lichaam kleiner en groter wordt, lijken de dingen voor haar ook groter of kleiner (macropsia en micropsia). Maar er zijn meer soorten visuele vervormingen. Alice ervaart prosopometamorfosie, de schijnbare verandering van uiterlijk, wanneer ze wordt geconfronteerd met de baby die in een biggetje verandert. Er is sprake van verlies van ruimtelijk zicht wanneer de hoveniers, in de vorm van speelkaarten, worden gezien als “langwerpig en plat” in plaats van als driedimensionale objecten.
Er zijn veel verwijzingen naar het onderwerp ‘tijd’, inclusief tijdvervormingen, bijvoorbeeld wanneer de Hoedenmaker verwijst naar het versnellen van de werkelijke chronologische tijd: “Je hoeft de Tijd maar even iets in zijn oor te fluisteren en in een oogwenk draaien de wijzers rond”.
Depersonalisatie is het geval als Alice opmerkt: “Ik ben mezelf niet, zie je.” Ze heeft die dag zoveel veranderingen ondergaan dat ze niet meer weet wie ze is.

Hoe heeft Dodgson kennis opgedaan over de symptomen?

Blom concludeert dat de beschrijvingen in AiW overtuigend bewijsmateriaal bevatten dat Dodgson grondige kennis had van een groot aantal symptomen die nu worden beschouwd als onderdeel van het AiW-syndroom.
Maar wat zou hem kunnen hebben geïnspireerd om ze te beschrijven? Had hij er misschien via iemand anders over gehoord? Of via meerdere personen die hem elk een beschrijving van enkele van die symptomen hadden gegeven? Zou het zijn neef kunnen zijn, Stuart Dodgson Collingwood, of Charles’ eigen broer Skeffington Dodgson, van wie bekend was dat ze beiden aan epilepsie leden? Of zou het Alice Liddell kunnen zijn aan wie hij het verhaal heeft opgedragen? Er is echter geen enkele aanwijzing dat Alice Liddell zintuiglijke vervormingen heeft ervaren, laat staan dat ze Dodgson deze heeft toevertrouwd. Hetzelfde geldt voor de andere genoemde personen.

Dit brengt ons bij de volgende vraag: heeft Dodgson zelf de zintuiglijke symptomen ervaren die hij in AiW beschreef? Afgaande op wat Dodgson schreef over het ontstaan ​​van zijn verhaal, leek het niet uit een droom te komen. Wel gaf hij aan dat het onderbewustzijn er misschien iets mee te maken had, door te zeggen dat veel van de ideeën voor zijn boek “uit zichzelf” waren gekomen. Dit suggereert dat hij misschien wel een manier had gevonden om toegang te krijgen tot het ‘primaire proces’, zoals psychoanalytici deze manier van denken noemen: het type mentaal proces dat vooraf gaat aan linguïstisch redeneren. Dit proces wordt als primitiever van aard beschouwd, in de zin dat het onmiddellijk, onlogisch en ruw is, en gebruik maakt van beelden, emoties en losse associaties in plaats van de zorgvuldig opgebouwde concepten die we gebruiken als we ons in taal uitdrukken. Het lijkt erop dat Dodgson inderdaad in staat was zichzelf toegang te verschaffen tot die laag van bewustzijn. Het is dus niet zo vergezocht dat sommige auteurs denken dat hij psychotrope middelen had gebruikt; de beelden die hij door het hele verhaal heen oproept, doen denken aan LSD-ervaringen. Maar er is geen bewijs dat hij daadwerkelijk deze middelen heeft gebruikt.
Om tot een zorgvuldige afweging te komen over de vraag of Dodgson zelf zintuiglijke vervormingen heeft ervaren, en zo ja, wat de onderliggende oorzaak zou kunnen zijn, presenteert Blom een gedetailleerde beschrijving van de gezondheid van Dodgson. Hierin etaleert hij alles wat bekend is over zijn gezondheid, inclusief kleine aandoeningen en verwondingen, op basis van zijn dagboeken en brieven en het ruime biografische materiaal dat beschikbaar is.

Dodgson’s medisch dossier

Enkele algemene gegevens: lengte ongeveer 1,78 m, gewicht 65 kg, gemeten op 50-jarige leeftijd, body mass index van 20,5. Belangrijkste aspecten zijn zijn gewoontes: om niet te roken, bijna dagelijks oefeningen te doen, eenvoudige kleine maaltijden te eten en bij voorkeur de middagmaaltijden over te slaan of zichzelf tevreden te stellen met een glas sherry en een koekje. Zijn dood in 1898 op 65-jarige leeftijd (toen een respectabele leeftijd) was waarschijnlijk het gevolg van een longontsteking na een ziekbed dat begon als “een koortsachtige verkoudheid van het bronchiale type”.

Uit zijn medische geschiedenis blijkt dat hij tijdens zijn leven veel ongemakken heeft ervaren.

  • Gehoorprobleem: hij was van jongs af aan slechthorend in zijn rechteroor. Het is onbekend op welke leeftijd dat precies tot stand kwam. Op 17-jarige leeftijd kreeg hij de bof en dit is de meest waarschijnlijke oorzaak.
  • Gezichtsblindheid: hoewel zijn geheugen ronduit opmerkelijk was, had hij een slecht geheugen voor gezichten. Met ongebruikelijke strategieën probeerde hij om te gaan deze sociale handicap, zoals zijn pogingen om gezichten van bekenden met behulp van foto’s te onthouden.
  • Spraakstoornis: hij had van jongs af aan een spraakstoornis die hem aanzienlijke problemen bezorgde. De exacte oorzaak van zijn stotteren is onbekend, hoewel het duidelijk is dat erfelijkheid hierin een belangrijke rol speelde. Drie van zijn broers en zussen hadden een spraakgebrek en mogelijk al zijn tien broers en zussen in meer of mindere mate.
  • Infectieziekten: andere aanslagen op zijn gezondheid waren het gevolg van de talrijke infectieziekten die het 19e-eeuwse Engeland in hun greep hielden. Tijdens zijn schooltijd liep hij door kinkhoest ernstige vertraging op. Zoals alle gezonde Engelsen, kreeg hij eenmaal per jaar griep. In de loop van zijn leven leed hij ook aan verschillende andere ziektes, zoals blaasontsteking, en ontstekingen in zijn armen en benen. Uit zijn dagboekaantekeningen blijkt dat hij zich regelmatig “niet lekker voelde”.
  • Verwondingen: Dodgson liep verschillende verwondingen op. Hij werd gebeten door een teckel en viel bij een poging om te schaatsen waarbij hij zijn voorhoofd open sneed. Hij leed aan gezichtspijnen, door zijn neef Stuart Dodgson Collingwood “zenuwpijn” genoemd, en lage rugpijn, die Dodgson toeschreef aan “spit”.
  • Bewustzijnsverlies: op 59-jarige leeftijd stootte hij een keer zijn hoofd en verloor daarbij gedurende een uur zijn bewustzijn. Het kostte hem meer dan 10 maanden om van de hoofdpijn af te komen. Dodgson dacht zelf dat het epilepsie was, maar er is reden voor twijfel. Hij legde zelf een verband met een eerder incident (op 53-jarige leeftijd), dat hem ruim een week met hoofdpijn opzadelde. Er zijn dus enkele aanwijzingen dat hij gedurende zijn leven twee zogenaamde tonisch-clonische (een bepaald type epilepsie) aanvallen heeft gehad, hoewel definitief bewijs ontbreekt.
  • Migraine: Dodgson dacht ook dat hij aan migraine leed. De reden was dat hij zijn hele leven last had van flikkerende scotomen (blinde plekken in het gezichtsveld). Het kan ook zijn dat hij vanwege een migraine zonder hoofdpijn een negatief plekje in zijn gezichtsveldhad. In zijn dagboek noemt hij dit “het zien van bewegende fortificaties” en met deze term kan hij nauwelijks iets anders hebben bedoeld dan geometrische visuele hallucinatie, die kenmerkend is voor migraine. In totaal meldde Dodgson vijf gevallen van soortgelijke migraine-aanvallen in zeven jaar. In 1952 was dit voor de Amerikaanse neuroloog Caro Lippman aanleiding om te suggereren dat Dodgson niet alleen aan migraine leed, maar ook aan begeleidende auraverschijnselen en dat deze ervaringen wellicht als inspiratiebron hadden gediend voor de eigenaardige zintuiglijke vervormingen die in AiW zijn beschreven. Hoewel dit niet onmogelijk is, bevatten de dagboeken geen enkele aanwijzing dat hij ooit auraverschijnselen heeft meegemaakt.

Dodgson gebruikte verschillende medicijnen voor het behandelen of voorkómen van zijn medische problemen. Sommige van die medicijnen waren homeopathisch van aard. Hij bezat een bescheiden bibliotheek met medische boeken, evenals een serie botten, die hij blijkbaar gebruikte om zichzelf enkele basisprincipes over het menselijk lichaam te leren. Hij was zozeer verknocht aan alternatieve geneeswijzen dat hij zelf dokterde via allerlei huis-, tuin- en keukenmiddeltjes, naslagwerken over homeopathische en kruidengeneesmiddelen verzamelde en een aantal van deze boeken weggaf aan familieleden en vrienden, soms samen met een doos met geneesmiddelen.

Hoe zit het met bewijs?

Op basis van het medisch dossier concludeert Blom dat er geen direct bewijs is dat Dodgson zelf zintuiglijke vervormingen heeft ervaren – niet vóór en ook niet nadat hij AiW schreef. Maar hoe zit het met indirect bewijs?
Omdat in het verleden verschillende interessante hypothesen zijn aangedragen, levert Blom in zijn boek een nieuwe evaluatie van het bewijsmateriaal. En aangezien er ook veel is gezegd over de geestelijke gezondheid van Dodgson, grijpt Blom de gelegenheid aan om tevens enkele mythen te ontkrachten.
Om aard en oorzaak van de veronderstelde zintuiglijke vervormingen van Dodgson te onderzoeken, brachten sommige auteurs gedegen medische ervaring in stelling. Anderen zijn minder nauwgezet geweest. In zijn eigen tijd ging al het gerucht dat Dodgson geestelijk ziek was geworden. Hij wordt depressief, suïcidaal, pedofiel, migraineur, slapeloze, epilepticus, alcoholverslaafde, cocaïneverslaafde, cannabisverslaafde en paddoverslaafde genoemd, om maar een paar van de meest voorkomende beschuldigingen te noemen. Anderen hebben gewezen op zijn gebruik van gevaarlijke stoffen zoals arseen (dat hij in homeopathische doseringen innam) en zwavelzuur (dat hem was voorgeschreven, maar dat hij waarschijnlijk nooit gebruikte omdat hij het niet eens was met de diagnose van zijn arts). Weer anderen geloven dat hij LSD gebruikte, wat echt opmerkelijk zou zijn geweest, aangezien deze stof pas een halve eeuw na zijn dood werd ontwikkeld.
Voor al dit soort aantijgingen is geen enkel bewijs. Wat we echter niet helemaal zeker weten is of hij in het geheim verslaafd was aan alcohol. Als curator van de Common Room in Christ Church, waar hij woonde, had hij gemakkelijk toegang tot alcohol. Hij had de gewoonte om middagmaaltijden over te slaan en deze ze meer dan eens in te ruilen voor een glas sherry. Hij had altijd een fles van zijn eigen favoriete merk bij zich als hij ’s avonds uit eten ging. Alle bronnen geven echter aan dat hij matige hoeveelheden alcohol gebruikte. Aan de andere kant is het echter algemeen bekend dat alcoholisten hun drinkgedrag vaak met succes maskeren in overeenstemming met hun sociale en beroepsmatige omgeving.

Wat betreft het psychologische profiel van Dodgson, is de eerste vraag of er aanwijzingen zijn voor psychologische of psychiatrische aandoeningen in zijn medische geschiedenis die de aanname zouden kunnen rechtvaardigen dat hij zelf zintuiglijke vervormingen heeft ervaren.
Blom gelooft niet dat er voldoende bewijs is voor de bewering dat Dodgson leed aan enige vorm van een ernstige psychiatrische ziekte. Wat de gesuggereerde mogelijkheid van een dissociatieve identiteitsstoornis (‘dubbele persoonlijkheid’) betreft, het lijkt er meer op dat hij zich een ongebruikelijke reeks sociale vaardigheden eigen had gemaakt en over een ongebruikelijk vermogen beschikte om met mensen in verschillende sociale contexten om te gaan.
Hij bezat echter wel een aantal obsessieve en dwangmatige karaktertrekken: de manier waarop hij zich kleedde, zijn tanden verzorgde, zijn thee klaarmaakte, zijn dagboek bijhield, zijn brieven en foto’s archiveerde en zorgvuldig de namen opsomde van meisjes die hij had ontmoet. Deze konden soms zelfs grenzen aan fetisjisme, gezien de gewoonte om mensen te fotograferen, hun handtekeningen en visitekaartjes te vragen en kleine haarlokken van zijn vriendinnetjes te verzamelen. Of deze collecties ook een seksuele betekenis voor hem hadden, is onmogelijk vast te stellen.

Over seksualiteit gesproken, Blom stelt zich de vraag waarom deze gezinsgerichte, succesvolle, huwbare man nooit openlijk een relatie heeft gehad. Er is een enkele passage in zijn dagboeken waarin hij overweegt wat geld opzij te zetten voor het geval hij ooit zou willen trouwen. Het kan niet volledig worden uitgesloten dat Dodgson een heimelijke Don Juan was. In dat geval moet hij echter wel zeer bedreven zijn geweest in het verbergen van zijn frivole escapades. De mogelijkheid van een actief seksleven – hoe onwaarschijnlijk ook – kan daarom niet volledig worden uitgesloten, maar ook een pleidooi voor zijn aseksualiteit is niet kansloos. Aseksualiteit is zeer zeldzaam bij volwassenen, maar het is niet ondenkbaar dat Dodgson verstoken was van zin in seks. Dit is een ander mysterie dat onopgelost zal moeten blijven, al valt er nog wel iets over te zeggen.
Op 17-jarige leeftijd had hij de bof. Prepuberale jongens die aan de bof lijden, ontwikkelen zelden testiculaire complicaties, maar bij volwassen mannen is het bij 5 tot 37% de meest voorkomende complicatie. Op 17-jarige leeftijd behoorde Dodgson tot de groep met risico op orchitis (ontsteking van de teelbal). Verlies van libido kan een bijkomend gevolg zijn, evenals impotentie, de ontwikkeling van vrouwelijk borstweefsel en het niet ontwikkelen van mannelijke kenmerken zoals zware spieren, lichaamshaar en lage stem. Het is onbekend of Dodgson vrouwelijk borstweefsel had, maar de andere gevolgen van aan de bof gerelateerde orchitis lijken opmerkelijk goed op hem van toepassing te zijn, zoals de hoge stem, de kwetsbaarheid, de zachte gelaatstrekken en een – mogelijke – aseksualiteit.
De kans dat bij hem sprake was van een ongewoon laag androgyn niveau ligt ergens tussen de 1% en 10% en de kans dat hij leed aan een bilaterale orchitis en dus aan impotentie en onvruchtbaarheid ligt in de range van 0,1% tot 1%.

Sommige auteurs hebben gesuggereerd dat Dodgson misschien een aandoening had die in zijn tijd nog niet benoemd was, het ‘Asperger-syndroom’, wellicht het best te begrijpen als een milde vorm van autisme. Hoewel hij een niche in zijn leven had gevonden waarin hij kon bloeien en tal van sociale contacten kon onderhouden, bleef hij een anachronisme onder de anachronismen die Christ Church al bevolkten. Maar in tegenstelling tot de meeste mensen bij wie autisme is vastgesteld, was hij goed in staat zichzelf in andermans positie te verplaatsen, vooral in die van kinderen.
Als we – als een retrospectieve diagnose – zouden concluderen dat er inderdaad sprake was van Asperger, dan moet Dodgson tot de hoog functionerende subgroep hebben behoord die het zoet en zuur van deze aandoening kent. Ook komt aseksualiteit, hoe zeldzaam ook, iets vaker voor in de context van het Asperger-syndroom.

Wat de zintuiglijke vervormingen kan hebben veroorzaakt, is migraine, zoals ook door verschillende vooraanstaande auteurs wordt aangegeven. Hij moet minstens vijf aanvallen van migraine hebben gehad. Maar al zijn beschrijvingen stammen uit de tijd nadat hij AiW had geschreven. Wat een mysterie is gebleven, is de reden waarom Dodgson in 1856 een oogarts raadpleegde, zes jaar voordat hij begon met het schrijven van het boek.

Een andere belangrijke hypothese, die met betrekking tot epilepsie, was vanaf het begin onwaarschijnlijk. Het wordt momenteel vrijwel onmogelijk geacht om epilepsie te bewijzen zonder EEG. Het is dus onmogelijk met enige zekerheid vast te stellen of Dodgson epileptische aanvallen heeft gehad. Maar epilepsie blijft een mogelijkheid, hoe onwaarschijnlijk het momenteel ook lijkt.

En dan was er die eindeloos terugkerende koorts. Als er echt iets in aanmerking komt om zintuiglijke vervormingen te hebben veroorzaakt, dan is dit het wel, volgens Blom. Dodgson heeft bij talloze gelegenheden infectieziekten gehad, voordat hij AiW schreef.

Alles bij elkaar genomen

Vanwege Dodgson’s eigen kieskeurigheid in zijn dagboeken, is het moeilijk te zeggen of de hier gereconstrueerde medische geschiedenis op enigerlei wijze compleet is. Niettemin kunnen we concluderen dat Dodgson bekend moet zijn geweest met de zintuiglijke vervormingen die hij beschreef, anders had hij er geen 13 verschillende voorbeelden van kunnen bedenken. Bovendien lijkt het onwaarschijnlijk dat hij deze beschrijvingen op geruchten had gebaseerd. Hoewel er geen direct bewijs is dat hij ze zelf had meegemaakt, leed hij zijn hele leven aan verschillende aandoeningen die nu worden erkend als factoren die het AiW-syndroom kunnen veroorzaken.
Voor de toppositie komen de vele infectieziekten waaraan hij leed, in aanmerking.
Op de tweede plaats komt migraine, maar wel op grote afstand. De derde plaats is voor intoxicaties (vergiftigingen) van welke aard dan ook, waarbij alcohol het gemakkelijkst verkrijgbare en meest waarschijnlijke middel is. Ver daarachter komt op de vierde plaats epilepsie. Tot slot, op de vijfde plaats, is het de moeite waard om de eerdere waarneming te memoreren dat Dodgson een manier leek te hebben gevonden om diepere lagen van zijn bewustzijn aan te boren, waardoor hij toegang kreeg tot gebieden van zijn psyche die anders buiten bereik zouden zijn gebleven.

En dat is het. Blom concludeert dat op basis van deze evaluatie iedereen het bewijsmateriaal voor zichzelf kan afwegen en kan concluderen of er voldoende reden is om aan te nemen dat Dodgson inderdaad leed aan het AiW-syndroom.

Met dank aan Henri Ruizenaar voor de Nederlandse vertaling van de Engelse versie van de recensie.

Lees verder

Boekbespreking: Humpty Dumpty

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Humpty Dumpty met een vlekje              

In het eerste nummer van Phlizz betoogde Casper Schuckink Kool dat de charme van het verzamelen aanzienlijk is gereduceerd door de komst van het internet. Ik heb geen behoefte om dat te weerspreken. Ik constateer wel dat er iets voor teruggekomen is, zij het dat de compenserende waarde nogal beperkt is.
Ik krijg met enige regelmaat attenderingen op nieuwe uitgaven waar ik niet naar op zoek was, die ook niet echt in mijn verzamelprofiel passen, maar die op een of andere manier door hun curieuze karakter toch mijn nieuwsgierigheid wekken. Het gaat daarbij eigenlijk niet zozeer om verzamelen maar meer om een ongerichte verrassing met enige relatie met Lewis Carroll.  Zo werd ik de min of meer gelukkige bezitter van een logica-leerboekje waarin wordt beweerd dat Lewis Carroll in werkelijkheid  Nathaniel Dodgson heette en van een uitgave van The Game of Logic waarin de diagrammen zijn verprutst tot een curieuze en onlogische verzameling lijnen.

Dit keer werd ik attent gemaakt op een klein boekje dat als titel Humpty Dumpty vermeldt en als auteur Lewis Carroll. Uitgever Createspace Independent Publishing Platform. Aangeboden door Bol.com.

Als productbeschrijving is de volgende informatie te vinden.

Ik kon het niet laten. Bestellen dus.
Het bleek een via printing on demand uitgegeven werkje, 28 pagina’s met grote letters, waarin de doorlopende tekst niet alleen verhaalt over het wel en wee van een mannetje in de vorm van een ei, maar ook instructies bevat voor het plaatsen van illustraties. De illustraties zelf ontbreken echter.
Onderstaande afbeeldingen van de pagina’s 20 en 22 geven een indruk van het resultaat.

Nu vertoont mijn kennis over Lewis Carroll zeker hiaten, zoals al bleek bij de quiz op het recente symposium. Maar het leek mij toch best onwaarschijnlijk dat de tekst, zelfs zonder de voor de drukker bedoelde instructies, van Lewis Carroll afkomstig zou zijn.  Enig speurwerk leverde mij op dat de inhoud (zonder de instructies) afkomstig was van een werkje met de titel Denslow’s Humpty Dumpty. Adapted and Illustrated by W.W. Denslow. Het is uitgegeven door G.W. Dillingham Company, Publishers, New York. Jaar van uitgave 1903, 12 pagina’s, oorspronkelijke prijs 25 cent. Gelukkig bevat dit boekje wel illustraties.

Het verhaal gaat over een mannetje in de vorm van een ei dat zich ongelukkig voelt vanwege zijn kwetsbare huid omdat deze hem verhindert om allerlei activiteiten te ondernemen. Op advies van een kip wendt hij zich tot een boerin die hem hard kookt en van een gekleurd uiterlijk voorziet, d.w.z. hij krijgt rode stippen. Daarna beleeft hij diverse avonturen;  “with a big heart in the right place, for the cheer and comfort of OTHERS”, aldus de heer Denslow.

Het mij door Bol.com geleverde boekje schrijft niet alleen de inhoud ten onrechte aan Lewis Carroll toe, maar bevat ook geen informatie over de herkomst van de tekst. De (Engelse) productbeschrijving op de site van Bol.com gaat over de geschiedenis van de figuur Humpty Dumpty maar niet over de inhoud van het boekje. Bol.com doet zijn best om daar toch nog correcte gegevens aan toe te voegen: bij de specificaties van de inhoud lees ik: “Illustraties: Nee”. Klopt. Bij de overige kenmerken staat echter: “Extra groot lettertype: Nee”. Hoezo “Nee”? Een snelle test heeft uitgewezen dat ik het zonder bril op vier meter afstand kan lezen.

Deze ervaring was voor mij overigens aanleiding de verprutste versie van The Game of Logic nog eens op te slaan (zie mijn vermelding in de 3e editie van Phlizz, “Logic games wordt logic puzzles”). Ik was er tot nu toe nog niet in geslaagd de uitgever te achterhalen, maar de belabberde vormgeving vertoont zoveel gelijkenis met mijn recente aanwinst dat ik nu zonder al te veel moeite kon vinden dat CreateSpace (onderdeel van Amazon) ook daar de uitgever van is. “Publiceer gratis e-books en paperbacks in eigen beheer” vermeldt hun site. Het is mij niet geheel duidelijk waar dat “gratis” op slaat maar voor mij is de lol er na twee keer toch wel af:  op de zwarte lijst dus. En mijn nieuwsgierigheid zal ik dus beter (proberen te) bedwingen.

Lees verder

Boekbespreking: Alice, secret agent of Wonderland

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Alice als geheim agent in een vertekend Wonderland

Regelmatig kijk ik op de site “Lewis Carroll Resources” (https://lewiscarrollresources.net) en recent zag ik daar in de rubriek “Future and recent Carrollian publications” dat onder de titel Alice, Secret agent of Wonderland een nieuw op Alice in Wonderland geïnspireerd stripboek was uitgebracht. Omdat ik geïnteresseerd ben in de wijze waarop de persoon van Alice en het verhaal van de Alice-boeken in hedendaagse cultuur worden geïnterpreteerd, én omdat ik nieuwsgierig was naar de secret agent invalshoek, heb ik het aangeschaft.

Het verhaal gaat als volgt. Alice is een geheim agent, opgeleid door haar zus. Met het oog op haar verdere professionalisering zoekt ze aansluiting bij het team Wonderland waar ze allerlei figuren ontmoet die we herkennen uit de Alice-boeken.

Haar baas Mr. White is altijd te laat voor een of andere afspraak. Mr. Caterpillar is de receptionist, die de voor een receptionist niet ongebruikelijke vraag stelt “Who are you?”. Maddie is een uitvinder, vergelijkbaar met Q in de Bond-films, die voor de agenten speciale gadgets maakt die in hoeden worden verwerkt. Dora is Maddie’s veel slapende kleine zusje. Dee en Dom zijn tweelingbroers die aan vechtsport doen (“Tweedle technique”) en qua uiterlijk nog het meest aan sumo-worstelaars doen denken.

Alice krijgt de opdracht om in te dringen in het tuinfeest van de boosaardige Queenie Heart om haar een of ander geheim wapen te ontfutselen en zo een vroegtijdig einde van de wereld te voorkomen. Alice’s partner en begeleider bij deze opdracht is Kitty, een kat die tijdens het avontuur met enige regelmaat verdwijnt.

Diverse elementen uit de Alice-boeken komen in min of meer willekeurige volgorde in een hoog tempo voorbij. Alice valt door een gat, ze groeit en krimpt, er is een mad tea party en Queenie Heart geeft te pas en te onpas opdracht tot onthoofding.

We herkennen deze figuren enigszins door hun gedrag en uitspraken, of anders wel door hun naam (soms met een toevoeging zoals bij Maddie ”Code name: The Hatter”), maar in mindere mate door hun uiterlijk. Voor Carrollians kan het dan ook best aardig zijn om te zien hoe de illustrator de figuren heeft uitgebeeld.
Maar daarmee is dan ook alles gezegd. Voor kinderen kan de strip een kennismaking inhouden met figuren en (delen van) episodes uit Alice in Wonderland, maar de gelijkenis daarvan met Carroll’s origineel is oppervlakkig en de strip geeft een totaal verkeerd beeld van het “klassieke verhaal”.

We zien een aantal Wonderland-figuren die er samen met Alice op uit gaan om de wereld te redden, wat mij bij een associatie oproept met Tim Burtons film die gebaseerd zou zijn op Through the Looking-Glass. Ook daarin verplaatst een aantal Wonderland-figuren zich over de wereld als een soort “Reddertjes”, die op hun beurt doen denken aan het stelletje muizen in de Disney-film met die naam uit 1977.
Na haar aanvankelijke verbazing past Alice zich zoveel mogelijk aan: ze kan het team Wonderland als gezelschap uiteindelijk wel waarderen, ze wil er wel bij horen. “A little madness can be a good thing” zijn Alice’s laatste woorden in de strip. Dat is wel even andere koek dan de originele uitsmijter “You’re nothing but a pack of cards!”.

Bij Amazon vond ik de volgende aanbeveling: “Experience Alice’s Adventures in Wonderland like never before in this twisted graphic novel retelling for kids.” Twisted novel: inderdaad. Maar retelling?? De serie waarin deze strip is uitgebracht, heet “Far Out Classic Stories” en daarin zijn ook titels  als Peter Pan in Mummyland en Robin Hood Time Traveller verschenen. Zonder deze gelezen te hebben zou ik willen beweren dat met even veel of weinig moeite Alice Time Traveller of Alice in Mummy Land hadden kunnen worden uitgebracht, ware het niet dat deze titels al in een vergelijkbare variant bestaan.

Alice, Secret Agent of Wonderland. A Graphic Novel by Katie Schenkel, illustrated by Fern Cano.
Far Out Classic Stories. Minnesota: Stone Arch Books, 2020.
40 pagina’s. Doelgroep: kinderen 8-12 jaar.

Lees verder

Boekbespreking: Alicia’s avonturen in Dieetland en verder.

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Boekbespreking: Alicia’s avonturen in Dieetland en verder. Over Dietland (2015) van Sarai Walker

Waarschijnlijk heb jij dat ook: je ziet een boek met ‘- land’ in de titel en je denkt aan Alice in Wonderland. Toen de roman Dietland van Sarai Walker binnenkwam in ‘mijn’ Utrechtse Terre-des-Hommeswinkel, ging ik dan ook meteen bladeren. Ik hoefde niet lang te zoeken. Het motto is genomen uit Alice, (Alice’gedachte aan het verder krimpen en vervolgens uitgaan als een kaars) en de structuur van het boek (vijf delen) is opgehangen aan begrippen en namen eruit, respectievelijk: Rabbit Hole, Alicia and Plum, Drink me, Underground en Eat me.

Heel vergezocht is de verbinding met diëten in principe niet, Alice gaat immers met enige regelmaat over groter en kleiner worden. Verder wil de hoofdpersoon van Dietland (Alicia) aanvankelijk ook graag small worden om niet de hele tijd gezien en vooral bekéken te worden; het liefst zou ze zelfs onzichtbaar zijn. Ik zag dat éen van de vertalingen, de Franse, luidt (In)Visable.

Ik kende het boek nog niet, maar na enig googlewerk werd wel duidelijk dat de recensies en interviews nauwelijks aandacht hadden voor de relatie met Alice, maar zich vooral richtten op de thema’s die met feminisme, onderdrukking van fat women, fuckability en objectivering van de vrouw en het ongestraft blijven van verkrachting,  aanranding van en ander geweld tegen vrouwen. Wel was er in het jubileumjaar 2015, op 6 oktober, een special over Alice in Wonderland op ABC Radio National Australië, met onder andere een interview met Sarai Walker. Hoewel flarden van Jefferson Airplane’s White Rabbit (‘One pill  makes you larger/And one pill makes you small’/ etc.) klinken, komt de relatie met Alice in het gesprek niet aan de orde. Wel was er al heel vroeg, in 2014, een aankondiging van een Tsjechische vertaling, onder de titel ‘Alice in Wonderland [en ook in de spiegel]’, met een bijzonder omslag (zie hiernaast). De spiegel in de ondertitel lijkt te verwijzen naar Alice through the Looking Glass maar het gaat hier om een zeer confronterende scène in Dietland vòòr een spiegel (p. 146/147): Alicia bij de plastisch chirurg.

Een stuk van het verhaal
Op een dag merkt de ik-persoon, de dertiger Alicia Kettle, mailtjesbeantwoorder, werkzaam als ghostwriter van de uitgeefster van een pubertijdschrift ‘Daisy Chain’, dat ze in de gaten gehouden wordt door een jonge vrouw. Ze spreekt haar daar op aan, waarop deze vrouw, Leeta, haar niet alleen meneemt naar de kelders van het gebouw waar het tijdschrift gemaakt wordt, maar via via ook in contact brengt met een min of meer ondergronds vrouwencollectief, Calliope. Vanaf dat moment verandert het rustige, maar tamelijk eenzame leven van Alicia, door haar moeder al toen ze heel klein was Plum gedoopt, ingrijpend. Ze komt terecht in een voor haar totaal nieuwe wereld van activistische feministes, van wie een deel, ‘groep Jennifer’, zeer gewelddadig. Dankzij enkelen van hen overwint Alicia haar minderwaardigheidscomplex en heeft ze niet meer de behoefte kleiner te worden om zo niet gezien te worden. Integendeel: ze eet zich nóg zichtbaarder en keert welgemoed terug de wereld in.

Het boek heeft de structuur van het klassieke drama, maar niet van een tragedie, met in deel 4, ‘Underground’, de nóg diepere afdaling, de loutering en de ommekeer ten goede. De delen ‘Drink Me’ en ‘Eat me’ zijn het langst, het verhaal draait om hoe Alicia/Plum zal (moeten) dealen met haar reusachtige lijf, een echt fat person is ze. In Plum zit Alicia verborgen, de dunne versie waar Plum enige tijd naar streeft. De belangrijkste helper is Verena Baptist, dochter van dieetgoeroe Eulayla Baptist. Deze Verena heeft niets op met haar moeder, die ze bestrijdt in het door Leeta voor Alicia achtergelaten werk Adventures in Dietland. Verena belooft Plum 20.000 dollar als ze afziet van een maagoperatie, maar dat geld krijgt ze ook als ze meedoet aan de door haar opgestelde alternatieve therapie.

Behalve openlijke verwijzingen als de naam van de hoofdpersoon, gesprekken over grootte en identiteit, de afdaling, de titels van de delen en het boek Adventures in Dietland zijn er nog wel enkele wat subtielere en/of pas bij het helemaal lezen van de roman te vinden Alice-elementen. Zo zou je het opduiken van het personage Leeta in het begin kunnen vergelijken met het witte konijn. Later krijgt ze meer trekjes van de Cheshire Cat, met ‘a habit of disappearing’ (p. 184), ook is ze vooral een helper. Maar het is lastig personages van Alice te plakken op die van Dietland, zonder vergezocht te worden.
Hier en daar gebruikt Walker even, bijna terloops, beelden gebaseerd op Carrolls Alice-boeken. “I whished she hadn’t sat down next to me, since we looked like two Humpty Dumptys seated together”. Ook uiteraard zinnetjes over het dunner/kleiner worden omdat ze liever niet gezien wil worden: iedereen staart naar haar, vroeger op school af, en later als ze een fat woman is: “I wanted to become smaller, so I wouldn’t be seen.”(40), en, eventueel, de slotzinnen van de roman: “…. taking a leap into the wide world, which now seems to small to contain me. Burst!
In de slotzinnen van de delen vinden we meestal vrij duidelijke verwijzingen. Aan het eind van deel 1 bevindt Alicia zich in de subway. “Once I was in the subway headed for home, I opened Adventures in Dietland […….] – the train pulled away from the platform into the tunnel, moving me away from the Austen: Tower. Already it had begun”. Zie Alice’s Adventures in Wonderland: “The rabit-hole went straight on like a tunnel for some way…”.
Ook het slot van deel 2  verwijst enigszins naar Alice: “…to see the young girl under the tree become a young woman, one who grew larger and larger….”. Bij deel 3 doet Walker het wat vetter, “Down we went, down to the very bottom”. En na de afdaling komt ze bevrijd boven: “I made my escape”, dat is het slot van deel 4. Op de laatste pagina rent Alicia, net als Alice, uit beeld.

In haar nawoord (‘Acknowledgments’, p. 309-310) noemt ze verschillende boeken die haar inspireerden; niet Alice’s Adventures in Wonderland, alleen indirect bij het bedanken van haar literair agent: “….one of my lucky Alices”. Maar het zal duidelijk zijn dat haar liefde voor het boek groot is en dat ze dankbaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die het bood voor haar roman.

Sarai Walker: Dietland. Boston, Houghton Mifflin Harcourt, 2015 [gebruikte editie: London, Atlantic Books, 2016]

Lees verder

Boekbespreking: ‘The Night Before Christmas in Wonderland’

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Tekst: Carys Bexington; illustraties: Kate Hindley
Macmillan Children’s Books, 2019, 42 pagina’s.

Een wonderlijke kerstnacht

Ik heb een haat-liefde-verhouding met de stroom van publicaties die aan de haal gaan met het verhaal van de Alice-boeken. Meestal kan ik wel waardering opbrengen voor de persiflages waarin het wel en wee van politici wordt beschreven als ware het avonturen in Wonderland: van Adolf in Blunderland tot Alice in Brexitland. Maar wanneer de Wonderland-personages uit hun context worden gehaald en worden overgeleverd aan geheel andere belevenissen, slaat de twijfel toe. Soms kunnen illustraties een geheel nieuwe, boeiende kijk op de ons bekende personages geven. Maar vaker overheerst de ergernis, met als voorlopig dieptepunt overigens niet een boek maar een film: Tim Burtons Alice Through the Looking-Glass. Hij begint met een langdurige scène over zeerovers en ik ben indertijd de bioscoopzaal uitgelopen omdat ik dacht dat ik in de verkeerde zaal zat. Ten onrechte heb ik me terug laten sturen.

Dit schoot door mijn hoofd toen ik op de Facebook-pagina van onze Britse collega’s werd geattendeerd op het verschijnen van The Night before Christmas in Wonderland:
“This is a truly imaginative, witty, delightfully told and visualised Christmas confection that any Carrollian would be thrilled to find in their Christmas stocking! Pure joy!”
“Lovely time reading this splendid book to Yr1 children this afternoon. Children and staff were SO wellcoming.”
Als grootvader/ Carrollian leek me dat wel wat, ook al is mijn kleindochter nog niet Year 1 (maar ruim 2 ½ jaar) en is haar stocking al voldoende gevuld door sinterklaas. Kortom, ik heb het besteld. Bij Bol.com, € 18,99 (inmiddels € 20). Het ziet er prachtig uit, overvol met grappige, kleurrijke, op kinderen gerichte illustraties. En op elke pagina enkele tekstregels, op lekker lopend rijm. Wel Engels dus en voorlezen wordt dan een soort simultaan vertalen waarbij het Engelse rijm helaas het loodje legt.

De lijn van het verhaal is als volgt. De Princess of Hearts schrijft een brief naar de kerstman: ze wil graag een cadeau, maar haar ouders (Queen of Hearts!) zijn tegen. Daar wil de kerstman wel wat aan doen en hup, daar gaat hij met zijn helpertjes (een soort rien-poortvliet-kabouters) op weg naar Wonderland.

“They flew at full speed all that very long way,
(It’s a quick trip by rabbit hole, AGES by sleigh.)”

Aangekomen bij het kasteel werken ze zich naar binnen via dak en schoorsteen (ook de rendieren), maar worden onmiddellijk weggestuurd door the Queen of hearts (“Off with your head”). Ze belanden op een tea party en daar vertelt de maartse haas dat de koningin, toen ze nog prinses was, steeds bozer is geworden en een hekel aan kerst heeft gekregen. En dan komt de aap uit de mouw:

“It’s my fault,” said a rabbit with fur white as snow,
“ A mistake that I made all those long years ago.
The last post collection leaves promptly at eight …
… And I’m sorry to say – oh dear me – I was LATE!”

En tenslotte ontdooit de koningin. Eind goed, al goed.

Hier wordt een mengeling van sinterklaas en onze kerstman geconfronteerd met Wonderland-figuren die een deel van hun oorspronkelijke context meenemen. De combinatie bepaalt natuurlijk de pret, maar dit is wel wat veel voor een kind van 2 ½. De illustraties zijn zeker voor alle leeftijden, maar schreeuwen om een tekst.
Kortom, ik koester het boek nog een paar jaar en doe mezelf intussen jaarlijks een plezier door de op rijm gestelde tekst hardop te lezen.

Lees verder

Boekbespreking: ‘The Tenniel illustrations to the ‘Alice’ books’ van Michael Hancher

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Deze recensie verscheen eerder in het Engels op http://www.alice-in-wonderland.net/blog/2019/11/book-review-the-tenniel-illustrations-to-the-alice-books/

Afgelopen maand is een tweede editie van “The Tenniel illustrations to the ‘Alice’ books” door Michael Hancher uitgegeven. In deze recensie lees je wat er gewijzigd is ten opzichte van de eerste editie en of deze tweede editie het waard is om (ook) aan te schaffen.

De eerste editie
Voor degenen die niet bekend zijn met de eerste editie zal ik eerst omschrijven waar het boek over gaat.
In “The Tenniel illustrations to the ‘Alice’ books” bespreekt Hancher gedetailleerd hoe John Tenniels illustraties voor beide ‘Alice’-boeken mogelijk (bewust of onbewust) geïnspireerd zijn op bestaande werken van andere illustratoren. Hij bespreekt ook wat terugkerende elementen zijn in Tenniels tekenstijl, wat resulteert in gelijkenissen tussen de ‘Alice’-illustraties en zijn eerdere werk voor onder andere het tijdschrift ‘Punch’. Ook vertelt hij in hoeverre Carroll invloed had op de illustraties en hoeveel vrijheid Tenniel van de auteur kreeg.
Het eerste hoofdstuk, over overeenkomsten tussen Tenniels eerdere werk en zijn ‘Alice’-illustraties, is behoorlijk uitgebreid. Latere hoofdstukken zijn redelijk kort en bespreken specifiek één illustratie uit de boeken.
De laatste twee hoofdstukken gaan over het proces van ‘woodcutting’ en de kwaliteit ervan, druktechnieken en de plaatsing van illustraties tussen de teksten van de ‘Alice’-boeken.

Wijzigingen in de tweede editie
Michael Hanchers boek werd voor het eerst uitgegeven in 1985. Die eerste editie wordt niet meer gedrukt, dus als je hem wilde aanschaffen moest je een tweedehands exemplaar zoeken. Maar recentelijk heeft de Ohio State University Press een tweede editie uitgebracht, die zeker niet hetzelfde is. De eerste editie is ‘bijgewerkt en herzien’ – maar wat betekent dat precies?
Volgens het voorwoord is deze editie beter gebaseerd op archiefbronnen, in plaats van voornamelijk op destijds gepubliceerd materiaal. Bovendien is er sinds het uitkomen van het boek behoorlijk wat nieuwe wetenschappelijke literatuur gepubliceerd, waar nu ook gebruik van wordt gemaakt. En aangezien de originele ‘woodblocks’ van Dalziel net rond de tijd van publicatie ontdekt werden, was Hancher destijds niet in de gelegenheid om dit op te nemen in zijn boek, maar nu wel.
Dit betekent dat de inhoud van alle hoofdstukken is bijgewerkt met de meest recente informatie en dat enkele hoofdstukken bovendien zijn uitgebreid. Zo bevat het hoofdstuk over de afbeelding van de White Knight bijvoorbeeld diverse extra pagina’s. Maar het boek bevat ook maar liefst zes compleet nieuwe hoofdstukken! Zoals verwacht bevat het ook meer afbeeldingen: 230 zwart-wit illustraties in totaal (er zijn ook enkele afbeeldingen verwijderd) en als nieuwe toevoeging zijn er 8 afbeeldingen in kleur gedrukt op dikker papier.

De nieuwe hoofdstukken gaan over de volgende onderwerpen:

  • Hoofdstuk 13 (‘Engraving’): het graveerproces en aanpassingen die zijn gedaan aan de ‘woodblocks’ voor de ‘Alice’-boeken.
  • Hoofdstuk 14 (‘Electrotyping’): een discussie van tijdgenoten over de voordelen en beperkingen (en dus de kwaliteit) van het gebruiken van zg. ‘electrotype blocks’ vergeleken met het direct drukken vanaf de ‘woodblocks’, een omschrijving van het maakproces van ‘electrotypes’ gebaseerd op Victoriaanse bronnen, welk bedrijf de ‘electrotypes’ produceerde, en een overzicht van de bewaard gebleven ‘electrotypes’ en de bedragen waarvoor ze geveild werden.
  • Hoofdstuk 15 (‘Printing’): welke bedrijven werden gekozen voor het drukken van de boeken, de problemen met de drukkwaliteit waar de allereerste editie van Alice’s Adventures in Wonderland last van had, een bespreking van de specifieke oorzaken van deze problemen, en problemen met de kwaliteit van het drukwerk in latere edities.
  • Hoofdstuk 16 (‘Coloring’): het kleurgebruik in tekeningen voor Alice’s Adventures Under Ground, het gebruik van woorden die verwijzen naar kleuren in de ‘Alice’ teksten, de productie van (‘woodblocks’ voor) de illustraties voor de Nursery Alice, de kleur van Alices jurk, en afbeeldingen ingekleurd door anderen dan Tenniel.
  • Hoofdstuk 17 (‘Reengraving’): het opnieuw maken van ‘woodblocks’ van Tenniels originele illustraties voor de limited edition die ter ere van de honderdste verjaardag van Carroll werd uitgegeven in 1932, voor welke edities deze reproducties ook zijn gebruikt, en de reproductie van de illustraties voor Through the Looking Glass op zinkplaten.
  • Hoofdstuk 18 (‘Retrospect: looking with Alice’): hoe Alice reageert wanneer ze schrikt, dat illustraties soms vanuit het perspectief van Alice worden getoond en soms met haar erop, hoe graag ze de dingen in de Looking Glass-wereld wil bekijken, en hoe zowel zij als wij als lezer leren door te kijken.

Het is niet zinvol om het aantal pagina’s te tellen om te beoordelen hoeveel tekst er precies is toegevoegd, aangezien de pagina’s nu ook een andere lay-out hebben. De ‘notes’ (annotaties en referenties) zijn nu handig in de marges van de pagina’s geplaatst, zodat je niet steeds naar het eind van het boek hoeft te bladeren.

Is het boek de moeite waard om aan te schaffen?
Doordat er nieuwe hoofdstukken over het productieproces van de ‘Alice’-boeken zijn toegevoegd, bestaat Hanchers boek nu duidelijker uit twee delen en is meer nadruk op onderwerpen in het tweede deel komen te liggen:

  1. Hoofdstuk 1 t/m 10: een bespreking van Tenniels tekenstijl en waar de ‘Alice’-illustraties mogelijk op gebaseerd / geïnspireerd zijn
  2. Hoofdstuk 11 t/m 17: Over het verwerken van de illustraties in de gedrukte boeken (gebruikte technieken, plaatsing van de illustraties ten opzichte van de tekst, hoe de illustraties zijn aangepast tijdens het proces, inkleuren, en reproducties)

(Eigenlijk gaat hoofdstuk 16 niet geheel over inkleur-technieken, maar ook over kleurkeuze, dus deze past niet precies in de genoemde indeling.)
Hoofdstuk 18 past in geen enkele indeling. Mijns inziens had het geen hoofdstuk moeten zijn; het is meer een soort nawoord dat niet echt ergens op slaat. Het lukt Hancher niet om een duidelijk punt te maken in deze zes (!) pagina’s. Het voelt alsof hij het boek wilde eindigen met een filosofische gedachte, maar het daadwerkelijke resultaat is een onsamenhangend geheel van onderwerpen. Wat mij betreft had dit hoofdstuk beter weggelaten kunnen worden.
Wanneer er in het eerste deel theorieën worden gepresenteerd over wat Tenniel beïnvloed kan hebben, worden in het boek grondig verschillende standpunten (indien aanwezig) en argumenten voor en tegen besproken, voordat er een conclusie wordt getrokken. Een groot aantal afbeeldingen is in de teksten opgenomen om de ideeën te verduidelijken; niet alleen Tenniels illustraties maar ook het (vermeende) bronmateriaal. Dit zorgt voor geloofwaardigheid van de auteur en het is bovendien zeer informatief.

Vooral in het tweede gedeelte gaan sommige hoofdstukken nauwelijks meer specifiek over de Alice in Wonderland-boeken, maar wordt voornamelijk het algemene proces van ‘woodcutting’ of graveren uitgelegd. Dat vond ik persoonlijk niet zo erg, omdat ik het ook interessant vond om iets meer te weten te komen over het Victoriaanse publicatieproces. Maar het is goed om te weten dat niet alle (nieuwe) content specifiek op de ‘Alice’-boeken betrekking heeft.

Dus: moet je dit boek aanschaffen?
Als je de eerste editie nog niet bezit, zou ik zeggen: zeker weten! Het is een mooie toevoeging aan de bibliotheek van iedereen die meer wil weten over de achtergrond van de ‘Alice’-boeken.
Maar zelfs als je hem al hebt, heeft het meerwaarde om ook deze tweede editie aan te schaffen, vooral wanneer je interesse hebt in het druk- en publicatieproces van de Alice in Wonderland-afbeeldingen. En als dat niet het geval is, dan wil je waarschijnlijk nog steeds de bijgewerkte hoofdstukken lezen.

Lees verder