Categorie: It’s my own invention

De fotografie van Lewis Carroll en tijdgenoten, deel 1

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Afb. 1. Een ‘double-folding camera’ van Ottewill, 1853.

Afb. 2. Fotografische uitrusting, ca. 1855.

Afb. 3. The Deanery en omgeving, door Inga-Karin Eriksson, The Story of Alice, 1994.

Afb. 4. Woodward & Co, Gloucester, carte de visite ca. 1861, collectie H.S.

Afb. 5. Fotograaf en assistent op pad voor buitenopnamen, ca. 1865.

Afb. 6. Verplaatsbare “donkere kamer” voor buitenopnamen, ca. 1860.

Afb. 7. Appartement van Carroll op de hoek van Christ Church, 1868-1898.

Afb. 8. Ferrier et Soulier, Champs-Elysées, Paris, ca. 1864.

Afb. 9. Fotografische studio, 1863.

Afb. 10. Posing stand, ca. 1860.

Afb. 11. Ongecamoufleerde posing stand. Byl, Termonde, carte de visite ca.1861, collectie H.S.

Afb. 12. Een boek als ondersteuning. Harrison, Leeds, carte de viste ca. 1863, collectie H.S.

Afb. 13. Dry plates. Past and present, advertentie, ca. 1880.

Lewis Carroll of Charles Dodgson
De bovenstaande titel is eigenlijk niet juist. Het was niet Lewis Carroll, maar Charles Lutwidge Dodgson die, al vele jaren voor hij als Lewis Carroll de schrijver werd van Alice’s Adventures, een gedreven amateurfotograaf was. Ook na het verschijnen van Alice wenste hij buiten zijn auteurschap alleen als C.L. Dodgson aangeduid te worden. Toch heeft Edward Wakeling zijn catalogus met alle nog bekende foto’s van Dodgson, om publicitaire redenen The Photographs of Lewis Carroll, a catalogue raisonné [1] genoemd. Ik sluit me er maar bij aan en noem de fotograaf ook Lewis Carroll, met excuses aan Dodgson.
Edward Wakeling, wiskundige en oud-voorzitter van de Britse Lewis Carroll Society, besteedde vele jaren aan het catalogiseren, dateren en kort annoteren van de foto’s van Carroll. Het boek van meer dan 2 kilo en 322 bladzijden is nog steeds nieuw verkrijgbaar voor ongeveer € 130,-. Het is bedoeld als een wetenschappelijke catalogus en niet voor wie een kijkboek met foto’s van Carroll zoekt, want de afbeeldingen van de foto’s zijn alle maar maximaal 7,5 centimeter hoog en hebben een vrij grof raster. De originele foto’s zijn ongeveer dubbel zo groot. Carroll vervaardigde tussen 1856 en 1880 zo’n kleine 3000 foto’s, waarvan er minder dan 1000 bewaard zijn gebleven. In 1880 stopte hij met zijn fotografie.

De start van de fotografie van Carroll
Lewis Carroll was al jaren geïnteresseerd in fotografie, maar in 1856, toen hij net 24 jaar was, besloot hij om zelf te gaan fotograferen. Hij was geïnspireerd door wat hij had gezien bij zijn oom Skeffington Lutwidge en bij zijn vriend en collega van Christ Church, Reginald Southey. Deze heren beoefenden de amateurfotografie, een liefhebberij die alleen was weggelegd voor wie daarvoor de financiële middelen en de tijd bezat. Carroll was gefascineerd door het magische proces van de fotografie, waarbij beelden als bij tovenarij tevoorschijn kwamen. Op 18 maart 1856 reisde hij met Southey naar Londen, om daar bij de firma Thomas Ottewil & Co. een camera en toebehoren te bestellen. Alleen al de opvouwbare camera met lens kostte £ 15,- (afb. 1). Dat was een grote uitgave voor de jonge, pas benoemde docent, temeer daar voor het beoefenen van de liefhebberij ook nog vele accessoires en chemicaliën nodig waren (afb. 2). Een jaar later beschrijft hij die opvouwbare camera in zijn parodistische gedicht Hiawatha’s Photographing [2] .

Een historische ontmoeting
Na zijn bestelling, maar nog voor de aankomst daarvan op 1 mei 1856, ging Carroll met Southey enkele keren naar buiten om te oefenen met diens camera. Op 25 april gingen zij naar de tuin achter de Deanery (afb. 3), met de bedoeling om foto’s te maken van de kathedraal [3] bij Christ Church College, maar de opnamen mislukten. “The three little girls were in the garden most of the time, and we became excellent friends” schreef hij diezelfde dag in zijn dagboek. Het waren de drie dochters van de Dean van Christ Church College, Henry George Liddell. De familie Liddell, die toen vier kinderen telde (later meer), was pas enkele maanden eerder verhuisd naar Christ Church. Carroll had al wel kennis gemaakt met Lorina (Ina) die bijna zeven jaar oud was en haar oudere broer Harry. Nu ontmoette hij ook de driejarige Alice en de tweejarige Edith. Alice zou negen dagen later vier jaar worden. De kinderen waren blijkbaar wel nieuwsgierig naar de mannen met hun wonderbaarlijke apparatuur en drentelden om hen heen. Southey en hij probeerden het groepje te fotograferen met de kathedraal op de achtergrond, maar dit lukte niet.”They were not patient sitters”, schreef Carroll. Gezien hun leeftijd van zes, drie en twee jaar was dat ook niet verwonderlijk.

Het wet plate collodion process
Carroll beoefende, net als zijn vriend en zijn oom, het nieuwe wet plate collodion process, in Nederland bekend als het natte plaat (collodium) procedé (de benamingen variëren). Voor de fotografische voorlopers van dit procedé, zie noot [4]. Bij het natte plaat procedé werd eerst een negatief op glas gemaakt, waarvan dan later positieve afdrukken op papier konden worden gemaakt. Zie noot [5] voor de scheikundige beschrijving van dit procedé. Vanaf halverwege de jaren vijftig begon deze techniek door te breken en na 1860 verdrong het de andere fotografische technieken. Het natte plaat procedé werd enorm populair, in het bijzonder in de commerciële fotografie. Het aantal fotografische ateliers groeide explosief. Iedereen die er de financiën voor had, wilde zich in die jaren laten fotograferen. Dit werd nog bevorderd door het idee van de fotograaf André Disdéri in Parijs, om kleine afdrukken te gaan maken, op karton gelijmd, die men bij wijze van visitekaartje kon weggeven of versturen aan familie en vrienden. Deze kleine afdrukken werden daarom cartes de visite genoemd (afb. 4). Ze hadden ook die grootte, namelijk inclusief karton ca. 6,5 x ca.10,5 cm. Andere beroepsfotografen namen dit idee over en zo werd de carte de visite vanaf eind jaren vijftig internationaal het meest gebruikte formaat voor portretfoto’s. Toch was het nog steeds alleen de gegoede burgerij die het zich kon veroorloven om foto’s te laten maken. Dat is ook nu nog te zien aan de vaak exclusieve mode.

De lange weg van glasplaat naar foto
De magie van het natte plaat procedé fascineerde Carroll. De glasplaat waarop de afdruk in negatief moest komen, moest ter plaatse geprepareerd worden, want de opname moest binnen enkele minuten daarna gemaakt worden. Collodium, een stroperige vloeistof, moest daarbij gelijkmatig over een goed gereinigde glasplaat verdeeld worden. Dit vereiste veel handigheid. Als de glasplaat niet schoon genoeg was of als er vuiltjes of vingers op kwamen, zag men die onvolkomenheden later terug op de foto. Vervolgens moest de plaat in de donkere kamer lichtgevoelig gemaakt worden met zilvernitraat en in een lichtdicht houten frame worden overgebracht naar de camera. Het frame werd in de camera geschoven en dan geopend. De kap moest dan nog op de lens blijven zitten. Daarna kon de fotograaf zijn instructies geven. Afhankelijk van het beschikbare licht haalde hij enige momenten of seconden de kap van de lens om de plaat te belichten. Belichtingsmeters waren er nog niet. De fotograaf moest afgaan op zijn ervaring om de belichtingstijd te bepalen en moest de secondewijzer van zijn horloge in de gaten houden. Vervolgens moest de plaat, opnieuw in het lichtdichte frame, teruggebracht worden naar een donkere kamer om ontwikkeld te worden. Het ontwikkelen moest onmiddellijk na de opname plaatsvinden. Als de plaat ging opdrogen, was het te laat. Na het ontwikkelen moest de plaat gespoeld en gefixeerd worden. Al met al was de fotograaf dan al zeker een minuut of twintig bezig om één foto te maken. Het spiegelbeeldige negatief op de glasplaat moest daarna nog worden voorzien van een beschermende vernis. Op een later moment kon de foto op papier worden overgenomen. Met behulp van zonlicht werd daarvoor vanaf de glasplaat een positieve, niet-spiegelbeeldige afdruk op dun, geprepareerd fotopapier gemaakt. Tenslotte werd die afdruk nog op karton gelijmd voor de stevigheid. Bijna 15 jaar voor The Looking Glass hield Carroll zich al bezig met spiegelbeeldige voorstellingen.

De fotografische uitrusting
Wie niet beschikte over een studio en op weg wilde gaan naar objecten of personen die hij wilde gaan fotograferen, kon er niet mee volstaan alleen zijn camera mee te nemen. Er was een enorme uitrusting voor nodig om te kunnen fotograferen. Behalve de camera, was er o.a. een statief nodig, glasplaten, manden vol flesjes met chemicaliën, een reservoir met water en een reservoir om de afgewerkte chemicaliën in op te vangen (afb. 5). Bovendien moest een kleine ‘donkere kamer’ meegenomen worden. Die bestond meestal uit een klein tentje met lichtdicht canvas, staande op een tweede statief (afb. 6). Dit alles moest op een karretje worden meegenomen. Bij het vervoer was een assistent of sjouwer gewenst.
Carroll beschikte vanaf 1863 over een eigen studio in een gebouwtje in een tuin tegenover Christ Church. Hij huurde daar enkele ruimtes van een meubelhandelaar. In 1868 verhuisde hij zelf naar het nieuwe, grote appartement op de noordwestelijke hoek van Christ Church aan St. Aldate’s, waar hij tot zijn overlijden zou blijven wonen (afb. 7). Daar zag hij meteen de mogelijkheid om op het platte dak, niet zichtbaar vanaf de straat of vanaf het grote plein van Christ Church (Tom Quad), een kleine houten studio met glazen dak te bouwen. Er was al een trap naar het dak en halverwege die trap bevond zich een grote kast waar hij een donkere kamer in kon maken. Hij kreeg toestemming voor de opbouw en in 1872 werd deze Rooftop Studio gerealiseerd met twee ruimten, een kleedkamertje en een ruimte voor de fotografie zelf. Het geheel werd tussen twee grote schoorstenen in gebouwd. De studio bleef ook nog staan nadat Carroll in 1880 was gestopt met fotograferen en werd pas na zijn dood in 1898 afgebroken.

Belichtingstijd
Wie zoals Lewis Carroll de fotografie als exclusieve liefhebberij beoefende, besliste zelf onder welke weersomstandigheden de foto’s gemaakt zouden worden. Als een foto mislukt was, of niet het gewenste resultaat opleverde, maakte de amateurfotograaf simpelweg een nieuwe opname. Voor de commerciële portretfotografen lag dat anders. Er moest het hele jaar brood op de plank zijn, ook in de winter als er minder licht beschikbaar was. Hier kom ik toe aan een bekende mythe over de natte plaat fotografie. De mythe luidt dat deze fotografie altijd zeer lange belichtingstijden vereiste. In moderne literatuur wordt soms zelfs gesproken van tijden tot een minuut. Dit is geheel onjuist. Al vanaf rond 1860 werden straattaferelen vervaardigd (meestal voor z.g. stereo-opnamen), waarop geen vage beelden te zien zijn. Wagens met paarden ervoor en lopende mensen zijn scherp in beeld gebracht (afb. 8). Dit kon natuurlijk alleen als de belichtingstijd niet meer dan een fractie van een seconde was. Daarvoor was wel helder zonlicht nodig, een camera met een zeer lichtgevoelige lens en op die lens (of twee lenzen naast elkaar bij stereofotografie) een handig mechanisch schuifje met elastiek, waarmee een opname van een kwart seconde gemaakt kon worden. Bekende drukke straattaferelen  werden o.a. gemaakt door G.W. Wilson in Edinburgh en Ferrier et Soulier in Parijs.

Beroepsfotografen
Ook Carroll fotografeerde bij vrij veel licht en een vrij korte belichtingstijd. Dat hield een risico in. Om te belichten moest hij de kap verwijderen en weer terugplaatsen. Het vereiste kundigheid en ervaring om de belichting precies juist te laten zijn. De plaat was snel overbelicht, onderbelicht, of bewogen. Carroll maakte dan ook nogal eens gewag van mislukte foto’s. Dat er niet meer dan ongeveer 1/3 van zijn fotografie resteert, hangt daar mede mee samen. Mislukkingen ontmoedigden hem niet. Hij kon het zich ook financieel veroorloven. Dat lag anders bij de beroepsfotografen: die konden zich geen missers permitteren. Aan elke klant moest geld verdiend worden. Ter voorkoming van mislukkingen lieten de commerciële portretfotografen de belichtingstijd daarom juist niet heel kort zijn. De ateliers hadden glazen daken (als in een kas) met gordijnen die voor die ruiten waren gespannen. Bij helder zonlicht in de zomer werden die gordijnen deels gesloten en bij weinig licht in de winter geopend (afb. 9). Beroepsfotografen hielden belichtingstijden aan van pakweg vijf tot twintig seconden, afhankelijk van de beschikbare of gewenste hoeveelheid licht. Er waren tot het eind van de eeuw nog geen belichtingsmeters en de fotograaf moest dus afgaan op ervaring en gevoel. Een iets langere belichtingstijd gaf minder kans op mislukkingen. Bij gedempt licht kon de belichtingstijd gerust een seconde meer of minder zijn, terwijl dit in helder zonlicht het verschil maakte tussen slagen of mislukken. Er waren maar weinig beroepsfotografen die met het natte plaat procedé een foto durfden te maken in de volle zon en met een zeer korte belichtingstijd. Die foto’s haal je er wel meteen tussenuit: ze hebben sterkere contrasten en laten bij het model een heldere en spontane blik zien.

Photographic posing stand
Een nadeel bij een langere belichtingstijd was dat de te fotograferen persoon langer onbeweeglijk moest blijven staan of zitten. Dat was voor volwassenen al moeilijk, maar nog meer voor kinderen. Daarom werd zo goed als altijd, ook bij zittende modellen, een posing stand gebruikt (een hoofd- en rugsteun). Op de houten of metalen voet van een standaard was een verticale stalen stang gemonteerd waaraan horizontaal één of twee verstelbare stalen steunen bevestigd waren: één om aan de achterzijde onder het hoofd te plaatsen en vaak ook nog een steun voor achter in de taille (afb. 10). Het spreekt vanzelf dat vooral kinderen die metalen steunen onaangenaam vonden en letterlijk als beklemmend ervoeren. De fotograaf moest daarom eerst zijn modellen op hun gemak stellen en kon daarna pas de opstelling gaan arrangeren. Toch werd deze posing stand door de beroepsfotografen tot halverwege de jaren tachtig bij zo goed als alle kinderfoto’s gebruikt. Afbeelding 3 betreft een foto die met veel zonlicht en een korte belichtingstijd is genomen. Desondanks is ook hier de posing stand gebruikt.

Misschien geldt hetzelfde voor de foto’s van volwassenen, maar dat is moeilijker te beoordelen, omdat de standaard daarbij eenvoudiger kon worden gecamoufleerd. De fotografen gebruikten tal van trucs om het gebruik van de standaard te verhullen: onder een gedrapeerd kleed of gordijn, achter een houten schot, achter een meubelstuk of namaakbalustrade, of in de schaduw van japonnen. Soms werd de standaard door middel van stipjes of streepjes op de glasplaat gemaskeerd. Een enkele fotograaf liet de standaard gewoon zichtbaar, wat vaak nog het minst storend is (afb. 11). Armen en handen werden vaak ondersteund door meubelstukken of balustrades. Op een tafel werd soms een stapeltje boeken neergelegd voor de ondersteuning van een arm of hand; de hoogte van het stapeltje kon worden aangepast aan de vereiste hoogte (afb. 12). Als er tijdens de belichting te vaak met de ogen werd geknipperd, kon dat op de foto het effect geven van egaal grijze ogen. Deze werden dan soms (lelijk) met inkt op de foto geretoucheerd.

De mythe van het staande lijk
Hier kom ik toe aan een tweede mythe over de fotografie van de negentiende eeuw. Op internet verspreidde zich na 2000 de mythe dat de posing stand uitsluitend was bedoeld voor post mortem fotografie. Het werd zelfs een ‘post mortem standing device’ genoemd. De morbide Victorianen zouden dergelijke lugubere doodsportretten heel normaal gevonden hebben. De fotografen zouden in die tijd ware meesters zijn geweest in het rechtop plaatsen van lijken “alsof ze nog leefden”. Men zou dit vooral bij kinderen hebben gedaan omdat er anders geen enkele afbeelding van hen zouden achterblijven. Aan de posing stands en aan de glazige blik van kinderen of aan hun verkrampte houding kon je echter zien dat ze in werkelijkheid dood waren. De dode “kunstmatig opengesperde” ogen moesten daarom geretoucheerd worden.

Het voorgaande is natuurlijk een lekker griezelige urban legend die mensen graag willen geloven en als ingewijde kunnen doorvertellen. Hoe strijdig met alle natuurkundige wetten een rechtopstaand lijk ook is, er bestaan nog steeds vele mensen die opeens op internet een ‘post mortem’ foto bespeuren, nadat ze met hun grote opmerkingsgave een stukje van de voet van een posing stand hebben ontdekt. Zelfs de Nederlandse psycholoog en hoogleraar Douwe Draaisma deed er vol vuur aan mee in zijn “Vergeetboek” [6]. Hij liet in een vele pagina’s durend betoog over die merkwaardige post mortem fotografie o.a. een foto zien van een springlevend, maar volgens hem staand dood jongetje, dat overeind werd gehouden door een “zware ijzeren staaf” en o.a. “ijzerdraad in zijn mouw”. Hij schreef: “Je kunt niet geloven dat dit jongetje dood is.” Toch geloofde hij het zelf wel, gemakshalve uitsluitend afgaand op het bijschrift op internet. Als het erbij staat is het waar, moet hij gedacht hebben.

Droge plaat procedé
Het gecompliceerde wet plate collodion process werd aanzienlijk vergemakkelijkt aan het eind van de jaren zeventig. Al in 1871 had de arts en amateurfotograaf Richard Leach Maddox het dry plate process of gelatin process uitgevonden. Zie noot [7] voor de scheikundige beschrijving van het proces. Deze platen konden in geprepareerde vorm in lichtdichte verpakking worden bewaard en ze waren klaar voor gebruik. Na belichting behoefden ze ook niet onmiddellijk te worden ontwikkeld; ze konden nog enige tijd in het donker worden bewaard. Vanaf 1878 werden deze droge platen gefabriceerd en in de handel gebracht. Eindelijk ontstond de mogelijkheid voor fotografen om op stap te gaan zonder een tentje als ‘donkere kamer’, zonder manden vol chemicaliën en zonder de ongezonde dampen die het wet plate collodion process procedé met zich meebracht (afb. 13). De belichtingstijd werd er ook nog mee verkort.
Lewis Carroll moet dit geweten hebben. Men zou verwachten dat dit hem allerlei nieuwe mogelijkheden gaf, want aan het eind van de jaren zeventig fotografeerde hij nog steeds regelmatig. Hij hield echter, misschien uit nostalgie, vast aan het moeizame natte plaat procedé. Daarmee lijkt in strijd dat hij in een brief in 1881 suggereerde dat hij was gestopt omdat het een “very tiring amusement” was en hij bij een beroepsfotograaf net zo goed, of beter, foto’s kon laten maken [8]. Mogelijk vond hij dat met de komst van de droge plaat de magie van de fotografie deels verloren ging. Zijn laatste foto maakte hij in augustus 1880.

De betekenis van Carroll als fotograaf
Het is bijna vanzelfsprekend dat Carroll de posing stand niet gebruikte [9] en daarmee week hij al in belangrijke mate af van de professionele portretfotografen. Carroll fotografeerde met relatief veel licht en een korte belichtingstijd. Dit kwam de spontaniteit van zijn opnamen zeker ten goede.
De meeste foto’s die hij van volwassenen maakte, wijken echter in resultaat niet veel af van die van de beroepsfotografen. Bijna alle volwassenen zijn plechtig en voornaam afgebeeld, zoals op de schilderstukken die aan de fotografie vooraf gingen. Er zijn maar enkele uitzonderingen. In The Photography of Hiawatha bespot hij mensen die zich deftig en op hun voordeligst willen laten fotograferen, maar in de praktijk lijkt hij toch rekening gehouden te hebben met hun wensen.
Zijn foto’s van kinderen zijn geheel anders. Hij beeldt ze spelend of rustend, in hun dagelijkse kleding of juist verkleed, kalm of levendig, maar steeds zonder ijdelheid af. Zijn arrangementen zijn vaak origineel. Die foto’s zijn zeker anders dan de gebruikelijke kinderfotografie van beroepsfotografen. Of die foto’s daarmee ook alle kunstzinnig zijn, is een andere vraag. In een volgende aflevering wil ik nader ingaan op de betekenis van Carroll als fotograaf in vergelijking tot zijn collegae.

Noten

[1] Edward Wakeling, The Photographs of Lewis Carroll (Austin: University of Texas Press, 2015).

[2] Lewis Carroll, “Hiawatha’s Photographing” in The Train, volume IV, july-december 1857, 332-335.

[3] Christ Church Cathedral, aan de achterzijde tegen Christ Church College gebouwd, doet ook nu nog dienst als de zetel van de bisschop van Oxford en tevens als de kapel van Christ Church College. De tuin van de Deanery is daar vrijwel naast.

[4] De voorlopers van het natte plaat procedé

Tot in de jaren 1850 werden tal van fotografische technieken toegepast die alle eindigden op –typie. Veel van deze technieken raakten al gauw in de vergetelheid, maar drie methodes bleven in de jaren vijftig overeind. Ze hadden echter alle drie hun nadelen. De daguerreotypie werd al vanaf ca. 1840 toegepast. Er kon maar één afdruk mee worden gemaakt die ook nog in spiegelbeeld was. Het resultaat kwam op een verzilverd koperen plaatje te staan, dat vanwege de glans in verschillende standen moest worden gehouden om het goed te kunnen bekijken. Met de calotypie of talbotypie van Henry Fox Talbot werd eerst een negatief op papier gemaakt, waarvan vervolgens meerdere afdrukken op papier kon worden gemaakt. Door de papierstructuur van het negatief waren de afdrukken echter vrij vaag, waardoor de calotypie minder succes had dan men zou verwachten. Frederick Scott Archer vond al in 1851 het collodiumprocedé uit en bedacht vervolgens daarmee de ambrotypie. Hierbij werd één negatieve afdruk gemaakt op een dun glazen plaatje. Het negatief werd zwart gelakt en het plaatje werd achterstevoren gedraaid, waardoor de afdruk als positief en niet meer in spiegelbeeld werd ervaren. Vanaf halverwege de jaren vijftig werd het wet plate collodion process toegepast, een combinatie van het collodium uit de ambrotypie en het negatief van de calotypie. Daarnaast bleef nog tot in de twintigste eeuw de ferrotypie bestaan, waarmee binnen enkele minuten een éénmalige afdruk op zwart gelakt metaal kon worden gemaakt, een z.g. tintype. Deze goedkope collodium methode bleef nog bestaan dankzij rondreizende fotografen die zich onder andere op kermissen presenteerden.

[5] Scheikundige beschrijving van het natte plaat procedé

De collodium die over de glasplaat werd gegoten, bestond uit het uiterst brandbare cellulosenitraat (schietkatoen) met toevoeging van kaliumjodide, opgelost in ethanol en di-ethylether. Als de ether bijna verdampt was, werd de plaat – in het donker – lichtgevoelig gemaakt in een bad met zilvernitraat. Na de belichting in de camera moest de glasplaat onmiddellijk, opnieuw in het donker, met ferrosulfaat of pyrogallisch zuur worden ontwikkeld. Vervolgens moest de glasplaat worden gefixeerd in het zeer giftige kaliumcyanide (cyaankali) of in natriumthiosulfaat (natriumhyposulfiet) en daarna afgespoeld met water. De afdruk werd gemaakt vanaf de glasplaat (het negatief), waarop in het donker dun papier werd gelegd dat bestreken was met een zoutoplossing, albumine uit kippenei-eiwit (voor de glans) en zilvernitraat, zodat het lichtgevoelige zilverchloride werd gevormd. De belichting, met omdraaiing van het spiegelbeeld en met verandering van negatief- naar positief beeld, vond plaats met behulp van zonlicht. Daarna moest ook het fotopapier weer gefixeerd, gespoeld en gedroogd worden en tenslotte verlijmd op karton.

[6] Douwe Draaisma, Vergeetboek (Groningen: Historische Uitgeverij, 2010), speciaal blz. 213 t/m 217.

[7] Scheikundige beschrijving van het droge plaatprocedé

Richard Leach Maddox vond het dry plate process of gelatin process uit, maar het duurde nog een jaar of zeven voor deze droge platen werden gefabriceerd. Hij ontdekte dat een emulsie van zilverbromide kon worden gevormd door cadmiumbromide en zilvernitraat te mengen in een verwarmde gelatineoplossing. Glazen platen die hiermee werden bestreken konden dienst doen als gevoelige plaat en konden bovendien in het donker gedroogd en bewaard worden zonder aan gevoeligheid in te boeten.

[8] Brief van Lewis Carroll, gedateerd 8 december 1881, aan Gertrude Hunt, een vrouw van wie hij eerder verkleedkleren had geleend, zoals geciteerd in Edward Wakeling, The Photographs of Lewis Carroll, blz. 9. “It is a very tiring amusement, and anything which can be equally well, or better, done in a professional studio for a few shillings I would always rather have so done than go through the labour myself.”

[9] Op de eerste foto in de catalogus van Wakeling, IN-0015, lijkt achter de stoel de houten voet van een posing stand te staan, maar zonder verticale opbouw. Op IN-0016 zou die opbouw wel gemonteerd en gebruikt kunnen zijn. Misschien is dit een attribuut van Southey. In ieder geval wordt de posing stand verder niet meer aangetroffen in de fotografie van Carroll.

Has Seulijn is verzamelaar van fotografie tussen 1855 en 1915, met de specialisatie kinderportretten op cartes de visite.

Lees verder

De logicus Lewis Carroll in de context van zijn tijd: de ontwikkeling van de symbolische logica

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Inleiding[1]

In mijn eerste artikel over de logica van Lewis Carroll[2] heb ik laten zien dat hij zijn logische werken weliswaar relatief laat in zijn leven heeft geschreven, maar dat er vele aanwijzingen zijn dat hij reeds veel eerder in zijn leven belangstelling voor logica had. Hij was daarbij sterk overtuigd van het maatschappelijk nut van de logica. Zijn logische werken zijn dan ook bedoeld voor een breed publiek; hij probeert het onderwerp zoveel mogelijk te populariseren.
Om te kunnen begrijpen welke bijdrage Lewis Carroll aan het vak logica heeft geleverd, is het noodzakelijk enige kennis te hebben van de stand van het vak logica ten tijde van Lewis Carroll: met welke problemen hield men zich bezig en welke oplossingsrichtingen had men voor ogen?
Daarover gaat dit artikel. In de daarop volgende artikelen zal ik nader ingaan op de specifieke eigen bijdragen van Lewis Carroll.

Aristoteles, grondlegger van de logica (4e eeuw v.Chr.)

Traditionele logica

Logica is de studie van methodes en principes die worden gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen correcte en niet-correcte redeneringen. Het gaat daarbij om de vorm van de redeneringen, zonder te letten op de inhoud van de afzonderlijke uitspraken van de redenering. We spreken dan ook wel van ‘formele logica’.
Logica als vak is ontstaan in de Griekse oudheid. Bij de filosofen Parmenides (6e eeuw v. Chr.) en zijn leerling Zeno (5e eeuw v. Chr.) zien we als eersten een bewuste toepassing argumentatie-regels, in het bijzonder het bewijs uit het ongerijmde.[3] Ze maakten deze regels echter niet expliciet en maakten er zeker geen studie van.
De eerste die expliciet een systeem voor redeneringen ontwierp was Aristoteles (4e eeuw v. Chr); hij wordt dan ook beschouwd als de grondlegger van het vak logica.

Het gaat bij redeneringen om het trekken van een conclusie uit premissen, veronderstellingen. Sinds Aristoteles hebben logici geprobeerd regels te formuleren die ervoor zorgen dat alleen geldige conclusies worden getrokken uit premissen. De door Aristoteles ontworpen regels voor redeneren worden ‘syllogismen’ genoemd.
Aristoteles’ systeem van syllogismen bleef tot ver in de 19e eeuw bepalend voor de ontwikkeling van de logica  het is daarom onvermijdelijk er enigszins in detail op in te gaan.

Een syllogisme is een verzameling van drie uitspraken: de eerste twee zijn de premissen (veronderstellingen)  en de derde is de conclusie, waarbij de conclusie noodzakelijkerwijs volgt uit de premissen.
Een voorbeeld:

Premisse 1 Alle politici zijn mensen
Premisse 2 Alle mensen zijn sterfelijk
Conclusie Daarom zijn alle politici sterfelijk

Van de Griekse meetkunde nam Aristoteles het gebruik van letters (bijvoorbeeld X, Y, Z) over op de plekken waar men termen kan invullen. In ons voorbeeld levert dit het volgende resultaat:

Premisse 1 Alle X zijn Y
Premisse 2 Alle Y zijn Z
Conclusie Alle X zijn Z

Van belang daarbij was dat de geldigheid van de redenering niet afhangt van de termen die voor de letters worden ingevuld.
De door Aristoteles bestudeerde redeneringen noemen we ‘categorische syllogismen’: omdat ze bestaan uit categorische uitspraken. Categorische uitspraken zijn uitspraken over verzamelingen; een verzameling is een groep van alle dingen met een gemeenschappelijk kenmerk. In een categorische uitspraak wordt beweerd of ontkend dat een bepaalde verzameling deel uitmaakt van een andere verzameling, in zijn geheel of gedeeltelijk.
In ons voorbeeld is sprake van drie verzamelingen: de verzameling van politici, de verzameling van mensen en de verzameling van alle dingen die sterfelijk zijn.

Er zijn vier standaardvormen voor categorische uitspraken en hieronder staan enkele voorbeelden per vorm. Het is gebruikelijk om de letters A, E, I, en O te hanteren voor de standaardvormen van de categorische uitspraken.

Algemeen bevestigend (A): – ieder ding X is een ding Y
– de eigenschap Y komt aan ieder ding X toe
– alle X zijn Y
Algemeen ontkennend (B): – geen ding X is een ding Y
– de eigenschap Y komt niet toe aan een ding X
geen X is Y
Particulier bevestigend (I): – sommige dingen X hebben eigenschap Y
– sommige X zijn Y
Particulier ontkennend (O): – een ding X heeft eigenschap Y niet
– het ene of andere ding X heeft eigenschap Y niet
– sommige X zijn niet Y

Iedere uitspraak heeft een subject en een predicaat, dat al of niet aan het subject wordt toegekend. In de uitspraak, bijvoorbeeld,  ‘Alle mensen zijn sterfelijk’ is ‘mensen’ het subject en ‘sterfelijk’ het predicaat.

Samen bevatten de drie uitspraken van een syllogisme drie termen, waarvan elke term voorkomt in twee van de uitspraken. Eén van de termen komt niet voor in de conclusie; deze noemen we de middenterm. De middenterm wordt a.h.w. geëlimineerd.
In de redenering volgende redenering is ‘mensen’ de middenterm:

Premisse 1 Alle politici zijn mensen
Premisse 2 Alle mensen zijn sterfelijk
Conclusie Daarom zijn alle politici sterfelijk

Het is eenvoudig om de vorm of structuur van een gegeven syllogisme te herkennen als combinatie van de verschillende soorten categorische uitspraken (A, E, I. O). Hoewel er oneindig veel syllogismen zijn, is het aantal mogelijke structuren eindig, namelijk 256.
Het is de taak van de logicus om de geldige structuren te selecteren, d.w.z. degenen waarbij de conclusie noodzakelijkerwijs volgt uit de premissen.
Een voorbeeld: als M, S en P de gegeven termen zijn, dan zijn syllogismen met structuur (1) geldig en (2) niet:

(1) Geen M is P Voorbeeld: Geen mens kan vliegen
Alle S zijn M Alle politici zijn mensen
dus geen S is P Dus geen politicus kan vliegen
(2) Geen M is P Voorbeeld: Geen mens kan vliegen
Geen S is M Geen vogel is een mens
dus geen S is P Dus geen vogel kan vliegen

Hierbij wordt ook duidelijk hoe je kunt aantonen dat een redenering ongeldig is, namelijk door het geven van een tegenvoorbeeld. Een redenering is dan en slechts dan geldig als er geen tegenvoorbeeld bestaat.
Van alle mogelijke structuren, beschouwen logici traditioneel 24 vormen als geldig.

Behalve de leer van de syllogismen danken we aan Aristoteles ook de drie hoofdwetten van de logica. Dit zijn:

  • Het principe van identiteit
    ‘Een ding S is een ding S
    Voorbeeld: ‘Een mens is een mens’.
  • Het principe van contradictie
    ‘Er is geen ding waarop zowel P als niet-P van toepassing is’
    Voorbeeld: ‘Er is geen mens die zowel Griek als niet-Griek is’
  • Het principe van het uitgesloten derde
    ‘Op ieder ding is P of niet-P van toepassing’
    Voorbeeld: ‘Ieder mens is Griek of niet-Griek’.

Aristoteles’ leer van syllogismen werd in de eeuwen na hem verder uitgewerkt. Een probleem daarbij bleef dat veel geldige redeneringen niet kunnen worden geformuleerd met behulp van Aristoteles’ logica. Bijvoorbeeld redeneringen waarin sprake is van (logische) relaties:

Bernhard is de vader van Bea

Bea is de moeder van Willem

De vader van de moeder is de grootvader van moeders kant

Dus Bernhard is grootvader van moeders kant van Willem

Niettemin hielden logici eeuwenlang vol dat alle geldige redeneringen tot de vorm van syllogismen konden worden herleid.

Augustus De Morgan (1806-1871)

George Boole (1815-1864)

Een Venn-diagram

Symbolische logica

De Aristotelische logica was dominant in Groot-Brittanië tot diep in de 19e eeuw en de vorm van het syllogisme bleef het uitgangspunt van correct redeneren. Ze werd nog altijd onderwezen aan studenten, met name in Oxford, maar meer als verplicht nummer dan dat het ook daadwerkelijk tot begrip en kennis bij de studenten leidde.

De kritiek op de syllogistische logica als hulpmiddel bij nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen nam echter toe. Die kritiek bouwde voort op Francis op Bacon’s Novum Organon (1620) en bepleitte een bredere opvatting van logica waarbij veel waarde werd toegekend aan inductie, d.w.z. het generaliseren op basis van een aantal specifieke waarnemingen. De traditionele formele logica ging uit van deductie waarbij de conclusie onontkoombaar volgt uit een aantal gegeven premissen.

In 1826 zorgde John Whately voor een opleving van de syllogistische logica. In zijn werk Elements of Logic verdedigde hij het nut van de traditionele logica en zette hij zich af tegen de bredere visie van logica als instrument voor wetenschappelijke ontdekkingen.
Het was vooral bedoeld als leerboek voor studenten en de praktische toepasbaarheid maakte de studie van logica aantrekkelijker dan tevoren.[4]

Een doorbraak naar een bredere logische structuur dan de logica van Aristoteles vond plaats in het jaar 1847. Deze doorbraak was niet afkomstig van filosofen, maar van twee wiskundigen. In het jaar 1847 werden twee boeken gepubliceerd:

  • George Boole’s The Mathematical Analysis of Logic,
  • Augustus De Morgan’s Formal Logic.

Boole en De Morgan verwierpen de claim dat alle geldige redeneringen kunnen worden herleid tot de vorm van een syllogisme.
Hun werken vormden het begin van een traditie in de logica die intensief gebruik maakt van symbolen: de symbolische logica. Werden symbolen tot dan toe alleen maar gebruikt om verzamelingen aan te geven, de symbolische logica gebruikte ook symbolen voor bewerkingen van deze verzamelingen.

Het belangrijkste verschil met de traditionele logica was het volgende.
In Aristoteles’ logica werden alle redeneringen herleid tot de vorm van een syllogisme.
En in een syllogisme wordt een conclusie afgeleid uit twee premissen, waarbij de zgn. middenterm wordt geëlimineerd. Traditioneel zag men daarbij vooral als doel: het checken of de redenering in kwestie juist is.
Bij de symbolische logici ging het echter niet om het checken van een gegeven conclusie, maar om het zoeken van een conclusie uit een gegeven aantal premissen. De centrale vraag was dan welke informatie de premissen gezamenlijk bevatten over één of meer van de termen.
Van belang hierbij was dat men, dankzij het gebruik van symbolen, zich niet langer hoefde te beperken tot redeneringen die slechts drie uitspraken bevatten; ook konden in de afzonderlijke uitspraken meer dan twee termen voorkomen. Een dergelijke complexe redenering, een soort meervoudig syllogisme, wordt een ‘sorites’ genoemd.
Ook bij een sorites was nog steeds sprake van categorische uitspraken over verzamelingen en ook hierbij moesten ‘middentermen’ worden geëlimineerd. In feite zien we dus een complexe variant van het traditionele eliminatie-probleem. En zo sprak men over the problem of elimination als het fundamentele probleem van de logica.

Een sorites hoefde niet meer te worden herleid tot de traditionele syllogismen: het eliminatieproces kon op een gehele sorites worden losgelaten. Globaal zag dat proces er als volgt uit:

  1. vertaal de premissen van de natuurlijke taal naar een formele taal;
  2. laat daar een procedé met bewerkingen op los om de conclusie die zij bevatten te ‘berekenen’;
  3. vertaal de formele conclusie terug in de natuurlijke taal om de concrete oplossing van het probleem te krijgen.

De crux van het eliminatieproces zat natuurlijk in stap 2. Er ontstond onder de logici een soort competitie wie de beste notatie had en, daaraan gekoppeld, de beste methode om het eliminatieprobleem op te lossen. Velen van hen vonden eigen algebraïsche notaties uit en sommigen introduceerden diagrammen of  construeerden logische machines, echt en denkbeeldig, in hun pogingen om logische redeneringen zoveel mogelijk te mechaniseren.

Hieronder geef ik een indruk te geven van de door Boole gebruikte ‘algebraïsche’ formuleringen[5]. Eerst de gebruikte symbolen:

1: het universum, de meest omvattende verzameling, waarvan elke andere verzameling een deelverzameling is
0: een lege verzameling
x: de verzameling van X-en, d.w.z. alle dingen met kenmerk X
1-x: verzameling niet-X (ofwel het universum minus de verzameling van alle dingen met kenmerk X)
v staat voor ‘sommige’: vx staat dus voor ‘sommige dingen met kenmerk X
staat voor: ‘is niet gelijk aan’

Met behulp van deze notatie gaf Boole de vier standaardvormen van categorische uitspraken als volgt weer.

A-vorm Alle X zijn Y x(1-y) = 0 x = xy
E-vorm Geen X is Y xy = 0
I-vorm Sommige X zijn Y xy ≠ 0 v = xy
O-vorm Sommige X zijn niet Y x(1-y) ≠ 0 v = x(1-y)

Zoals vele tijdgenoten introduceerde ook Lewis Carroll diverse nieuwe notaties, waaronder zijn zgn. subscript-notatie waarmee hij in Symbolic Logic, Part I het eliminatie-probleem aanpakte. Geen van zijn notaties vond navolging bij andere logici.

De wiskundige en logicus John Venn is ook tegenwoordig nog bekend vanwege zijn diagrammen; ze worden gebruikt om problemen op te lossen die de vorm van een syllogisme hebben. Ook Lewis Carroll ontwierp diagrammen die tot op heden nog voorkomen in leerboeken.
Lewis Carroll bedacht ook de Method of Trees, om met behulp van de combinatie van zijn symbolische notatie en een visuele methode logische vraagstukken op te lossen. In mijn volgende artikelen zal ik afzonderlijk ingaan op Carrolls diagrammen en zijn Method of Trees.

William Stanley Jevons construeerde in 1869 zelfs een logische machine: de logical abacus, een sorteermechanisme dat kan worden gezien als een primitieve vorm van een ponskaartmachine. Jevons zelf zag er weinig praktisch nut in; hij zag de waarde vooral in het onderwijs om de aard van logische analyses toe te lichten. Allan Marquand ontwierp in 1880/1881 een logische machine die een aanzienlijke verbetering was ten opzichte van die van Jevons.[6]

Carroll was op de hoogte van het werk van Venn en correspondeerde ook met hem. Zijn werk bevat ook verwijzingen naar Boole, De Morgan en Jevons.[7]

De logische machine van Marquand

Weerstand

In de tweede helft van de 19e eeuw nam de rol van de Booleaanse algebraïsche logica geleidelijk toe in het onderwijs en onderzoek in de logica. Maar onder filosofen overheerste de opvatting dat de Aristotelische logica niet met behulp van wiskundige notaties verbeterd kon worden.
Aan de Universiteit van Oxford, waar Lewis Carroll wiskundedocent was, kreeg de nieuwe logica relatief weinig aandacht, in tegenstelling tot Cambridge. John Cook Wilson, hoogleraar logica in Oxford, was een uitgesproken tegenstander van de nieuwe logica: volgens hem was daarbij geen sprake meer van logica, maar van wiskunde. Omdat logica werd gezien als de grondslag voor de wiskunde, zou het idee van wiskundige logica leiden tot een vicieuze cirkel.

Er was meer kritiek op het gebruik van symbolen. In de 17e eeuw had de Britse filosoof Locke een sterke relatie gelegd tussen wiskunde en theologie als voorbeelden van zekere kennis. Aan het eind van de 18e eeuw had William Frend dit doorgetrokken naar de rol van wiskundige symbolen. Hij beweerde dat alle wiskundige waarheid berust op een nauwe relatie tussen de symbolen en de werkelijkheid; wiskundige symbolen hebben dus een relatie met de getallen waarmee we tellen in de wereld om ons heen. Omdat er geen negatieve objecten bestaan, ontkende Frend de mogelijkheid van negatieve getallen, een standpunt dat desastreus was voor de verdere ontwikkeling van de wiskunde.
In Cambridge had George Peacock hier iets op bedacht (1830). Hij maakte onderscheid tussen ‘rekenkundige’ en ‘symbolische’ algebra. Rekenkundige algebra sloot aan bij de gebruikelijke rekenkundige operaties waar ook Frend zich op beriep. Symbolische algebra daarentegen was een nieuwe en strikt formele wetenschap met symbolen en combinaties van symbolen, die met eigen regels is geconstrueerd. Als er geen acceptabele interpretatie van de symbolen te vinden was in de traditionele rekenkunde was dat geen probleem: men zou de interpretatie ook elders kunnen vinden.
Dit onderscheid verschafte De Morgan de basis voor zijn werk: hij kon nu werken met symbolen zonder zich zorgen te maken over problemen bij de toepassing in de rekenkunde. Boole ging in feite nog een stap verder: voor hem waren de symbolen geheel vrij van interpretatie. Ook Venn maakte zich niet druk om interpretaties: voor hem overheersten de consistentie en het gemak bij het werken met de symbolen.

Lewis Carroll hechtte ook veel waarde aan gemak en consistentie. Volgens hem kon iedere auteur zijn eigen regels kiezen, mits consistent met zichzelf en “de geaccepteerde feiten van de logica”. Maar hij bepleitte ook de aansluiting bij het dagelijkse leven: symbolische logica mocht niet te ver af staan van het gewone volk.[8]
Carroll sloot met zijn logische werk in feite meer aan bij Cambridge dan Oxford en hij wisselde daarover regelmatig van gedachten met Cook Wilson. Carroll deed zijn best Cook Wilson te overtuigen van de juistheid van zijn standpunten. Maar op grond van de nog beschikbare correspondentie wordt duidelijk dat Cook Wilson geen hoge dunk had van Carrolls logische kwaliteiten.[9]

De logische worst-machine die objecten verwerkt tot termen; fragment van een illustratie uit Picture Logic van Swinburne.

Logica voor iedereen

Carrolls opvatting over het gebruik van symbolen was in lijn met zijn visie op logica als een vak met toepassingen bij het oplossen van alledaagse problemen en niet slechts als een instrument voor wetenschappelijk onderzoek. Daarbij zag hij symbolische logica als een interessante, werkbare en zelfs eenvoudige variant van de traditionele logica.
Met zijn werken The Game of Logic en Symbolic Logic probeerde hij dan ook een breed publiek te bereiken. In de inleiding van Symbolic Logic verkondigde hij zelfs dat hij de eerste was die “dit fascinerende onderwerp” populariseerde.[10]

Nu waren er in de 19e eeuw wel eerder pogingen gedaan om logica te populariseren. In 1843 publiceerde Whately Easy Lessons on Reasoning, een vereenvoudigde versie van zijn eerdere werk Elements of Logic, bedoeld voor een breder publiek en vooral schoolgaande kinderen.

Ik noem hier nog twee werken, die beide ook voorkwamen in Carrolls bibliotheek.[11]
In Logic for the Million uit 1851 deed James Gilbart een veel bekritiseerde poging tot popularisering van de logica. Hij ging uit van een breed concept van de logica, waarvoor hij zich op vele autoriteiten beriep, zonder veel samenhang.
Een bijzonder werk is Picture Logic, or the Grave Made Gay van Alfred James Swinburne (1887). Deze goed leesbare introductie in de traditionele logica was bedoeld voor studenten en is uniek vanwege de grote hoeveelheid illustraties en grappen.

Carrolls bewering dat hij de eerste was die “dit fascinerende onderwerp” populariseerde kan dus niet op logica in het algemeen slaan. Mede gelet op het feit dat hij bekend was met het werk van Gilbart en Swinburne, kunnen we wel concluderen dat hij met “dit fascinerende onderwerp” de symbolische logica bedoelde. Daarvoor was hij inderdaad de eerste. Bijzonder was daarbij ook dat hij niet een overzicht van de algemene stand van zaken van de logica gaf, maar zijn eigen logische theorie uiteenzette.


Latere ontwikkelingen in de logica

Het begin van de symbolische logica is zeker geen succesverhaal. In feite vonden filosofen de symbolische logica te wiskundig en vonden de wiskundigen haar te filosofisch.[12] De groep voorstanders van de symbolische logica was relatief klein. Carroll was zeker een van hen en hij was ervan overtuigd dat de symbolische logica, in welke vorm dan ook, de traditionele formele logica zou vervangen omdat de symbolische logica vele malen beter was.[13]
In feite viel Carrolls academische carrière vrijwel samen met de breakdown van de logica van Aristoteles en de opbloei van de Booleaanse algebraïsche logica. De technieken die hij introduceerde sloten aan bij die van Boole en Venn.

Maar tijdens de opbloei van de symbolische logica vond aan het eind van de 19e eeuw een meer ingrijpende vernieuwing van de logica plaats die leidde tot wat tegenwoordig ‘mathematische logica’ heet. Dit betekende trouwens niet het einde van de symbolische logica; in feite is de symbolische logica in de mathematische logica geïntegreerd.

Formeel wordt Begriffschrift uit 1879 van Gottlob Frege als startpunt gezien, maar de nieuwe ontwikkeling kwam pas echt op gang in het eerste decennium van de 20e eeuw toen Bertrand Russell Frege’s tot dan toe onbekende werk onder de aandacht bracht en verder uitbouwde.
De symbolische logici hadden wiskunde (en vooral algebra) toegepast op de traditionele logica. De mathematische logici pasten logica toe op de wiskunde.
De mathematische logica beperkte zich niet tot een hulpmiddel om geldige en ongeldige redeneringen van elkaar te scheiden. Het idee dat uitspraken konden worden geanalyseerd in subject en predicaat werd verlaten. Daarvoor in de plaats kwam een systeem van wiskundige functies en argumenten dat de grondslag vormde van de wiskunde. Volgens Russell was er ook geen scheiding tussen wiskunde en logica omdat wiskunde een onderdeel was van de mathematische logica.[14]
Evenmin als de meeste van zijn Britse tijdgenoten besteedde Lewis Carroll aandacht aan het werk van Frege en er is geen aanwijzing dat hij ervan op de hoogte was.[15]
De ontwikkeling van de mathematische logica valt verder buiten het bestek van deze artikelenreeks.


Afsluiting

In dit artikel heb ik geprobeerd het logische werk van Lewis Carroll te plaatsen in de tijd waarin hij leefde en werkte. Dit was de periode waarin de symbolische logica werd ontwikkeld en Carroll was niet alleen een fervent aanhanger van de symbolische logica, hij leverde ook een eigen, herkenbare bijdrage.
Voor de symbolische logici was het eliminatie-probleem het centrale probleem van de logica en zij ontwierpen notaties en technieken om dit probleem aan te pakken. Dit zien we ook terug in het logische werk van Lewis Carroll. Twee van zijn bijdragen zijn bijzonder interessant omdat ze nog steeds terugkeren in de logische literatuur. Dat betreft zijn diagrammen en zijn Method of Trees. Deze vormen dan ook de onderwerpen van mijn volgende twee artikelen.


Voetnoten

[1] Belangrijke bronnen voor dit artikel zijn Bartley 1977, Copi 1968, Hobart & Richards 2008, Moktefi 2008, 2019a, 2019b.

[2] ‘Lewis Carrolls belangstelling voor logica’, Phlizz 1, https://lewiscarrollgenootschap.nl/2019/09/27/lewis-carrolls-belangstelling-voor-logica/

[3] Het bewijs uit het ongerijmde, ook wel ‘reductio ad absurdum’ genoemd, was afkomstig uit de wiskunde en werkt als volgt. Men neemt het tegenovergestelde aan van de stelling die men wil bewijzen; als die aanname leidt tot een tegenspraak, dan moet de aanname onwaar zijn en de ontkenning ervan (d.w.z. de stelling die men oorspronkelijk wilde bewijzen) dus waar.

[4] Zie McKerrow 1987.

[5] Zie Boole 1847. Overigens is niet alles wat tegenwoordig aan Boole wordt toegeschreven, ook daadwerkelijk van hem afkomstig. Zo is bij zoekopdrachten op het internet vaak sprake van zgn. Booleaans zoeken, met Booleaanse operatoren. Deze zijn in die vorm niet afkomstig van Boole zelf, doch zijn moderne interpretaties. Evenmin is hij verantwoordelijk voor wat tegenwoordig ‘Booleaanse algebra’ wordt genoemd

[Corcoran 2003].

[6] Zie Gardner 1958.

[7] Zie Abeles 2019.

[8] Zie de volgende citaten in Carroll 1879:

“I maintain that every writer may adopt his own rule, provided of course that it is consistent with itself and with the accepted facts of Logic.” (p.166)

En, over een door hem verworpen standpunt:  “This view does not seem to involve any necessary contradiction with itself or with the accepted facts of Logic. But, when we come to test it, as applied to the actual facts of life, we shall find I think, that it fits in with them so badly that its adoption would be, to say the least of it, singularly inconvenient for ordinary folk.” (p.167)

[9] Zie Moktefi 2019b.

[10] In de inleiding van Symbolic Logic noemt Carroll zijn werk “the very first attempt (with the  exception of [his] own little book, The Game of Logic, published in 1886, a very incomplete performance) that has been made to popularise this fascinating subject.” [Carroll 1896, p.xiv].

[11] Zie Moktefi 2017, p.38.

[12] Zie Grattan-Guinness 2011.

[13] “I have no doubt that Symbolic Logic (not necessarily my particular method, but some such method) will some day, supersede Formal Logic, as it is immensely superior to it: but there are no signs, as yet, of such a revolution.” [Lewis Carroll, Letter to MacMillan 19 October 1895].

[14] Zie Grattan-Guinness 2011.

[15] John Venn heeft in 1880 een negatieve review voor Mind geschreven over Frege’s Begriffschrift, eindigend met de woorden ”I must confess that it seems to me cumbrous and inconvenient” [Mind, Vol. 4, No. 18, April 1880, p.297].

 

Literatuur

Bartley, William Warren III (ed.), 1977, Lewis Carroll’s Symbolic Logic, New York: C.N. Potter.

Boole, George, 1847, The Mathematical Analysis of Logic, Cambridge: MacMillan, Barclay, & MacMillan.

Boole, George, 2003, The Laws of Thought, New York: Prometheus Books. Originally published in 1854 as An Investigation of the Laws of Thought.

Carroll, Lewis, 1887, The Game of Logic, London: MacMillan. Reprinted by Dover in 1958, together with Symbolic Logic, Part I.

Carroll, Lewis, 1896, Symbolic Logic, Part I Elementary, London: MacMillan. Reprinted by Dover in 1958, together with The Game of Logic.

Copi, Irving M., 1968, Introduction to Logic, London: The MacMillan Company.

Corcoran, John, 2003, ‘Introduction’, in Boole 2003, pp.vii-xxxv.

De Morgan, Augustus, 1847,  Formal Logic, London: Taylor & Walton.

Flood, Raymond, Adrian Rice & Robin Wilson (eds.), 2011, Mathematics in Victorian Britain, Oxford University Press.

Gabbay, Dov M. & John Woods (eds.), 2008, Handbook of the History of Logic, Volume 4: British Logic in the Nineteenth Century, Amsterdam: Elsevier.

Gabbay, Dov et al., 2019, Natural Arguments: A Tribute to John Woods, London: College Publications.

Gardner, Martin, 1958, Logic Machines and Diagrams, The University of Chicago Press.

Gilbart, James, 1851, Logic for the Million. A Familiar Exposition of the Art of Reasoning, London: Longman, Brown, Green & Longmans.

Grattan-Guinness, Ivor, 2011, ‘Victorian Logic. From Whately to Russell’, in Flood, Rice & Wilson (eds.), 2011, pp.359-376.

Hobart, Michael E. & Joan L. Richards, 2008, ‘De Morgan’s Logic’, in Gabbay & Woods, 2008, pp.283-329.

McKerrow, Raymie E., 1987, ‘Richard Whately and the Revival of Logic in Nineteenth-Century England’, Rhetorica: A Journal of the History of Rhetoric, Vol. 5, No. 2, pp.163-185.

Moktefi, Amirouche, 2008, ‘Lewis Carroll’s Logic’, in Gabbay & Woods (eds.), 2008, pp.457-507.

Moktefi, Amirouche, 2017, ‘Are Other People’s Books Difficult to Read? The Logic Books in Lewis Carroll’s Private Library’, Acta Baltica Historiae et Philosophiae Scientiarum, Vol. 5, No. 1, pp.28-49.

Moktefi, Amirouche, 2019a, ‘Logic’, in Wilson & Moktefi (eds.), 2019, pp.87-120.

Moktefi, Amirouche, 2019b, ‘The Shaping of Modern Logic’, in Gabbay et al. (eds.), 2019, pp.503-528.

Swinburne, Alfred James, 1887, Picture Logic, or the Grave Made Gay, London: Longmans, Green, & Co.

Venn, John, 1881, Symbolic Logic, New York.

Whately, Richard, 1826, Elements of Logic, London: J. Mawman.

Whately, Richard, 1845, Easy Lessons on Reasoning, Boston: James Munroe & Co, First American from Second London Edition.

Wilson, Robin & Amirouche Moktefi (eds.), 2019, The Mathematical World of Charles L. Dodgson (Lewis Carroll), Oxford University Press.

Lees verder

Lewis Carrolls belangstelling voor logica

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Lewis Carroll, The Game of Logic, MacMillan 1887

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zelfportret van Lewis Carroll

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bord met fiches uit The Game of Logic

Inleiding

Dit is het eerste artikel in een serie die ik beoog te schrijven over de logica van Lewis Carroll[1]. De bedoeling van deze serie is tweeledig:

  • de lezer die niet in de logica is geschoold, inzicht te verschaffen in het werk van Lewis Carroll op het gebied van de logica;
  • illustreren in welke mate zijn specifieke affiniteit met logica is terug te vinden in Alice’s Adventures in Wonderland en Through the Looking-Glass and what Alice found there.

Dit eerste artikel gaat in op de rol van logica in het leven en werk van Lewis Carroll en – in algemene zin – op het karakter van zijn bijdrage aan de logica.[2]
In de volgende bijdrage zal ik de stand van het vak logica ten tijde van Lewis Carroll toelichten, waarna vervolgens de belangrijkste elementen van Carrolls logica de revue zullen passeren. Tenslotte zal ik de relatie van de Alice-boeken met logica analyseren.

Maar voorafgaand aan dit alles geef ik antwoord op de vraag: wat is logica? Waar hebben we het over als we spreken over logica als wetenschap?

Wat is logica?
Logica is de studie van methodes en principes die worden gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen correcte en niet-correcte redeneringen.
De logica levert dus systematische middelen om aan te kunnen geven of argumenten geldig of ongeldig zijn, maar – en dat is wezenlijk – doet dat zonder naar de inhoud van de argumenten te kijken. Om die reden wordt het vak ook wel aangeduid met ‘formele logica’: het gaat om de vorm en niet om de inhoud van de argumenten.  Een logicus hanteert dus als uitgangspunt dat de geldigheid van een argument afhankelijk is van de vorm van het argument.

Een voorbeeld. Stel we hebben twee veronderstellingen (‘premissen’) en een conclusie:
.   Premisse 1      Socrates is een paard.
.   Premisse 2      Alle paarden hebben vier benen.
.   Conclusie        Dus Socrates heeft vier benen.

In de formele logica is een dergelijke redenering correct als het uitgesloten is dat  de conclusie (‘Socrates heeft vier benen’) onwaar is wanneer beide premissen waar zijn. Het bovenstaande voorbeeld is dus een correcte redenering. Het is immers uitgesloten dat Socrates een ander aantal benen dan vier heeft (of helemaal geen benen) wanneer hij een paard is en alle paarden vier benen hebben. De vraag of Socrates daadwerkelijk een paard is doet daarbij niet ter zake.

Als tegenhanger van de formele logica kennen we tegenwoordig ook de informele logica.
Formele logica kijkt naar de vorm van argumenten, maar informele logica bestudeert de argumenten in de context van een discussie of een alledaagse conversatie; het gaat dan dus wel degelijk om de inhoud van de argumenten.
In de formele logica zijn de begrippen ‘waar’ en ‘onwaar’ essentieel. In de informele logica gaat het niet uitsluitend over waarheid, maar ook over de vraag of de premissen ondersteuning bieden voor de conclusie, of ze de conclusie plausibel maken. Bijvoorbeeld:
Het is algemeen aanvaard dat mensen die de wet overtreden, moeten worden gestraft.
.   Els heeft de wet overtreden.
.   Daarom moet Els worden gestraft.

Ook redeneringen met onuitgesproken veronderstellingen zijn onderwerp van de informele logica, bijvoorbeeld:
.   Het standpunt van Henk is racistisch.
.   Daarom is Henks standpunt onjuist.

Waar formele logica terug gaat tot de Griekse oudheid, is informele logica als vak pas ontstaan in de jaren 60 van de vorige eeuw[3]. Natuurlijk werden argumenten al eerder op inhoud geanalyseerd, maar dat werd niet gezien als onderdeel van het vak logica. Als Carroll het over ‘logica’ heeft, gaat het dus over ‘formele logica’[4]. Carroll heeft het zelf trouwens vaak over ‘symbolische logica’: formele logica die wordt gekenmerkt door het  gebruik van variabelen en symbolen, die uitdrukkingen van de natuurlijke taal vervangen.

Vakken die zich ook bezighouden met argumentatie, maar moeten worden onderscheiden van de logica, zijn retorica en argumentatieleer.
Het vak retorica is ontstaan in de oudheid in de betekenis van de vaardigheid om geschikte overtuigingsmiddelen te vinden en te gebruiken, bijvoorbeeld in een redevoering. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw is sprake van een herwaardering van de klassieke retorica. De ‘nieuwe retorica’ legt een accent op argumentatieschema’s zoals die voorkomen in alledaagse discussies en is nauw verwant aan de argumentatieleer[5].
In de argumentatieleer beschrijft men op basis van empirisch onderzoek de processen in een debat en de factoren die de uitkomst van het debat beïnvloeden. Het is een interdisciplinair vak waarin wordt gewerkt met inzichten uit de logica (formeel en informeel), retorica, communicatietheorie, taalwetenschap, psychologie en ook computerwetenschap[6].

Het belang van logica voor Lewis Carroll
Lewis Carroll (1832-1898) was van 1855 tot 1881 wiskundedocent aan het Christ Church College van de Universiteit van Oxford. In 1881 nam hij ontslag als wiskundedocent om zich op andere zaken te kunnen toeleggen; daarna concentreerde hij zich vooral op logica. Zijn zuiver logische werken dateren alle na 1885. Het lijdt echter geen twijfel dat zijn belangstelling voor logica veel ouder is.

Als kind had hij al belangstelling voor wiskunde en abstracte ideeën, zoals blijkt uit een schoolrapport uit Richmond uit 1844, waarin James Tate, het hoofd van de school, hem prijst voor  zijn natuurlijke voorkeur voor precieze argumenten[7].
In de Victoriaanse tijd was logica-onderwijs een gebruikelijk onderdeel van het onderwijs en het is dan ook waarschijnlijk dat Carroll vertrouwd raakte met elementaire logica aan de kostschool in Rugby en als undergraduate aan de Universiteit van Oxford.
In een brief uit 1891 geeft hij zelf aan dat hij al 40 jaar logica studeert[8]. En in een dagboekpassage van 6 september 1855 vinden we de eerste verwijzing naar eigen werk op het gebied van logica[9].

Carrolls interesse voor logica blijkt duidelijk uit zijn werk op het gebied van de meetkunde, waarin hij veel aandacht besteedde aan de geldigheid van argumenten. Als wiskundedocent was hij overtuigd van de superioriteit van De Elementen van Euclides als tekstboek voor meetkunde. Tot het midden van de 19e eeuw was dit werk, dat dateert uit de derde eeuw voor Christus, ook altijd het standaard-boek geweest voor meetkunde-onderwijs in Engeland. Maar rond 1860 werd het steeds meer ter discussie gesteld en geleidelijk  vervangen door andere tekstboeken. Lewis Carroll was het daar volstrekt mee oneens: hij schreef diverse boeken en pamfletten over Euclidische meetkunde, waaronder Euclid and his modern rivals (1879), een toneelstuk waarin de minderwaardigheid van dertien recente meetkunde-leerboeken ten opzichte van Euclides wordt aangetoond.
Nu lijkt De Elementen meer een tekstboek voor logica dan voor meetkunde en Carrolls latere logisch werk wordt dan ook wel beschouwd als de voortzetting van zijn publicaties over Euclides’ meetkunde in de periode 1860-1880[10].

De vele pamfletten die hij gedurende zijn leven schreef, over universitaire politiek, maar bijvoorbeeld ook over verkiezingen en sport, illustreren zijn voorliefde voor strakke, logische redeneringen.
Maar Carroll had een bredere functie voor de logica voor ogen. In zijn privé-correspondentie legde hij een relatie tussen logica en religieus denken. Een dagboekpassage van 2 februari 1857 benadrukt het belang van correct redeneren voor het geloof. En in een brief aan zijn neef Collingwood noemde hij de belabberde logica van vele preken een gevaar voor het christendom[11]. Een brief aan uitgever MacMillan bevat zelfs het voornemen om een boek te schrijven over religieuze onderwerpen vanuit een logisch gezichtspunt[12]. Dat is er echter nooit van gekomen.

Uit zijn geschriften wordt duidelijk dat Lewis Carroll veel maatschappelijke waarde hechtte aan de logica. Zo noemde hij logica nuttig voor het helder formuleren van ideeën, het ordenen van kennis en het aan de kaak stellen van drogredeneringen[13]. Hij was van mening dat de samenleving en zeker de politiek minder vatbaar zouden zijn voor de waan van de dag, als in elk geval de meerderheid van de gebruikte argumenten correct zouden zijn. Hij besteedde daarom veel aandacht aan de popularisering van de logica. Hij ontwikkelde zijn logica, ondanks het formele karakter en het gebruik van symbolen, zodanig dat deze toepasbaar zou zijn in het dagelijkse leven[14].

Gedurende zijn hele leven ontwierp hij puzzels waarin logische vaardigheden konden worden toegepast. Hij had veel plezier in het lesgeven in logica, vooral aan kinderen. In 1887 begon hij les te geven aan scholen in Oxford, zoals de Oxford High School for Girls.

Carrolls logische werken
Lewis Carrolls eerste logica-boek was The Game of Logic dat hij in 1886 privé uitgaf. De eerste publieke editie van MacMillan dateert van 1887.
Hierin presenteerde Carroll logica als een spel met een bord en fiches. Elke uitgave bevatte een envelop met een kaart waarop een diagram was getekend, plus negen fiches: vier rode en vijf grijze. Het spel kan worden gespeeld door één of meer spelers en bestaat uit het trekken van conclusies uit een aantal vooronderstellingen.

Carroll publiceerde The Game of Logic onder zijn pseudoniem waarmee hij inmiddels ruime bekendheid genoot vanwege de Alice-boeken. Op deze wijze hoopte hij meer publiciteit voor zijn logische werk te krijgen. De stijl van het boek is familiair en de door Carroll gebruikte voorbeelden zijn vaak amusant en sluiten aan bij de gedachtewereld van kinderen. Maar ook al presenteerde hij logica als spel, voor Carroll diende het een hoger doel: hij zag The Game of Logic als een nuttig hulpmiddel voor de popularisering van logica.
The Game of Logic bleek echter geen succes.

In 1896 verscheen Symbolic Logic, dat kan worden gezien als een voortzetting en uitbreiding van de methode die hij had ontwikkeld in The Game of Logic.  Ook nu benadrukte hij het belang van logica als bron voor zowel ontspanning als instructie.
Voorafgaand aan de publicatie schreef hij een pamflet om het boek te promoten. Hierin waarschuwde hij voor de gebruikelijk misverstanden dat logica moeilijk, saai en nutteloos zou zijn en nodigde hij de lezers uit zijn methoden uit te proberen alvorens  een oordeel te vellen[15].

Carrolls oorspronkelijke plan was om Symbolic Logic uit te brengen in drie delen. Hij heeft echter alleen deel I kunnen publiceren, dat als subtitel Elementary draagt.
Het kreeg goede recensies, maar ondanks enkele interessante vernieuwingen kreeg de wetenschappelijke inhoud weinig aandacht. Het werd vooral gewaardeerd vanwege de amusante voorbeelden. Ook de door Carroll ontworpen symbolische notatie vond geen verdere navolging.

Carroll werkte nog aan Symbolic Logic II, Advanced en Symbolic Logic III, Transcendental, toen hij op 14 januari 1898 overleed. Lange tijd vreesde men dat alle manuscripten verloren waren gegaan. Maar in 1977 publiceerde de Amerikaanse filosoof W. W. Bartley III omvangrijke fragmenten van het beoogde tweede deel. De editie van Bartley bevat de drukproeven die hij ontdekt had, plus diverse andere manuscripten, aantekeningen en brieven op het gebied van logica. Alhoewel het soms wordt aangeduid als een definitieve uitgave van deel II van Symbolic Logic, is het in feite niet meer dan een verzameling teruggevonden manuscripten. Het bouwt voort op deel I, biedt nieuwe oplossingen voor ingewikkelde problemen en introduceert ook een nieuwe methode (The Method of Trees).

Meer invloed in de filosofische wereld dan The Game of Logic en Symbolic Logic hadden Carrolls twee bijdragen aan het filosofische tijdschrift Mind, namelijk ‘A Logical Paradox’ (1894), ook bekend als ‘The Barbershop Paradox’, en ‘What the Tortoise said to Achilles’ (1895).
In elk van deze twee teksten presenteerde Carroll een paradox die betrekking heeft op voorwaardelijke uitspraken, d.w.z. uitspraken in de vorm als …. dan ….. Bij geen van beide gaf hij een oplossing.
Deze paradoxen zijn vele malen herdrukt[16] en intensief bediscussieerd door logici en filosofen. Bertrand Russell beschouwde ze als Carrolls beste bijdrage aan de logica. Voor ‘What the Tortoise Said to Achilles’, dat inmiddels een klassieker is geworden in de filosofie van logica, is nog steeds geen algemeen aanvaarde oplossing gevonden.

In latere artikelen in deze serie zal ik inhoudelijk aandacht besteden aan de belangrijkste vernieuwingen in The Game of Logic en Symbolic Logic en de beide paradoxen.

Misverstanden
De publicatie van de door Bartley ontdekte fragmenten voor Symbolic Logic Part II in 1977 was aanleiding voor een hernieuwde evaluatie van Carrolls werk als logicus. Bartley zelf karakteriseerde Carroll in zijn inleiding als een bijzonder vernieuwend logicus. Dit oordeel werd zeker niet door iedereen gedeeld. Sommigen zagen de bevestiging dat hij meer was dan een bedenker van puzzels voor kinderen[17], maar er was ook teleurstelling, omdat hij toch minder vernieuwend en scherpzinnig zou zijn gebleken dan men op grond van de Alice-boeken had verwacht[18].
Maar ondanks de voor zijn tijd vernieuwende elementen, blijft ook na het uitkomen van deel II de waardering voor zijn logische werk in het algemeen beperkt tot de opvoedkundige en humoristische aspecten  en is er relatief weinig aandacht voor de wetenschappelijke inhoud. Dit hangt samen met een drietal misverstanden.

In de eerste plaats heeft Lewis Carroll merkwaardig genoeg zijn roem onder logici vooral te danken aan de Alice-boeken; veel logici citeren in hun werk uit de Alice-boeken. Hij wordt dan ook wel een ‘onbewust logicus’ genoemd: hij zou zichzelf nauwelijks bewust zijn geweest van zijn eigen diepgang en niet in staat zijn logica volledig te ontwikkelen[19].
Ook wordt hem wel verweten dat hij onvoldoende op de hoogte was van de logica-literatuur in zijn tijd. Dit verwijt lijkt echter onterecht: zijn bibliotheek bevatte de belangrijkste boeken op het gebied van de logica in Groot-Brittannië op dat moment. Wel besteedde hij, evenals trouwens veel van zijn Britse tijdgenoten, weinig aandacht aan de ontwikkelingen op het continent. Hoewel hij alleen werkte, blijkt uit zijn correspondentie dat hij zeker niet geïsoleerd was van de logische gemeenschap. Maar omdat hij zelden verwees naar andere auteurs en elementen die ook bij eerdere auteurs worden aangetroffen als eigen ontdekkingen presenteerde, is moeilijk te bepalen in welke mate hij daadwerkelijk vertrouwd was met de logica-literatuur uit zijn tijd.[20]

Een andere breed levende opvatting is dat Carroll logica als een spel beschouwde[21]. Nu was The Game of Logic natuurlijk echt een spel, maar dat impliceert geenszins dat logica voor Carroll een spel was. Hij beschouwde logica als een serieuze aangelegenheid en schreef zelfs aan zijn zuster Louisa dat hij logica als werk voor God zag[22]. Zijn popularisering van de logica was een middel om het vak te promoten.

Tenslotte wordt vaak verondersteld dat Carrolls logische werken slechts waren bedoeld voor kinderen. Carroll schreef altijd met zijn lezers voor ogen en streefde ernaar dat zijn logische werken ook begrijpelijk waren voor een niet-wetenschappelijke publiek. Sommige delen zijn ook toegankelijk voor kinderen, maar er zijn ook passages die duidelijk bedoeld zijn voor leraren en specialisten.
De receptie van zijn wetenschappelijk werk is in hevige mate beïnvloed doordat Carroll vooral en soms zelfs uitsluitend wordt gezien als auteur van de Alice-boeken. En bij het verschijnen van zijn logische werken was die reputatie al gevestigd.

Het lijdt geen twijfel dat hij zonder zijn voorliefde voor wiskunde en logica niet in staat zou zijn geweest tot het schrijven van de Alice-boeken. Tegenwoordig staan zijn literaire werken, oorspronkelijk bedoeld voor kinderen, steeds meer in de belangstelling van volwassenen en wordt zijn logische werk vaak gelezen om aanwijzingen te vinden om zijn literaire werk beter te kunnen begrijpen. Maar de veronderstelling dat Carroll zijn logische werk vooral schreef om de logische intuïties die hij bij zijn literair werk had verder te verkennen, is aantoonbaar onjuist.

Conclusie
Centraal in Lewis Carrolls logische werken staat zijn streven naar popularisering, de drang om de logica te promoten vanwege het maatschappelijk belang dat hij daaraan hechtte. Zijn logische werken worden dan ook gekenmerkt door een heldere schrijfstijl, visuele methoden en amusante voorbeelden. Het zijn ook juist zijn visuele methode en zijn voorbeelden die nog in leerboeken worden aangetroffen. Daarnaast krijgen zijn in Mind gepubliceerde paradoxen nog steeds aandacht.

De vernieuwende elementen van Carrolls logica hadden nauwelijks impact op de verdere ontwikkeling van het vak logica. Dat was mede het gevolg van de versnelling in de ontwikkeling van de logica na zijn dood onder invloed van met name Frege en Russell. En natuurlijk werd een deel van zijn werk pas bijna 80 jaar na zijn dood ontdekt.
Carrolls logische werk is echter een rijke bron voor hen die de geschiedenis van de logica bestuderen en in het bijzonder de logica in Groot-Brittannië tegen het eind van de 19e eeuw.
Maar ook het omgekeerde geldt: om een goed beeld te krijgen van Carrolls logische werk moet dit worden gezien in de context van de belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de logica tijdens zijn leven.

Dit is dan ook het onderwerp van het volgende artikel.

Voetnoten

[1] Ik zal systematisch spreken over ‘Lewis Carroll’ en niet over ‘Charles Lutwidge Dodgson’. Ik vind het gebruik van zijn pseudoniem in deze context gerechtvaardigd omdat niet alleen zijn literaire werken maar ook zijn bekendste logische werken onder de naam ‘Lewis Carroll’ zijn gepubliceerd.

[2] Veel van de informatie in dit artikel is ontleend aan Moktefi 2005, 2015, 2019 en Wakeling 1978.

[3] Zie Johnson & Blair 1985.

[4] De enige op een definitie gelijkende omschrijving van ‘logica’ van Lewis Carroll die te vinden is, is de volgende, waarschijnlijk uit 1894: “The science of reasoning rightly” [Abeles 2010, p.75].

[5] Zie bijvoorbeeld Walton e.a. 2008.

[6] Zie bijvoorbeeld Reed & Tindale 2010. Geconstateerd moet worden dat er in de literatuur geen eenduidigheid is in het gebruik van de termen ‘informele logica’, ‘nieuwe retorica’ en ‘argumentatieleer’.

[7] “He passed an excellent examination just now in mathematics, exhibiting at times an illustration of that love of precise argument, which seems to him natural” [Wakeling 1978, p.3].

[8] In zijn brief van 29 december 1891 aan zijn neef Collingwood (die deze brief ook heeft gepubliceerd) kwalificeerde Carroll zichzelf als “an old uncle, who has studied Logic for forty years” [Collingwood, 1898/1967 p.299].

[9] “Wrote part of a treatise on Logic, for the benefit of Margaret and Annie Wilcox” [Wakeling 1993, vol 1, p.74].

[10] Abeles 2005, p.44.

[11] Brief d.d. 2 februari  1857: “The bad logic that occurs in many and many a well-meant sermon, is a real danger to modern Christianity” [Collingwood 1967, p.301].

[12] Cohen & Gandolfo 1987, p. 319.

[13] “Now the accomplished Logician [….] finds himself [….] the holder of an ‘Open Sesame’ to an exhaustible treasure-house of varied interests.  He may apply his skill to any and every subject of human thought.” Pamflet van Lewis Carroll bij Symbolic Logic uit januari 1896, zie Abeles 2010, pp.90-93.

[14] “Society would be much less liable to panics and other delusions, and political life, especially, would be a totally different thing, if even a majority of the arguments, that are scattered broadcast over the world, were correct! But it is all the other way” [Carroll 1887, p.32].

[15] Zie Abeles 2010, pp.90-93.

[16] ‘What the Tortoise Said to Achilles’ is bijvoorbeeld opgenomen in Hofstadter 1979, pp.43-45.

[17] “I trust that this edition will help stimulate a long overdue re-appraisal of Carroll as a logician suitable for attention of the adults, and not just as a puzzle-setter for juvenile minds” [Grattan-Guinness 1979].

[18] “It reveals Carroll as less inventive, less able to profit from the available literature and less philosophically acute than the Alice books lead one to expect” [Alexander 1978].

[19] “Lewis Carroll was ploughing deeper than he knew. His mind was permeated by an admirable logic which he was unable to bring to full consciousness and explicit criticism” [Braithwaite 1932, pp.175-178].

[20] Zie Moktefi 2017.

[21] “His mind was occupied with ingenuities rather than profound consideration” [Maynard 1932].

[22] Brief d.d. 28 september 1896; zie Cohen (ed.) 1979, vol.2, pp 1099-1101.

Literatuur

Abeles, Francine, 2005, ‘Lewis Carroll’s Formal Logic’, History and Philosophy of Logic, February 2005.

Abeles, Francine F., 2010, The Logic Pamphlets of Charles Lutwidge Dodgson and Related  Pieces, New York: The Lewis Carroll Society of North America.

Alexander, Peter, 1944, ‘Logic and the Humour of Lewis Carroll’, Proceedings of the Leeds Philosophical and Literary Society, Literary and Historical Section, Vol.6, pp.551-566.

Alexander, Peter, 1978, review of W. W. Bartley’s Lewis Carroll’s Symbolic LogicThe Philosophical Quarterly, Vol. 28, No. 113, p.350.

Bartley, William Warren III (ed.), 1977, Lewis Carroll’s Symbolic Logic, New York: C.N. Potter.

Braithwaite, R.B., 1932, ‘Lewis Carroll as Logician’, The Mathematical Gazette, vol.16, No. 219, pp.175-187.

Carroll. Lewis, 1887, The Game of Logic, London: MacMillan. Reprinted by Dover in 1958, together with Symbolic Logic, Part I.

Carroll, Lewis, 1896, Symbolic Logic, Part I Elementary, London: MacMillan. Reprinted by over in 1958, together with The Game of Logic.

Carroll, Lewis, 1894, ‘A Logical Paradox’, Mind, Vol. 3, No. 11, pp.436-438.

Carroll, Lewis, 1896, ‘What the Tortoise said to Achilles’, Mind, Vol. 4, No. 14, pp.278-280.

Cohen, Morton N. (ed.), 1979, The Letters of Lewis Carroll, New York: Oxford University Press.

Cohen, Morton N. & Anita Gandolfo, 1987, Lewis Carroll and the House of Macmillan, Cambridge University Press.

Collingwood, Stuart Dodgson 1898, reprinted 1967, The Life and Letters of Lewis Carroll, New York: Century Co.

Dodgson, Charles L., 1879, Euclid and his Modern Rivals, London: MacMillan.

Grattan-Guinness, Ivor, 1979, review of W. W. Bartley’s Lewis Carroll’s Symbolic Logic, Annals of Science, Vol. 36, No. 6, p.653.

Hofstadter, Douglas R., 1979, Gödel, Escher, Bach; an Eternal Golden Braid, New York: Vintage Books.

Johnson, Ralph H. & J. Anthony Blair, 1985, ‘Informal Logic: The Past Five Years 1978-1983’, American Philosophical Quarterly, Vol. 22, No. 3, pp.181-196.

Maynard, Theodore, 1932, ‘Lewis Carroll: Mathematician and Magician’, Catholic World, No. 135, p.195.

Moktefi, Amirouche, 2005, ‘How did Lewis Carroll become a logician?’, Conference Proceedings of The Canadian Society for the History and Philosophy of Mathematics, Annual Meeting (University of Waterloo, Ontario, June 4-6, 2005), Vol. 18, pp.136-144.

Moktefi, Amirouche, 2015, ‘On the Social Utility of Symbolic Logic: Lewis Carroll against the “The Logicians”’, Studia Metodologiczne, No. 35, pp.133-150.

Moktefi, Amirouche, 2017, ‘Are Other People’s Books Difficult to Read? The Logic Books in Lewis Carroll’s Private Library’, Acta Baltica Historiae Scientiarum, Vol. 5, No. 1.

Moktefi, Amirouche, 2019, ‘Logic’, in Wilson & Moktefi (eds.) 2019, pp.87-120.

Reed, Chris & Christopher W. Tindale (ed.), 2010, Dialectics, Dialogue and Argumentation. An Examination of Douglas Walton’s Theories of Reasoning and Argument, London, King’s College: College Publications.

Wakeling, Edward, 1978, The logic of Lewis Carroll, Privately published.

Wakeling, Edward (ed.), 1993, Lewis Carroll Diaries: the private journals of Charles Lutwidge Dodgson (Lewis Carroll), Lewis Carroll Society.

Wilson, Robin & Amirouche Moktefi (eds.), 2019, The Mathematical World of Charles L. Dodgson (Lewis Carroll), Oxford University Press.

Walton, Douglas, Chris Reed & Fabrizio Macagno, 2008, Argumentation Schemes, Cambridge University Press.

Lees verder

Waar was Alice?

Phlizz

Online magazine van het Lewis Carroll Genootschap

Alice Liddell ‘slapend’, foto door Lewis Carroll, 1860, IN-0537.

Mary MacDonald ‘dromend’ van haar vader en broertje, foto met dubbele belichting door Lewis Carroll, juli 1863, IN-1026.

Louisa Barry ‘dromend’ van haar broer en zus, foto met dubbele belichting door Lewis Carroll, augustus 1863, IN-1061.

Thomas Doughty, In Nature’s Wonderland, 1835, oil on canvas.
Detroit Institute of Arts, Founders Society Purchase, Gibbs-Williams Fund, 35.119.

Het antwoord lijkt simpel: ze was in Wonderland. Toch blijkt dit op verschillende manieren te worden uitgelegd. Waar staat Wonderland voor? Bestond het woord wonderland al vóór Alice? En bovenal, wat wilde Carroll er zelf mee zeggen? In dit essay hoop ik daar antwoorden op te geven. Of in ieder geval mijn antwoorden.

Fascinatie voor slaap en droom
Alice’s Adventures in Wonderland onthult aan het eind waar Alice werkelijk geweest was. Ze was helemaal niet in een wonderbaarlijk land geweest. Ze had zelfs geen stap verzet en ze had al die tijd liggen slapen naast haar zuster. In een diepere laag bestond ze zelfs alleen in het hoofd van de schrijver die haar dromen als verborgen personale verteller kon zien en beschrijven[1]. Carroll was gefascineerd door slaap en droom. Lang voor Die Traumdeutung van Freud uit 1899, was hij al geboeid door het in elkaar overvloeien van werkelijkheid, herinnering, fantasie en droom. Zijn twee droomboeken over Alice worden afgesloten met het melancholieke gedicht A boat, beneath a sunny sky, een acrostichon op Alice Pleasance Liddell, met als laatste regel: “Life, what is it but a dream?”. Het latere Sylvie and Bruno begint met een acrostichon op Isa Bowman, met als eerste regel “Is all our Life, then, but a dream?”. Carroll vervaardigde ongeveer 30 foto’s van ‘slapende’ kinderen[2] en nog meer van rustende – misschien dagdromende – kinderen[3]. Bij de eerste groep is ook een foto van een ‘slapende’ Alice Liddell uit 1860[4]. In 1863 deed hij een niet zo geslaagde poging – met een dubbele belichting – om Mary MacDonald dromend uit te beelden, met ‘doorzichtige’ droombeelden aan het voeteneinde van haar bed[5]. Een maand later probeerde hij dit opnieuw uit te beelden met de kinderen Barry en toen lukte het wel.

De keuze van de titel
In een brief uit 1864 schrijft Carroll: ”The whole thing is a dream, but that I don’t want revealed till the end”[6]. De brief is gericht aan de toneelschrijver en uitgever van Punch, Tom Taylor (1817-1880). Tom Taylor had Carroll op diens verzoek geïntroduceerd bij Tenniel[7]. Carroll vroeg hem nu, haast achteloos, in een wel heel uitgebreid postscriptum, of Taylor hem wilde helpen bij het vaststellen van een titel voor zijn boek. Hij schreef dat hij de aanvankelijke titel Alice’s Adventures Under Ground bij nader inzien te veel vond klinken als een lesboek over mijnbouw. Hij had Alice’s Golden Hour laten vallen omdat hij het vermoeden had dat er al een boek Lily’s Golden Hours bestond. Hij legde aan Taylor andere titels voor: Alice among the elves (of among the goblins), Alice’s hour (of doings of adventures) in elf-land (of in wonderland)[8]. Daarna schreef hij: “Of all these I at present prefer ‘Alice’s Adventures in Wonderland’.”  Het voorbehoud (at present) dat hij maakt, is nog nadrukkelijker aanwezig in de daarop volgende slotzinnen: “In spite of your ‘morality’[9], I want something sensational. Perhaps you can suggest a name better than any of these[10].” Hieruit blijkt dat Carroll nog niet geheel tevreden was over de Wonderland-titel die hij blijkbaar niet sensationeel vond. Taylor, die als mens bekend stond om zijn hoge normen en waarden (“morality”), heeft hem blijkbaar niet iets ‘beters’ aangedragen. Voor Carroll was het toch de dromerige, mystieke bijklank van wonderland die de doorslag gaf om dit woord in de titel op te nemen. Dit wordt al meteen bevestigd door zijn inleidende gedicht bij Alice in Wonderland “All in the golden afternoon”. Hierin wordt beschreven hoe het verhaal ontstond en hoe de kinderen luisterden naar hoe “the dream-child [is] moving through a land of wonders wild and new”. De beide Alices, ieder op andere wijze een dream-child, lijken hier samen te vloeien. Aan het eind is het zelfs duidelijk Alice Liddell die wordt gevraagd het verhaal te bewaren: “Alice! (…) Lay it where Childhood’s dreams are twined – In memory’s mystic band”. Dromen vervlochten met herinnering, fantasie vervlochten met werkelijkheid. Dat is het mystieke Wonderland dat Carroll bedoelt.

Wonderland in de romantiek
Het woord wonderland is niet bedacht door Carroll. In Westerse landen bestond het al aan het eind van de 18de eeuw. Het had een mysterieuze en romantische annotatie[11]. Het werd in Engeland gebruikt in plechtige poëzie met titels als A Dream of Death (1861). In andere gedichten komen gedragen fragmenten voor als “in the misty distance dies away – the Wonderland, it’s past and gone” (1851) of “view that glorious wonderland – oft visited in dreams” (1861). Ook werd wonderland gebruikt in proza dat verre landen beschreef die nog een idyllisch, sprookjesachtig imago hadden. Edmund Evans schreef een jeugdboek (1860) met de titel The Sydenham Sindbad: a narrative of his seven journeys to wonder-land, waarin de hoofdpersoon vertelt over zijn reizen door onder andere Egypte, Spanje en Griekenland. In Nederland was dit niet anders[12]. Het Nederlandse wonderland werd ook al lang voor Alice gebruikt als metafoor in gedragen, romantische poëzie en als omschrijving voor verre, arcadische landen. In het amateurgedicht Heimwee van den Grijze uit 1838 wordt het woord herhaaldelijk gebruikt als zinnebeeld voor de verloren gegane jeugd: ‘’t Wonderland van onbeschrijfbare weelde, het Wonderland van ongestoord geluk”. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) werd wonderland door de Nederlandse patriot Gerrit Paape gebruikt als ironische omschrijving van Engeland, juist vanwege de romantische betekenis. Hij schreef toen onder pseudoniem een boek met de titel Reize naar het Wonderland, Waterland en eenige andere landen (1780). Hierin wordt het ‘wonderland’ Engeland belachelijk gemaakt, zonder het bij naam te noemen. Waterland staat daarbij voor het nuchtere Nederland. Een recensent schreef aansluitend over “de buitensporige dwaas- en ongeregeldheden van dat wonderland” (1782).

Een wonderbaarlijke droomwereld
Met de voorbeelden uit deze plechtige, gedragen poëzie en het voorbeeld van Gerrit Paape zou het verleidelijk zijn te veronderstellen dat Carroll zijn Wonderland ironisch heeft bedoeld. Idyllisch lijken de avonturen van Alice immers niet te zijn. Carroll stak bovendien graag de draak met plechtstatige, moralistische gedichten uit het begin van de negentiende eeuw. Zie alleen al zijn You are old Father William, dat hij met zijn persiflage ironisch ontdeed van de oorspronkelijke, stichtelijke strekking[13]. Toch blijkt het wel degelijk de poëtische associatie bij wonderland te zijn die de doorslag heeft gegeven. Alice heeft, nadat ze is wakker geworden, een romantisch gevoel over de droom: “thinking (…) what a wonderful dream it had been”, een prachtige of wonderlijke droom. Daarna heeft Carroll nog een epiloog toegevoegd, die op het eerste gezicht wat misplaatst lijkt. Blijkbaar vond hij het belangrijk om nog een overpeinzing over de inmiddels klaarwakkere Alice toe te voegen. Hij had daar een stijlbreuk voor over. Hij wisselt van perspectief en schrijft plotseling vanuit de gedachtewereld van de oudere zuster. Carroll heeft zijn eigen bespiegelingen hier verhullend naar de oudere zuster verplaatst. De ‘oudere zuster’ dagdroomt op idealiserende wijze over Alice. Ze omschrijft Wonderland als het dromenland waar Alice was. De Alice uit Wonderland en de levende Alice vloeien in deze epiloog steeds meer in elkaar over en aan het eind gaat het alleen nog over Alice Liddell. Opnieuw maakt Carroll duidelijk hoe we het woord Wonderland moeten begrijpen. Het is de droomwereld van zijn heldin Alice, met romantische en mystieke bijklanken en verwijzingen naar de werkelijkheid. Wonderland is een wonderbaarlijk dromenland.

Niet verwonderd, maar onderzoekend
Daarmee zou mijn betoog kunnen eindigen, maar dan zou ik voorbijgaan aan anderen die een geheel andere betekenis aan de titel met Wonderland geven. Met name gaat het hier om Nicolaas Matsier. Hij suggereert in zijn essay Alice in Verbazië in het gelijknamig boek[14] dat bij het woord Wonderland in de titel het accent “eerder op verbazing ligt dan op ‘wonder’ in de zin van mirakel”. Matsier had zelf, zo verklaart hij, daarom de titel van het boek liever vertaald als Alice in Verbazië of Alice in Verwonderland. Hij doelt hierbij niet op de verbazing die de lezer zou kunnen ervaren. Volgens Matsier is het Alice zelf die in het boek voortdurend verbaasd of verwonderd is. Hij schrijft zelfs: “Alice is het boek over de kinderlijke verbazing.” Dit vraagt om een analyse van het woord wonder met betrekking tot de gevoelens van Alice. Als we de keren tellen dat wonder valt in het boek (al dan niet in een samenstelling), is dat, afgezien van de titel, 32 keer[15]. Het grootste deel hiervan, 21 keer, bestaat uit vervoegingen van het werkwoord to wonder in relatie tot de beleving van Alice. Hiervan gaat het in twintig gevallen om de transitieve (overgankelijke) vorm van to wonder, dat wil zeggen dat het gaat om benieuwd zijn naar of jezelf iets afvragen. In maar één geval gaat het om de intransitieve (onovergankelijke) vorm van to wonder en dat betekent zich verbazen of zich verwonderen. Het aardige is dat juist dit enige geval gaat over het niet-verbaasd zijn van Alice tijdens het avontuur. Al in de derde zin van het verhaal zet Carroll de toon als hij alvast haar gedachten van na het avontuur weergeeft: “It occurred to her that she ought to have wondered at this, but at the time it all seemed quite natural”. Het is de bedoeling van Carroll geweest om al vroeg in het verhaal duidelijk te maken dat Alice niet een meisje is dat met “kinderlijke verbazing” rondkijkt, maar meteen nieuwsgierig en voortvarend aan de slag gaat met onderzoek.

Een brandende nieuwsgierigheid
Alice rent vervolgens “burning with curiosity” achter het Konijn aan. Uit een brandende nieuwsgierigheid dus, niet uit verbazing. Carroll kiest zijn woorden zorgvuldig. Als ze kort daarna diep naar beneden valt, is ze evenmin verbaasd, maar vraagt ze zich in nuchterheid af waar ze terecht gaat komen en welke gevolgen dit zal hebben. Bang is ze evenmin. “She had plenty of time as she went down to look about her, and to wonder what was going to happen next”. Ze vraagt zich tijdens de val met een haast wetenschappelijke belangstelling af wat er gaat gebeuren. Carroll vermijdt in het hele verhaal om haar verbazing toe te schrijven. Verbazing is blokkerend. Alice is daarentegen leergierig en onderzoekend. Tijdens haar avonturen is ze – in ieder geval taalkundig bezien – maar één keer verbaasd, namelijk wanneer ze naar de staart van de muis kijkt. “It is a long tail, certainly, said Alice, looking down with wonder at the Mouse’s tail”. Carroll laat haar verbaasd zijn over een gewone staart (tail) en niet over een muis die een verhaal (tale) vertelt. Daarna laat ze ook nog één keer een verbaasde toon horen, wanneer de Gryphon iets totaal onbegrijpelijks zegt: “Does the boots and shoes!’ she repeated in a wondering tone”. Alice is niet verbaasd dat ze met een levende griffioen spreekt; haar verbaasde toon betreft een onbegrijpelijke uitspraak van de griffioen. Alice toont zich daarnaast tijdens haar avonturen negen keer min of meer surprised, ofwel verrast, waarvan drie keer in verband met het groter en kleiner worden of het uitblijven daarvan. Ze toont geen verbazing over het verschijnsel van het krimpen en groeien zelf. Ze noemt het aanvankelijk zelfs beschouwend een curious feeling, een merkwaardig gevoel. Later schrikt ze alleen nog een keer vanwege een onverwachte krimp. Verder is er nog een situatie waarbij ze iets met ironie een wonder noemt. De levende creatures zelf ziet ze daarbij niet als wonder, maar wel dat ze alle na verloop van tijd nog in leven zijn: “The great wonder is that there’s anyone left alive!”.

Andere emoties
Alice laat nog andere emoties zien. Ze ervaart de wereld om haar heen herhaaldelijk als queer (eigenaardig, vreemd) en enkele keren als absurd (bespottelijk), maar dat zijn geen uitingen van verbazing. Het zijn kalme observaties. Ze is enkele keren frightened (bang) en er is enkele keren sprake van delight (genoegen). Ze voelt zich verder een keer unhappy (ongelukkig), omdat ze – te groot geworden – geen kans lijkt te hebben ooit nog uit het huis van het Konijn te komen. Paniek is er desondanks niet. Wel barst ze in de eerste drie hoofdstukken drie keer in tranen uit. Eén keer omdat ze door het krimpen niet meer bij de sleutel kan komen, één keer omdat ze zich alleen voelt en één keer omdat ze zich eenzaam en neerslachtig voelt. Het is een vorm van onmacht die ze in de loop van het verhaal weet om te buigen naar een zelfstandig oplossen van haar vragen en problemen. Ze krijgt daarbij geen hulp van de haar omringende creatures die symbool staan voor volwassenen. Alice moet alles alleen oplossen en dat doet ze ook. Ze gaat de creatures tegenspreken, ze wordt brutaler en opstandiger. Uiteindelijk bevrijdt ze zich van hen. Ze is nu pas echt gegroeid. Dit is wat Carroll beoogt: hij wil de lezer verbaasd laten staan over de groeiende zelfstandigheid van zijn heldin. En dat in een tijd waarin meisjes geacht werden volgzaam te zijn. De lezer raakt er misschien van in verbazië of verwonderland, maar Alice niet.

Samenvatting
Samenvattend is er geen aanwijzing dat Carroll met het woord Wonderland heeft willen verwijzen naar gevoelens van Alice tijdens haar avontuur. Het woord wonderland had al lang voor Alice een romantische, mysterieuze betekenis. Dit sprak Carroll aan bij de keuze voor een titel. Uit het inleidend gedicht en de epiloog blijkt dat Carroll zijn Wonderland zag als de wonderbaarlijke droomwereld die we allemaal kennen en waar Alice in terecht kwam. Hij wilde in de titel niet al over een dromenland spreken omdat hij dat pas aan het eind wilde onthullen. Hij zag de droomwereld als iets avontuurlijks, als iets moois en wonderlijks, als een mystieke boodschap die je kan helpen om te groeien. Carroll was gefascineerd door het in elkaar overvloeien van werkelijkheid, herinnering, fantasie en droom. Hij fotografeerde graag zogenaamd slapende en dromende kinderen. Hij vergeleek het leven dan ook herhaaldelijk met een droom. Life, what is it but a dream?

Noten

[1] Carroll is in Alice een enkelvoudig personale verteller. Hij schrijft vanuit het perspectief van Alice. De verteller komt zelf niet voor in het verhaal, maar weet alles van de hoofdpersoon Alice, ook wat zij denkt en voelt.

[2] Eigen telling op basis van: Edward Wakeling, The Photographs of Lewis Carroll (Austin: University of Texas Press, 2015).

[3] Hier moet worden aangetekend dat Carroll nooit gebruik maakte van de door kinderen gevreesde fotografische standaard met stalen klemmen. Deze werd door professionele portretfotografen vrijwel altijd gebruikt om, vanwege de relatief lange belichtingstijden, het lichaam en vooral het hoofd stil te houden. Als alternatief liet Carroll zijn modellen met het hoofd bijna altijd rusten tegen objecten of andere personen.

[4] The Photographs of Lewis Carroll, 98, IN-0537.

[5] The Photographs of Lewis Carroll, 140, IN-1026 idem 142, IN-1061.

[6] Brief van Carroll aan Tom Taylor, gesigneerd en gedateerd Christ Church, Oxford, 10-06-1864, nu in The British Library. Transcriptie op internet door The Morgan Library and Museum, New York.

[7] In een brief van Carroll aan Tom Taylor, gesigneerd en gedateerd Christ Church, Oxford 20-12-1863, vraagt hij of Taylor hem bij John Tenniel wil introduceren. (Zoals weergegeven in de appendix bij een wetenschappelijke uitgave van beide Alice-boeken met Richard Kelly als editor (Peterborough, Ontario: Broadview Press, revised edition, 2011).

[8] Carroll beschouwde elves als geheel andere creatures dan fairies. Elves konden, anders dan de sprookjesachtige fairies, allerlei verschillende mythologische wezens zijn. In zijn brief aan Tom Taylor d.d. 10-06-1864 schrijft Carroll nadrukkelijk “The heroine spends an hour underground, & meets various birds, beasts etc. (no fairies) endowed with speech.”

[9] Voor de duidelijkheid: Carroll doelt hier niet op moralisme, maar op de hoge moraliteit (zedelijkheid) van Tom Taylor. Ellen Terry (1847-1928), vriendin van zowel Carroll als Taylor, beschrijft Taylor als “one of the most benign an gentle of men” (68, 69) en “more of a father to me than my father in blood” (170). Ellen Terry, The Story of my Life (New York: Doubleday, Page & Co, 1908).

[10] In de biografieën die ik tot nu toe las (maar ik las ze lang niet alle) wordt genegeerd dat Carroll aanvankelijk niet geheel tevreden was over de titel Alice’s Adventures in Wonderland, omdat hij die niet sensational vond. In de vrij recente biografie van Robert Douglas-Fairhurst, The Story of Alice. Lewis Carroll and the Secret History of Wonderland (Cambridge, Massachusetts, Harvard University Press, 2015), 154, suggereert Douglas-Fairhurst zelfs – ten onrechte – dat Carroll de Wonderland-titel prefereerde omdat hij die sensational vond.

[11] The British Newspaper Archive (internet).

[12] Delpher Kranten Archief (internet).

[13] Robert Southey (1774-1843): The Old man’s Comforts and How He Gained Them.

[14] Nicolaas Matsier, Alice in Verbazië (Amsterdam: De Bezige Bij, 2009), 61.

[15] (Interpunctie en hoofdletters aangepast.) Inleidend gedicht: The dream-child moving through a land of wonders wild and new / Thus grew the tale of Wonderland. Hoofdstuk 1: It occurred to her that she ought to have wondered at this, but at the time it all seemed quite natural. / She had plenty of time as she went down to look about her and to wonder what was going to happen next. / I wonder how many miles I’ve fallen by this time? / I wonder what Latitude or Longitude I’ve got to? / I wonder if I shall fall right through the earth! / But do cats eat bats, I wonder? / She walked (…), wondering how she was ever to get out again. / I wonder what I should be like then? Hoofdstuk 2: Oh, my poor little feet, I wonder who will put on your shoes and stockings. / I wonder if I’ve been changed in the night? Hoofdstuk 3: It is a long tail, certainly,’ said Alice, looking down with wonder at the Mouse’s tail / Oh, my dear Dinah! I wonder if I shall ever see you any more! Hoofdstuk 4: Where can I have dropped them, I wonder? / As there seemed to be no sort of chance (…) no wonder she felt unhappy. / I do wonder what can have happened to me! / I wonder what they’ll do next? / I wonder what they will do next! Hoofdstuk 5: The next thing is (…) how is that to be done, I wonder? / Hoofdstuk 6: She stood looking (…) and wondering what to do next. / Hoofdstuk 7: Twinkle, twinkle, little bat! How I wonder what you’re at! Hoofdstuk 8: Alice joined the procession, wondering very much what would happen next. / The great wonder is, that there’s any one left alive! / She was looking about (…) and wondering whether she could get away. Hoofdstuk 9: ‘I dare say you’re wondering why I don’t put my arm round your waist,’ the Duchess said. Hoofdstuk 10: ‘Does the boots and shoes!’ she repeated in a wondering tone. / She had sat down (…) wondering if anything would ever happen in a natural way again. Hoofdstuk 12: Thinking (…) what a wonderful dream it had been. Hoofdstuk 12, epiloog: Thinking of little Alice and all her wonderful Adventures. / She (…) half believed herself in Wonderland. / (…) perhaps even with the dream of Wonderland of long ago.

Lees verder